Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8429

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
09-257159-25, 09-344486-25, 09-295615-25 (gev. ttz); 09-335215-24 (tul)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i SrArt. 77x Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugddetentie voor medeplegen diefstal scooters, bedreiging jeugdhulp en heling

De rechtbank Den Haag behandelde op 26 maart 2026 de strafzaak tegen een minderjarige verdachte geboren in 2010. De verdachte werd beschuldigd van meerdere strafbare feiten, waaronder medeplegen van diefstal van scooters, bedreiging van medewerkers van een jeugdhulpinstelling en heling van een scooter.

De rechtbank sprak de verdachte vrij van het feit van diefstal van een scooter in Den Haag (feit 2 dagvaarding I) wegens onvoldoende bewijs. Voor de overige feiten, waaronder diefstal van scooters in Waddinxveen en Gouda, bedreiging via WhatsApp-berichten aan medewerkers van iHub en heling van een scooter, werd de verdachte schuldig bevonden. De bewezenverklaring was gebaseerd op bekentenissen, camerabeelden, getuigenverklaringen en forensisch onderzoek.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder een ernstige gedragsstoornis en een belast verleden met eerdere veroordelingen. De verdachte kreeg een jeugddetentie van 105 dagen opgelegd, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden zoals toezicht door de jeugdreclassering en behandeling.

De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing. Tevens werd de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde werkstraf gelast wegens overtreding van de voorwaarden. Het vonnis werd uitgesproken door drie kinderrechters op 9 april 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 105 dagen jeugddetentie, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, en vrijgesproken van één diefstal.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 09-257159-25, 09-344486-25, 09-295615-25 (gev. ttz); 09-335215-24 (tul)
Datum uitspraak: 9 april 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:
[verdachte](hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats] , [land] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is inhoudelijk behandeld op de besloten terechtzitting van 26 maart 2026.
De officier van justitie in deze zaak is mr. A. Baas en de raadsman van de verdachte is
mr. P.H.W. Spoelstra, advocaat te Den Haag. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2.De tenlastelegging

De verdenkingen komen er, kort gezegd, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
Dagvaarding I (09-257159-25)
Feit 1:het medeplegen van diefstal van een scooter door middel van braak en/of verbreking, gepleegd in de periode van 29 september 2025 tot en met 30 september 2025 in Waddinxveen;
Feit 2:het medeplegen van diefstal van een scooter door middel van braak en/of verbreking, gepleegd op 30 september 2025 in Den Haag, dan wel het medeplegen van heling van die scooter op diezelfde dag in Bergambacht;
Feit 3:het medeplegen van diefstal van een scooter door middel van braak en/of verbreking, gepleegd in de periode van 29 september 2025 tot en met 30 september 2025 in Gouda, dan wel het medeplegen van heling van die scooter in diezelfde periode in Bergambacht;
Dagvaarding II (09-344486-25)
Bedreiging, gepleegd op 16 december 2025 in Alphen aan den Rijn tegen een of meerdere medewerkers van jeugdhulpinstelling iHub;
Dagvaarding III (09-295615-25)
Heling van een scooter, gepleegd op 5 oktober 2025 in Den Haag.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van wat aan de verdachte (primair) ten laste is gelegd. Ten aanzien van dagvaarding III heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat sprake is van opzetheling van de scooter.
Op specifieke standpunten van de officier van justitie zal hierna – voor zover relevant – nader worden ingegaan.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het bij dagvaarding I onder feit 1 en het bij dagvaarding III ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard. Ten aanzien van de overige bij dagvaarding I ten laste gelegde feiten heeft de raadsman betoogd dat sprake is van onvoldoende bewijs. Ten aanzien van dagvaarding II heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er geen overtuigend bewijs is.
Op specifieke (bewijs)verweren van de raadsman zal hierna – voor zover relevant – nader worden ingegaan.
3.3
Vrijspraak – dagvaarding I, feit 2 (09-257159-25)
In de nacht van 30 september 2025 is de scooter van [aangever 1] (hierna: aangever) voor de deur van zijn woning in Den Haag gestolen. Deze scooter is later die dag, op 30 september 2025, in Bergambacht aangetroffen, bij de verdachte en de medeverdachten.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte, samen met anderen, de scooter van aangever heeft gestolen, dan wel dat hij met anderen deze scooter voorhanden heeft gehad, terwijl hij en de medeverdachten wist(en) of redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat de scooter gestolen was.
