ECLI:NL:RBDHA:2026:829
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vervolgberoep vreemdelingenbewaring met betrekking tot zicht op uitzetting en voortvarend handelen
In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in een vervolgberoep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring van eiser, die de Marokkaanse nationaliteit heeft. Eiser is op 21 november 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft bepaald dat een zitting niet nodig was en het onderzoek op 15 januari 2026 gesloten.
Eiser stelt dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn, omdat er geen inhoudelijke reactie is ontvangen op de aanvraag voor een laissez-passer (lp) bij de Marokkaanse autoriteiten. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat er in het algemeen zicht op uitzetting naar Marokko bestaat en dat het enkele tijdsverloop sinds de aanvraag niet voldoende is om te concluderen dat dit in het geval van eiser anders is. De rechtbank heeft ook overwogen dat de acties van verweerder, zoals het versturen van rappels en het voeren van vertrekgesprekken, voldoende voortvarend zijn.
Eiser heeft verder aangevoerd dat zijn belang bij invrijheidsstelling zwaarder weegt dan het belang van de staat bij voortduring van de bewaring. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die een andere beslissing rechtvaardigen dan in de eerdere uitspraak van 9 december 2025. Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.