ECLI:NL:RBDHA:2026:850

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
NL25.43521 en NL25.43523
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvragen van Venezolaanse eisers wegens gebrek aan geloofwaardigheid van de vrees voor vervolging

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 21 januari 2026, zijn de asielaanvragen van twee Venezolaanse eisers afgewezen. Eiseres 1 diende op 13 november 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel, terwijl eiseres 2 op 25 juni 2024 een asielaanvraag indiende. De minister van Asiel en Migratie heeft beide aanvragen op 2 september 2025 afgewezen, met de motivering dat de problemen die eiseres 1 ondervindt vanwege het werk van haar zoon en de problemen van eiseres 2 met de collega's van haar broer niet geloofwaardig zijn. De rechtbank heeft de beroepen van de eisers op 30 december 2025 behandeld, waarbij eiseres 1 aanwezig was met een tolk, maar eiseres 2 niet. De rechtbank concludeert dat de minister de afwijzingen van de asielaanvragen terecht in stand heeft gehouden, omdat er geen gegronde vrees voor vervolging is aangetoond. De rechtbank oordeelt dat de verklaringen van de eisers onvoldoende zijn onderbouwd en dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de asielmotieven niet geloofwaardig zijn. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt de afwijzing van de aanvragen, evenals het terugkeerbesluit. De uitspraak is openbaar gemaakt en kan worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.43521 en NL25.43523

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam 1] , eiseres 1,geboren op [geboortedatum 1] ,

V-nummer: [nummer 1] ,
[naam 2], eiseres 2,
geboren op [geboortedatum 2] ,
V-nummer: [nummer 2] ,
beiden van Venezolaanse nationaliteit,
samen te noemen: eisers,
(gemachtigde: mr. E. Ebes),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers. [1] Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzingen van de asielaanvragen in stand kunnen blijven. De minister mocht namelijk de problemen van eiseres 1 vanwege het werk van haar zoon en de problemen van eiseres 2 met de collega’s van haar broer niet geloofwaardig vinden. Eisers krijgen geen gelijk en de beroepen zijn daarom ongegrond.

