Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8379

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
NL26.6852
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 17 Dublinverordening (EU) nr. 604/2013Art. 18 Dublinverordening (EU) nr. 604/2013Art. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Frankrijk

Eiser, een Nigeriaanse asielzoeker, diende op 16 december 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Uit Eurodac-gegevens bleek dat hij op 17 april 2023 al een verzoek om internationale bescherming in Frankrijk had ingediend. Nederland verzocht Frankrijk om terugname, wat werd aanvaard.

De minister van Asiel en Migratie nam de asielaanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat Frankrijk verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Eiser stelde dat Nederland de aanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich had moeten trekken vanwege bijzondere omstandigheden en onevenredige hardheid.

De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen nakomt, inclusief medische zorg. Eiser had onvoldoende onderbouwd dat hij psychische klachten heeft of dat overdracht aan Frankrijk tot een onevenredige hardheid leidt. De enkele stelling dat hij rust heeft gevonden in Nederland en veel heeft meegemaakt, volstaat niet.

Daarom is het beroep ongegrond verklaard en blijft het besluit in stand. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter S.N. Abdoelkadir op 26 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6852

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H.E. Visscher),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).

Procesverloop

Met het besluit van 6 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.6853), op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.
Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1991. Eiser heeft op 16 december 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
1.2.
Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 17 april 2023 in Frankrijk een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op 19 januari 2026 heeft Nederland aan Frankrijk verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Frankrijk heeft dit terugnameverzoek op 30 januari 2026 op die grondslag aanvaard.
Totstandkoming van het besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Frankrijk een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
De beroepsgronden van eiser
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder zijn asielaanvraag op grond van 17 van de Dublinverordening aan zich had moeten trekken. Eiser voert hiertoe aan dat hij veel heeft meegemaakt, dat dit diepe sporen op hem heeft achtergelaten en dat hij eindelijk rust heeft gevonden in Nederland. Eiser heeft in Frankrijk niemand op wie hij kan leunen. Overdracht aan Frankrijk getuigt dan ook van onevenredige hardheid.
De beoordeling van de beroepsgronden
4. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire (Vc) trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. In paragraaf C2/5 van de Vc staat verder dat verweerder terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, als Nederland daartoe op grond van de Dublinverordening niet verplicht is.
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. [1] Dit betekent dat er vanuit mag worden gegaan dat Frankrijk bij de behandeling van asielzoekers zijn internationale verplichtingen zal nakomen. Ook betekent dit dat verweerder er van mag uitgaan dat Frankrijk dezelfde medische verzorgingsmogelijkheden heeft als Nederland. De door eiser aangevoerde persoonlijke omstandigheden kunnen daarom op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser aan Frankrijk van een onevenredige hardheid getuigt. Dat zou bijvoorbeeld anders kunnen zijn als eiser aannemelijk maakt dat hij al eerder slecht behandeld is in Frankrijk, dat hij psychische klachten heeft en dat die klachten zullen verergeren bij overdracht. Daarvan is in dit geval echter niet gebleken. Zo wijst verweerder er terecht op dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij met mentale problemen kampt of dat de eventueel benodigde (psychologische) steun niet aanwezig is in Frankrijk. De enkele stelling dat eiser veel heeft meegemaakt, dat dit diepe sporen op hem heeft achtergelaten en dat hij in Nederland rust ervaart is daartoe onvoldoende. Ook heeft eiser niet gesteld, dan wel aannemelijk gemaakt dat het om medische redenen noodzakelijk of aangewezen is dat hij voor zijn klachten in Nederland wordt onderzocht of behandeld.
4.2.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder geen grond hoeven zien om de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vc. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

5. De beroepsgrond slaagt niet. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld ook de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 augustus 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3724) en van 31 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3623).