6.3.Het oordeel van de rechtbank
Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier Opiumwetfeiten door het aanwezig hebben van cocaïne en heroïne. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen zeer verslavend en schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Daarnaast heeft drugsgebruik negatieve uitwerkingen op de samenleving omdat het leidt tot overlast. Ook houdt drugsgebruik criminele organisaties in stand, die zich naast drugshandel vaak bezighouden met andere vormen van (zware) criminaliteit. De verdachte heeft, door het plegen van de bewezen verklaarde strafbare feiten, hieraan herhaaldelijk bijgedragen en voor overlast gezorgd. Tevens heeft de verdachte een gebiedsverbod overtreden. Het gebiedsverbod heeft de verdachte opgelegd gekregen om schade en overlast zoveel mogelijk te beperken. Door het verbod te negeren, heeft de verdachte opnieuw overlast veroorzaakt. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 12 maart 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar vele malen voor (soortgelijke) strafbare feiten is veroordeeld.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 5 maart 2026. Uit het rapport volgt dat het plegen van strafbare feiten door de verdachte te maken heeft met verslavingsproblemen en met psychische problemen en dat er andere problemen zijn, namelijk op het gebied van zijn inkomen, huisvestding, dagbesteding, sociaal netwerk en zijn houding. De reclassering schat het risico op recidive en geweld
en het onttrekken aan voorwaarden hoog in en acht een toezicht in een voorwaardelijk kader niet toereikend. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Ter terechtzitting is mw. [naam] , eveneens reclasseringsmedewerker, als getuige-deskundige gehoord. Zij heeft daar de belangrijkste bevindingen uit het advies toegelicht.
De op te leggen ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat aan de voorwaarden voor het opleggen van de ISD-maatregel wordt voldaan.
De feiten waarvoor de verdachte wordt veroordeeld onder dagvaarding I, II (feit 2), III, IV en V zijn misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.
Uit het strafblad blijkt dat de verdachte in de vijf jaren voordat hij deze feiten pleegde, ten minste drie keer voor een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf, dan wel bij onherroepelijke strafbeschikking een taakstraf is opgelegd. De feiten waarvoor de verdachte nu wordt veroordeeld, heeft hij gepleegd nadat deze straffen ten uitvoer zijn gelegd.
De verdachte valt onder de definitie van stelselmatige dader uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers, nu over een periode van vijf jaren processen-verbaal voor meer dan tien misdrijffeiten tegen hem zijn opgemaakt, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit.
Verder beschikt de rechtbank, zoals hiervoor omschreven, over een advies van de reclassering over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de ISD-maatregel voor de verdachte. Hoewel de verdachte niet hieraan heeft willen meewerken, bevat het advies (samen met de toelichting ter terechtzitting door de deskundige) voldoende informatie om te beslissen over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de maatregel.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen. Omdat de verdachte steeds weer overlast veroorzaakt, gaat nu het belang van de samenleving voor. Daarom is het voor de veiligheid van personen en goederen nodig om de ISD-maatregel op te leggen. Daarnaast kan de ISD-maatregel een bijdrage leveren aan het oplossen van de problematiek van de verdachte en om herhaling van delictgedrag na afloop van de ISD-maatregel te voorkomen. Het voorstel van de raadsvrouw om de verdachte middels zijn zorgmachtiging te laten behandelen, acht de rechtbank ontoereikend. Alle bewezen verklaarde feiten zijn immers gepleegd tijdens de lopende zorgmachtiging. De zorgmachtiging heeft de verdachte er dus niet van weerhouden strafbare feiten te plegen.
Vooral ter optimale bescherming van de maatschappij, maar ook om het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven, is het belangrijk voldoende tijd te nemen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaren en de tijd die de verdachte vóór tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft gezeten niet aftrekken van de duur van die maatregel.
De rechtbank ziet geen aanleiding te bepalen dat bij voorbaat een tussentijdse beoordeling zal plaatsvinden om te kijken of voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel noodzakelijk is. De raadsvrouw of de verdachte hebben de mogelijkheid om deze beoordeling zelf te zijner tijd aan te vragen.