De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om met voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat de verdachte samen met anderen de scooter van aangever heeft weggenomen. Er is geen direct bewijs en deze diefstal heeft bovendien op een ander moment plaatsgevonden dan de andere diefstallen die de verdachte bij dagvaarding I ten laste zijn gelegd. Er is sprake van een aanzienlijk tijdsverschil tussen het wegnemen van de scooter en het aantreffen van de scooter bij de verdachten en de medeverdachten.
De rechtbank is verder van oordeel dat het dossier ook onvoldoende aanknopingspunten biedt om tot bewezenverklaring van heling te komen. Hoewel de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij niet wist dat deze scooter van diefstal afkomstig was, vragen oproept, kan de rechtbank niet vaststellen dat het de verdachte, bijvoorbeeld door beschadigingen of het ontbreken van een slot, duidelijk moet zijn geweest dat deze scooter gestolen was.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van de bij dagvaarding I onder feit 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten.
3.4
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank komt wel tot bewezenverklaring van de andere aan de verdachte ten laste gelegde feiten.
3.4.1
De door de verdachte bekende feiten
De rechtbank zal voor het bij dagvaarding I onder feit 1 en het bij dagvaarding III ten laste gelegde met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, volstaan. De verdachte heeft deze feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en).
Dagvaarding I, feit 1 (09-257159-25)
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025330965, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 172).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 26 maart 2026;
Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , opgemaakt op 30 september 2025 (p. 19-20);
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 30 september 2025 (p. 82-103).
Dagvaarding III (09-295615-25)
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025338298, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 45).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 26 maart 2026;
Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] , opgemaakt op 5 oktober 2025 (p. 28-29);
Het proces-verbaal van aanhouding verdachte, opgemaakt op 5 oktober 2025 (p. 14-17).
3.4.2
De feiten waartegen verweer is gevoerd
De rechtbank heeft voor het bij dagvaarding 1 onder feit 3 en het bij dagvaarding II ten laste gelegde in bijlage II de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
3.5
Bewijsoverwegingen
3.5.1
Dagvaarding I, feit 3 (09-257159-25)
De verdachte wordt ervan verdacht dat hij in de periode van 29 september tot en met 30 september 2025, samen met anderen, de scooter van [aangever 4] (hierna: aangever) heeft gestolen, dan wel dat zij deze scooter voorhanden hebben gehad, terwijl de verdachte en die anderen wisten of redelijkerwijs hadden moeten vermoeden dat de scooter gestolen was. De verdachte ontkent dat hij hierbij betrokken is geweest.
Het oordeel van de rechtbank
Tussen 29 september 2025 16:30 uur en 30 september 2025 09:00 uur is de scooter van aangever aan de Bloemdaalzijde bij station Gouda gestolen. Uit de camerabeelden van station Gouda blijkt dat in de nacht van 29 op 30 september 2025 rond 05:02 uur achter elkaar drie scooters, met op de achterste scooter twee personen, het Burgemeester Jamesplein op kwamen rijden. Om 05:08 uur kwamen er weer drie scooters in beeld, maar kwam er ook een vierde scooter vanachter de muur bij de fietsenstalling rijden. Naar het oordeel van de rechtbank kan er van worden uitgegaan dat het hierbij om de weggenomen scooter gaat. Op 30 september 2025 omstreeks 08:00 uur zijn de verdachte en zijn medeverdachten naast de gestolen scooter in Bergambacht aangetroffen. De verdachte is na een korte achtervolging aangehouden. Bij zijn aanhouding zijn onder de verdachte een schroevendraaier, een schroef en een kniptang in beslag genomen. Na de aanhouding van de verdachte en zijn medeverdachten heeft de politie onderzoek gedaan naar de scooter. Geconstateerd is dat het contactslot er volledig uitgetrokken was en de buddyseat opengebroken was.
Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de verdachte kort na de diefstal van de scooter in Gouda met anderen is aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij die diefstal duiden. Ter terechtzitting heeft de verdachte bekend dat hij betrokken is geweest bij de diefstal van de scooter in Waddinxveen, zoals aan hem ten laste is gelegd bij dagvaarding I onder feit 1. Deze diefstal heeft in diezelfde nacht van 29 op 30 september 2025 rond 04:23 uur plaatsgevonden.
