De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor afpersing in vereniging en poging daartoe, gepleegd tussen december 2022 en maart 2023. Verdachte en mededaders hebben het slachtoffer onder bedreiging van geweld en met dreiging richting diens familie gedwongen tot afgifte van geldbedragen, portemonnee, identiteitspapieren en telefoongegevens.
De rechtbank achtte de afgifte van €2.000,- en €3.400,-, alsmede de bedreigingen met geweld en het dreigen met bezoeken aan de familie wettig en overtuigend bewezen. Verdachte werd vrijgesproken van het gebruik van fysiek geweld en het plaatsen van een onbekende persoon op de loonlijst van het slachtoffer, wegens onvoldoende bewijs.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van 180 dagen op, waarvan 71 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, en een taakstraf van 80 uur. De onvoorwaardelijke gevangenisstraf is gelijk aan de tijd in voorarrest. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van €5.400,- materiële schade aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente, en hoofdelijk aansprakelijk gesteld samen met mededaders.
De rechtbank nam de ernst van de feiten, de berekenende werkwijze van verdachte en de impact op het slachtoffer en diens familie zwaar mee in de strafoplegging. De vordering tot immateriële schade werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De uitspraak werd gedaan op 3 april 2026 door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag.