Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8538

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
NL26.10401
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 8:57 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

De rechtbank Den Haag heeft op 9 april 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser beroep instelde tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit besluit op de Dublinverordening, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser stelde dat bijzondere, individuele omstandigheden aanwezig zijn die een overdracht aan Spanje onredelijk maken. Hij vreesde in Spanje opnieuw bedreigd te worden door leden van een invloedrijke familie uit Egypte, vanwege een grondconflict, en betoogde dat de minister op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening zijn aanvraag in behandeling had moeten nemen.

De rechtbank oordeelde echter dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Spanje gevaar loopt of dat hij geen bescherming kan krijgen van de Spaanse autoriteiten. De minister heeft terecht geoordeeld dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een uitzondering rechtvaardigen.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en handhaafde het besluit van de minister. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter W. Loof en griffier T.M.T. Brandsma, zonder zitting.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10401

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. B. Anik),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 23 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard.
Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening?
5. Eiser betoogt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat zijn overdracht aan Spanje van een onevenredige hardheid getuigt. [3] Eiser stelt dat hij in Egypte is bedreigd en aangevallen door een invloedrijke familie vanwege een grondconflict, en dat hij daar geen bescherming kreeg van de autoriteiten. Omdat leden van die familie en dorpsgenoten ook in Spanje verblijven, vreest hij daar opgespoord en opnieuw bedreigd te worden en wil hij daarom niet aan Spanje worden overgedragen. De minister had eisers asielaanvraag daarom op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening in behandeling moeten nemen.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat in het geval van eiser geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in Spanje gevaar loopt en daarom niet kan terugkeren naar Spanje. De minister heeft hierbij terecht betrokken dat eiser bij toekomstige problemen bescherming van de Spaanse autoriteiten kan vragen. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem niet mogelijk is.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de asielaanvraag van eiser terecht niet in behadeling heeft genomen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Zoals bedoeld in paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.