Een aannemelijke verklaring van de verdachte ten aanzien van het voorhanden hebben van de in Gouda gestolen scooter is uitgebleven, terwijl de verdachte een andere bij hem aangetroffen scooter wel degelijk heeft gestolen, ruim een half uur vóórdat de diefstal van de scooter in Gouda plaatsvond. Uit al deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat de verdachte, met zijn medeverdachten, ook deze scooter heeft gestolen. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte en zijn medeverdachten daarbij zo nauw en bewust hebben samengewerkt dat sprake is van medeplegen van de diefstal met verbreking van de scooter van aangever.
Conclusie
De rechtbank is met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 3 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
3.5.2
Dagvaarding II (09-344486-25)
De verdachte wordt ervan verdacht dat hij op 16 december 2025 in Alphen aan den Rijn medewerkers van een instelling voor jeugdhulp (iHub) heeft bedreigd door hen via WhatsApp berichten toe te sturen. De verdachte ontkent dat hij de persoon is geweest die de medewerkers heeft bedreigd.
Het oordeel van de rechtbank
Anders dan de raadsman, acht de rechtbank op basis van de gebruikte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, het bij dagvaarding II ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt als volgt. Op 16 december 2025 heeft [aangever 5] , namens iHub, aangifte gedaan van bedreiging door een persoon die zichzelf [verdachte] noemde. Deze persoon heeft de groepstelefoon van [woongroep] gebeld, met het telefoonnummer [telefoonnummer] . Kort daarna werden door dit telefoonnummer bedreigende berichten naar de groepstelefoon verstuurd, zoals "Fuck jullie ik kom zo semtex voor jullie kk groep zetten". De stem van [verdachte] is door getuige [getuige] herkend als de stem van de verdachte. Deze getuige is in het verleden de mentor van de verdachte geweest. De rechtbank acht deze stemherkenning daarom betrouwbaar. Bij de verdachte is op 16 december 2025 een telefoon in beslag genomen en onderzoek door de politie heeft uitgewezen dat het bij die telefoon behorende telefoonnummer [telefoonnummer] is. Dit is hetzelfde telefoonnummer als waarmee de jeugdhulpinstelling is gebeld en de berichten zijn verstuurd.
De verdachte heeft in zijn verhoor bij de politie, evenals ter terechtzitting, verklaard dat hij zijn telefoon destijds heeft uitgeleend. In het licht van voorgaande bewijsmiddelen en zonder nadere uitleg van de verdachte (aan wie en onder welke omstandigheden de telefoon zou zijn uitgeleend), acht de rechtbank deze verklaring niet aannemelijk.
Conclusie
De rechtbank is met betrekking tot het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
3.6
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding I
1. hij op 30 september 2025 te Waddinxveen, tezamen en in vereniging met anderen, een scooter (Senzo
Riva Lux), die aan [aangever 2] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om
dezezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders die weg te nemen scooter onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;
3. hij op 30 september 2025 te Gouda, tezamen en in vereniging met anderen, een scooter (Piaggio Zip), die aan [aangever 4] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om
dezezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders
datweg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;
Dagvaarding II
hij op 16 december 2025 te Alphen aan den Rijn meerdere medewerkers van iHub (locatie Alphen aan de Rijn) heeft bedreigd met
- enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen en gemeen gevaar voor de verlening van een of meer diensten ontstond
en- enig misdrijf tegen het leven gericht
en- brandstichting
door die medewerkers Whatsapp
-berichten toe te sturen;
- "Fuck jullie ik kom zo semtex voor jullie kk groep zetten",
- "Dus zeg tegen jullie kk begeleiding",
- "Want ik kom 2uur snachts die ding zetten" en
- "Dit is geen bedreiging dit is een feit";
Dagvaarding III
hij 5 oktober 2025 te 's-Gravenhage een scooter voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte - rekening houdend met artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) - wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 105 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd een gedeelte van 60 dagen voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden de voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). De officier van justitie heeft daarnaast een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 25 uren, subsidiair 12 dagen jeugddetentie, gevorderd.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd tegen de hoogte van de strafeis van de officier van justitie.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich op 15-jarige leeftijd, in een periode van ongeveer drie maanden, schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten.