Procesverloop

1. Eiseres 1 heeft op 13 november 2024 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiseres 2 heeft op 25 juni 2024 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van
2 september 2025 afgewezen als ongegrond [2] . Eisers dienen binnen vier weken Nederland te verlaten.
1.1.
Eisers hebben beroepen ingesteld tegen de bestreden besluiten. Zij hebben op
16 september 2025 de gronden van het beroep ingediend. Op 19 en 28 december 2025 hebben eisers aanvullende gronden van het beroep, voorzien van bijlagen, ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 30 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres 1 (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister. Eiseres 2 is niet naar de zitting gekomen. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
2. Eisers leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag. Eiseres 2 is de dochter van eiseres 1. De zoon [3] van eiseres 1 werkte sinds eind 2022 bij de [naam organisatie] [4] en heeft het bevel geweigerd om een vriend om het leven te brengen. Hij is in juni 2024 samen met eiseres 2 uit Venezuela vertrokken. Bij het huis van eiseres 1 zijn drie keer collega’s van haar zoon langs geweest om een oproep tot verschijnen voor hem af te geven. Deze oproepen heeft eiseres 1 persoonlijk in ontvangst genomen. Eiseres 1 heeft van haar buurvrouw gehoord dat haar huis was beschoten. Zij is in november 2024 uit Venezuela vertrokken. Eisers vrezen bij terugkeer naar Venezuela voor de collega’s van hun zoon en broer.
De bestreden besluiten
3. Bij de beoordeling van het asielrelaas van eiseres 1 heeft de minister de volgende asielmotieven vastgesteld:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen van eiseres 1 vanwege het werk van haar zoon.
3.1.
Bij de beoordeling van het asielrelaas van eiseres 2 heeft de minister de volgende asielmotieven vastgesteld:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen van eiseres 2 met de collega’s van haar broer.
3.2.
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig. De problemen van eiseres 1 vanwege het werk van haar zoon en de problemen met de collega’s van de broer van eiseres 2, vindt de minister niet geloofwaardig. De minister meent dat eisers geen gegronde vrees hebben voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat zij bij terugkeer naar Venezuela ook geen reëel risico lopen op ernstige schade. [5] De asielaanvragen worden afgewezen als ongegrond. Eisers krijgen geen verblijfsvergunning. Daarnaast krijgen zij een terugkeerbesluit.
3.3.
Eisers kunnen zich hiermee niet verenigen. De rechtbank gaat hierna in op hun beroepsgronden, voor zover deze van belang zijn. Eiseres 2 heeft geen specifieke gronden aangevoerd in beroep. Zij heeft volstaan met verwijzing naar hetgeen namens haar broer is aangevoerd. Gelet op de gevoegde behandeling van de zaken beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres 2 dan ook aan de hand van de gronden in het beroep van eiseres 1.
Herhaling zienswijze
4. De rechtbank overweegt, dat de algemene stelling van eisers in beroep dat de zienswijze als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, onvoldoende is om te kunnen aanmerken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in de bestreden besluiten voldoende gemotiveerd ingegaan op de zienswijze van eisers. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eisers in beroep niet concreet hebben aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens hen niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.
Geloofwaardigheid problemen eiseres 1 vanwege het werk van haar zoon
5. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiseres 1 over de problemen vanwege het werk van haar zoon niet geloofwaardig zijn. In het bestreden besluit, en in het voornemen van
28 augustus 2025, heeft de minister dat voldoende deugdelijk gemotiveerd.
5.1.
De minister heeft bij zijn standpunt kunnen betrekken dat niet geloofwaardig is bevonden dat de zoon van eiseres 1 zijn vriend moest vermoorden en dat de gestelde problemen van haar zoon niet geloofwaardig zijn. Hij heeft voor de beoordeling daarvan verwezen naar het voornemen van de zoon van eiseres van 28 augustus 2025. Verder heeft de minister mogen stellen dat eiseres 1 weinig weet te vertellen over de gestelde problemen van haar zoon. Hij heeft daarbij kunnen betrekken dat eiseres niet weet wat de naam van die vriend is en dat zij niet kan vertellen waarom haar zoon degene was die die vriend moest vermoorden. Dat eiseres 1 stelt dat haar zoon in de hoedanigheid van zijn functie als [naam functie] een zwijgplicht heeft omdat het gaat om delicate problemen, heeft de minister onvoldoende mogen vinden. De minister heeft daarbij mogen stellen dat nergens uit blijkt dat de zoon van eiseres 1 een dergelijke zwijgplicht zou hebben en dat zij dit niet in het nader gehoor heeft verklaard en haar zoon ook niet. De rechtbank volgt de minister hierin. Dat eiseres 1 stelt dat haar verklaringen overeenkomen met die van haar zoon, heeft de minister niet hoeven volgen. Zoals de minister op de zitting heeft aangegeven, zijn de verklaringen van de zoon van eiseres 1 over de problemen met zijn collega’s bij de politie niet geloofwaardig geacht.
5.2.
