Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 19 november 2025 is afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker stelde beroep in en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met een gerelateerde zaak op 2 maart 2026, waarbij zowel verzoeker, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister aanwezig waren. Op de datum van deze uitspraak heeft de rechtbank in de hoofdzaak uitspraak gedaan, waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is.
Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.