Eiser, een Unieburger, werd in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij voerde aan dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief had beëindigd door activiteiten naar Polen te verplaatsen, waardoor de bewaring onrechtmatig zou zijn. De rechtbank stelde vast dat deze grond reeds eerder was getoetst en verworpen, en dat eiser geen nieuwe feiten had ingebracht die tot een ander oordeel leiden.
Daarnaast betwistte eiser de grondslagen van de maatregel, met name de b- en c-grond. De rechtbank volgde de minister in het standpunt dat de b-grond aan de maatregel ten grondslag kon worden gelegd, omdat eiser nog de mogelijkheid had een zienswijze in te dienen op het voornemen tot niet-ontvankelijkheid van zijn asielaanvraag. De c-grond werd door de minister tijdens de zitting laten vallen.
Eiser stelde dat de minister een lichter middel had moeten toepassen, zoals een meldplicht, maar de rechtbank oordeelde dat gezien het risico op onttrekking aan toezicht en het eerdere terugkeren van eiser naar Nederland, de bewaring noodzakelijk was. De ambtshalve toetsing leverde geen aanwijzingen op dat de maatregel onrechtmatig was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.