Op 30 september 2025 heeft de verdachte, samen met anderen, twee scooters gestolen. Slechts drie dagen nadat zijn voorlopige hechtenis voor die zaak was geschorst, heeft de verdachte zich op 5 oktober 2025 opnieuw schuldig gemaakt aan het plegen van een strafbaar feit, te weten de heling van een scooter. Naast de materiële schade die de gedupeerden hebben geleden, hebben de feiten aanzienlijke overlast veroorzaakt. Door de heling heeft de verdachte bovendien bijgedragen aan de instandhouding van een afzetmarkt voor gestolen goederen. Met zijn handelen heeft de verdachte blijk gegeven geen respect te hebben voor het eigendom van een ander. Ten slotte heeft de verdachte zich op 16 december 2025 schuldig gemaakt aan bedreiging van medewerkers van een jeugdhulpinstelling. De rechtbank overweegt hieromtrent dat een jeugdhulpinstelling bij uitstek een veilige omgeving moet zijn, zowel voor haar bewoners als voor de daar werkzame hulpverleners. De betrokken medewerkers zijn tijdens de uitoefening van hun werkzaamheden geconfronteerd met ernstig bedreigende berichten, wat een aanzienlijke impact op hen zal hebben gehad. De rechtbank acht het volstrekt onaanvaardbaar dat medewerkers van een jeugdhulpinstelling, die gewoon hun werk doen, op een dergelijke wijze worden bejegend.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 6 maart 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld en dat hij in een proeftijd liep van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf. Ook weegt de rechtbank mee dat de verdachte zich ten tijde van de schorsing van de voorlopige hechtenis voor enkele van de bovengenoemde feiten opnieuw schuldig heeft gemaakt aan nieuwe (soortgelijke) strafbare feiten.
Persoon van de verdachte
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de volgende adviezen die over
de verdachte zijn opgesteld:
  • het Pro Justitia rapport van 18 december 2025, opgesteld door dr. [naam] , GZ-psycholoog;
  • het advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 18 maart 2026.
De bevindingen uit deze stukken en de mondelinge toelichting van de deskundigen van de
Raad en de jeugdreclassering ter terechtzitting worden hierna, voor zover van belang, besproken.
De psycholoog heeft in de rapportage, die ziet op de bij dagvaarding I ten laste gelegde feiten, geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een psychische stoornis. De gedragsproblemen van de verdachte voldoen aan de criteria van een ernstige normoverschrijdend-gedragsstoornis. Daarnaast is de persoonlijkheidsontwikkeling van de verdachte bedreigd in de richting van antisociale trekken. De verdachte beschikt over gemiddelde verstandelijke capaciteiten. Ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid overweegt de psycholoog dat de gedragsstoornis, gelet op haar duurzame en moeilijk beïnvloedbare karakter, ook aanwezig was ten tijde van het tenlastegelegde. Omdat de verdachte echter een ontkennende proceshouding heeft ingenomen, kon niet worden vastgesteld of de stoornis ook daadwerkelijk van invloed is geweest op zijn handelen. Om die reden heeft de psycholoog afgezien van een advies omtrent de mate van toerekening. De verdachte is beïnvloedbaar en heeft zijn sociale contacten voornamelijk opgebouwd binnen jeugdzorginstellingen. Hij heeft moeite met het overzien van de gevolgen van zijn gedrag. Op diverse gebieden zijn beperkingen geconstateerd, waaronder zijn impulsbeheersing, frustratietolerantie, agressieregulatie, probleembesef en -inzicht, zelfbeeld, empathisch vermogen, gewetensfunctie en stressmanagementvaardigheden. Na eerdere veroordelingen heeft de verdachte getoond dat hij eventuele verantwoordelijkheid zoveel mogelijk afhoudt, zich slecht laat corrigeren en weinig heeft geleerd van zijn eerdere problemen. Hij blijft zijn eigen aandeel daarin ontkennen of bagatelliseren. De psycholoog acht het recidiverisico verhoogd als de problematiek van de verdachte niet wordt gecorrigeerd of behandeld. Om dit risico te beperken en ter bevordering van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling, acht de psycholoog het van belang dat de verdachte een inhaalslag maakt op het gebied van zijn morele ontwikkeling, zijn beïnvloedbaarheid en zijn emotie- en agressieregulatie. De psycholoog adviseert aan de verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. Daarbij wordt een verplicht jeugdreclasseringscontact voor een langere periode, bijvoorbeeld twee jaar, van wezenlijk belang geacht, zodat er voldoende tijd beschikbaar is voor uitvoering van de geadviseerde interventies en op de langere termijn adequaat toezicht op de verdere ontwikkeling van de verdachte gewaarborgd blijft.
