De rechtbank Den Haag behandelde op 3 april 2026 de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van afpersing in vereniging en medeplichtigheid daaraan. De tenlastelegging betrof bedreigingen en geweld tegen aangever in de periode van december 2022 tot februari 2023, met het oogmerk zich wederrechtelijk te bevoordelen.
Na onderzoek en zitting op 20 maart 2026 sprak de rechtbank verdachte vrij van de primaire en subsidiaire tenlastelegging wegens onvoldoende bewijs. Wel werd verdachte veroordeeld voor medeplichtigheid aan afpersing door het in ontvangst nemen van €3.400,- van aangever en dit bedrag door te geven aan een medeverdachte.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van 52 dagen op, gelijk aan het voorarrest, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast werd verdachte hoofdelijk veroordeeld tot betaling van €3.400,- aan materiële schade aan aangever, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 26 februari 2023. De vordering tot immateriële schade werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
De rechtbank benadrukte de ernst van het feit, de rol van verdachte als tussenpersoon en het gebrek aan inzicht in zijn handelen. De straf en schadevergoeding weerspiegelen de ernst van de medeplichtigheid aan afpersing en de impact op het slachtoffer.