Daarnaast heeft de minister kunnen stellen dat de beschieting op het huis van eiseres 1 van horen zeggen is en dat zij hierover summier heeft verklaard. Hij heeft dit in het bestreden besluit, en in het voornemen, voldoende deugdelijk gemotiveerd. De minister heeft daarbij mogen stellen dat eiseres 1 haar vermoedens onvoldoende heeft onderbouwd om deze aannemelijk te kunnen vinden. Hij heeft in dit verband kunnen opmerken dat tijdens de bezoekjes door de collega’s van de zoon van eiseres 1 enkel naar hem geïnformeerd zou zijn en oproepen voor hem aan haar zouden zijn gegeven. Dat eiseres 1 stelt dat de eerste maanden na het vertrek van haar zoon er nog incidenten bij haar woning waren, die het gevolg kunnen zijn van onwetendheid bij de collega’s over zijn verblijfplaats, heeft de minister niet op een ander standpunt hoeven brengen. Eiseres 1 heeft dit niet nader geconcretiseerd. Verder heeft de minister mogen stellen dat aan de verklaringen van de buren van eiseres 1 en de foto’s niet de waarde kan worden gehecht die zij hieraan toegekend wenst te zien. Zoals de minister op de zitting heeft aangegeven, kan de verklaring van de buurvrouw niet als een betrouwbare objectieve bron worden aangemerkt. Daarbij heeft de minister van belang kunnen vinden dat de verklaringen van eiseres 1 niet passen binnen haar overige verklaringen. De rechtbank volgt de minister hierin. Dat eiseres 1 op de zitting stelt dat de foto’s en de verklaring van de buren indicatief bewijs zijn voor haar verklaringen, heeft de minister niet hoeven volgen. Zoals de minister op de zitting heeft aangegeven, ondersteunen de verklaringen van eiseres 1 over de beschieting van haar huis het overige relaas van eiseres 1 niet. In dit verband heeft de minister op de zitting gesteld dat de overgelegde verklaring van de buurvrouw en de foto’s van het huis van eiseres 1 niet maken dat haar verklaringen over de gestelde problemen aannemelijk zijn. De rechtbank volgt de minister hierin. Verder heeft de minister kunnen tegenwerpen dat eiseres 1 niet weet wie op haar huis hebben geschoten en wanneer dat zou zijn gedaan. De minister heeft daarbij mee mogen wegen dat het op eigen vermoedens van eiseres 1 gebaseerd is dat het de collega’s van haar zoon waren. Dat eiseres 1 stelt dat zij door haar onregelmatige aanwezigheid in [plaats] alleen bij benadering heeft kunnen aangeven wanneer haar huis in [plaats] is beschoten, heeft de minister onvoldoende mogen vinden. Dat eiseres 1 stelt dat de beoordeling van de geloofwaardigheid door de minister gebaseerd is op vermeende tegenstrijdigheden, volgt de rechtbank niet. Eiseres 1 heeft dit niet concreet onderbouwd. De verwijzing van eiseres 1 naar de (aanvullende) gronden van beroep in de zaak van haar zoon en de daarbij gevoegde vertaling van wetsartikelen, leidt niet tot een ander oordeel. Daarvoor is van belang dat de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eisers afhankelijk is van de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van hun zoon/broer. De rechtbank heeft het beroep van de zoon van eiseres 1 bij uitspraak van vandaag ongegrond verklaard. [6]
5.3.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiseres 2 over de problemen met collega’s van haar broer niet geloofwaardig zijn. Hij heeft dit in het bestreden besluit, en in het voornemen van 28 augustus 2025, voldoende deugdelijk gemotiveerd. Daarbij heeft de minister mogen stellen dat de aanleiding van de problemen van eiseres 2 niet
geloofwaardig wordt geacht, en dat daarom ook niet geloofwaardig wordt bevonden dat zij hierdoor zelf problemen heeft gehad. De minister heeft er in dit verband op gewezen dat eiseres 2 in het nader gehoor [7] heeft verklaard dat zij, behoudens dat zij zich bedreigd voelde door collega’s van haar broer, geen persoonlijke problemen heeft gehad in Venezuela. De rechtbank volgt de minister hierin.
Vrees voor terugkeer/reëel risico op ernstige schade
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister in de bestreden besluiten deugdelijk heeft gemotiveerd dat uit de verklaringen van eisers niet blijkt dat zij een gegronde vrees voor vervolging hebben. Daarbij heeft de minister kunnen stellen dat de omstandigheid dat eisers uit Venezuela komen op zichzelf niet voldoende is om als vluchteling te kunnen worden aangemerkt. Hij heeft hierbij kunnen stellen dat niet is gebleken dat eisers hebben te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De minister heeft verder naar het oordeel van de rechtbank mogen stellen dat eisers bij terugkeer naar Venezuela geen reëel risico lopen op ernstige schade. Dat eisers stellen dat zij wel te vrezen hebben voor vervolging en dat zij bij terugkeer naar Venezuela een reëel risico lopen op ernstige schade, heeft de minister niet hoeven volgen. Hierbij is van belang dat eisers een van hun zoon/broer afhankelijk asielrelaas hebben en dat de minister zijn asielrelaas niet geloofwaardig heeft bevonden. De rechtbank heeft de minister hierin gevolgd.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepen zijn ongegrond. De minister heeft de aanvragen niet ten onrechte afgewezen als ongegrond en aan eisers geen verblijfvergunning toegekend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef onder a en b, van de Vw. Ook heeft de minister terecht een terugkeerbesluit tegen eisers uitgevaardigd. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw.
3.[naam zoon] .
4.[organisatie] .
5.Zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
6.Zaak NL25.43512.
7.Pagina’s 4, 5 en 6 van het rapport nader gehoor van 14 augustus 2025.