Uit het advies van de Raad volgt dat de verdachte een belast verleden heeft, gekenmerkt door huiselijk geweld en een uithuisplaatsing. Hij staat momenteel onder toezicht van de jeugdbescherming. De verdachte is eerder met politie en justitie in aanraking gekomen. Zowel binnen het civielrechtelijke als het strafrechtelijke kader zijn reeds maatregelen opgelegd. De zorgen over zijn ontwikkeling zijn op alle leefgebieden groot en vormen een risicofactor voor recidive. De Raad signaleert ook beschermende factoren. De moeder van de verdachte staat open voor hulpverlening, zowel voor zichzelf als voor het gezin, en keurt het antisociale gedrag van haar zoon af. Tegelijkertijd constateert de Raad dat de aanhoudende zorgen over de verdachte zwaar op zijn moeder drukken en dat zij niet meer weet wat hem kan helpen zijn leven te beteren. De Raad acht de voortdurende betrokkenheid van hulpverlening dan ook onverminderd belangrijk. De Raad adviseert aan de verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen, aangevuld met een voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden, alsmede een werkstraf.
Ter terechtzitting heeft de deskundige van de jeugdreclassering naar voren gebracht dat de verdachte zich de afgelopen periode niet heeft gehouden aan de voorwaarden verbonden aan de schorsing van zijn voorlopige hechtenis. Ondanks de geboden kansen, verschijnt de verdachte regelmatig niet op afspraken met de hulpverlening.
Strafmodaliteit en strafmaat
De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf, naast de hiervoor genoemde omstandigheden, aansluiting gezocht bij straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd en bij de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting ten aanzien van minderjarigen. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met artikel 63 Sr Pro.
Gelet op de veelheid aan bewezenverklaarde feiten, het strafblad van de verdachte en de omstandigheid dat de verdachte er niet in is geslaagd een eerder opgelegde taakstraf te voltooien, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
Alles afwegende, acht de rechtbank een jeugddetentie voor de duur van 105 dagen passend en geboden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank begroot het aantal dagen aftrek op 45 dagen. Een gedeelte van 60 dagen van deze straf zal voorwaardelijk worden opgelegd, met een proeftijd van twee jaren en onder de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad. Het voorwaardelijk strafdeel moet als waarschuwing dienen om de verdachte ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen.
Nu de rechtbank de verdachte zal vrijspreken van één van de aan hem ten laste gelegde feiten, acht zij oplegging van een aanvullende werkstraf – zoals geëist door de officier van justitie – niet geïndiceerd.

7.De vordering van de benadeelde partij [aangever 3] (dagvaarding III)

[aangever 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding een bedrag van € 4.500,- tot € 5.000,- aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 250,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Wat betreft het resterende deel van de vordering heeft de officier van justitie geconcludeerd dat de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen, aangezien het rechtstreeks verband met het ten laste gelegde feit en de benodigde onderbouwing ontbreken.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij heeft de schade die zij stelt te hebben geleden niet voldoende onderbouwd en evenmin heeft zij voldoende onderbouwd dat de gestelde schade het rechtstreekse gevolg is van het handelen van de verdachte. De rechtbank kan bij deze stand van zaken dan ook geen schadevergoeding toewijzen. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vordering, kan die vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

8.De vordering tot tenuitvoerlegging

8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de bij parketnummer 09-335215-24 door de kinderrechter van de rechtbank Den Haag op 7 februari 2025 voorwaardelijke opgelegde werkstraf van 25 uren ten uitvoer wordt gelegd wegens het niet naleven van de algemene voorwaarde (inhoudende dat de verdachte geen nieuwe strafbare feiten zal plegen).
