De zaak betreft een geschil over het rechtmatig verblijf van verzoeker als gemeenschapsonderdaan in Nederland. De minister van Asiel en Migratie heeft op 28 maart 2025 vastgesteld dat verzoeker geen rechtmatig verblijf heeft sinds zijn hervestiging. Dit besluit is op 4 september 2025 bevestigd na bezwaar.
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen dit besluit en tegelijkertijd een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend om het besluit tijdelijk te schorsen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek op 2 maart 2026 behandeld, waarbij ook de gemachtigde van de minister aanwezig was.
Op 8 april 2026 heeft de rechtbank uitspraak gedaan in de hoofdzaak (zaaknummer NL25.48049). Gezien deze uitspraak is een voorlopige voorziening niet meer noodzakelijk. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.