8.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich niet tegen toewijzing van deze vordering verzet.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht termen aanwezig tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde werkstraf, waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank van 7 februari 2025. Uit het onderzoek ter terechtzitting is immers gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde heeft overtreden doordat hij zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan soortgelijke feiten.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
63, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 285, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I (09-257159-25) onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1, 3, dagvaarding II en dagvaarding III ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.6 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
Dagvaarding I, feit 1 en feit 3 (09-257159-25):
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;
Dagvaarding II (09-344486-25):
bedreiging met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat en met enig misdrijf tegen het leven gericht en met brandstichting;
Dagvaarding III (09-295615-25):
opzetheling;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
straf
veroordeelt de verdachte tot:
een
jeugddetentievoor de duur van
105 (HONDERDVIJF) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (45 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt, dat een gedeelte van deze jeugddetentie van
60 (ZESTIG) DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
2 (TWEE) JARENvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
zich gedurende de proeftijd meldt bij de jeugdreclassering op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect en ook niet via sociale media – contact opneemt, zoekt of heeft met de medeverdachten:
  • [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2009;
  • [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2009;
3. zich gedurende de proeftijd inzet voor het behouden van dagbesteding bij 070Watt, andere positieve dagbesteding of onderwijs, te bepalen door de jeugdreclassering;
4. zich gedurende de proeftijd onder MDFT-behandeling van JJI Teylingereind, behandeling van E25 of een soortgelijke instelling stelt, te bepalen door de jeugdreclassering;
5. gedurende de proeftijd meewerkt aan begeleiding van een coach vanuit E25 of een soortgelijke instelling, te bepalen door de jeugdreclassering;
6. gedurende de proeftijd inzicht geeft in zijn sociale contacten en relaties, voor zover de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan Jeugdbescherming west, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,
daaronder begrepen;
de vordering van de benadeelde partij [aangever 3] (dagvaarding III - 09-295615-25)
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
de vordering tenuitvoerlegging (09-335215-24)
gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde werkstraf voor de duur van 25 uren, subsidiair 12 dagen vervangende jeugddetentie, opgelegd bij vonnis van 7 februari 2025 in de zaak met parketnummer 09-335215-24;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. T.P. Sarneel, kinderrechter, voorzitter,
mr. J.E. Bierling, kinderrechter,
en mr. A.M.A. Keulen, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. E.P.M. van der Hoorn, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 april 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:
Dagvaarding I
1
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 september
2025 tot en met 30 september 2025 te Waddinxveen, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een scooter (Senzo Rivalux), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan
[aangever 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) die weg te
nemen scooter onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van
braak en/of verbreking;
2
hij op of omstreeks 30 september 2025 te 's-Gravenhage
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een scooter (Piaggio Fly), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1]
, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)
toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk
toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) die weg te nemen scooter
onder hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 september 2025 te Bergambacht, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een scooter (Piaggio Fly), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft
gehad en/of heeft overgedragen,
terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden
krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden
dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
3
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 september
2025 tot en met 30 september 2025 te Gouda, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een scooter (Piaggio Zip) en/of helm in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten
dele aan [aangever 4] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) die weg te
nemen goed/goederen onder hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van
braak en/of verbreking;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 september
2025 tot en met 30 september 2025 te Bergambacht, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een scooter (Piaggio Zip) en/of een helm, althans een goed heeft verworven,
voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen,
terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden
krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden
dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
Dagvaarding II
hij op of omstreeks 16 december 2025 te Alphen aan den Rijn
een of meerdere medewerkers van iHub (locatie Alphen aan de Rijn) heeft bedreigd
met
- enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van een of meer
personen en/of goederen en/of gemeen gevaar voor de verlening van een of meer
diensten ontstond
- enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling
- brandstichting
door die medewerkers (Whatsapp)berichten toe te sturen;
- " Fuck jullie ik kom zo semtex voor jullie kk groep zetten",
- " Dus zeg tegen jullie kk begeleiding",
- " Want ik kom 2uur snachts die ding zetten" en/of
- " Dit is geen bedreiging dit is een feit"
in elk geval woorden en/of gedragingen van gelijke bedreigende aard en/of
strekking;
Dagvaarding III
hij op of omstreeks 5 oktober 2025 te 's-Gravenhage,
een scooter, althans een goed heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad,
terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist,
althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen
goed betrof.