Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8236

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
09-346456-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 38m SrArt. 38n SrArt. 57 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor meerdere Opiumwetfeiten en overtreden gebiedsverbod met ISD-maatregel

De rechtbank Den Haag heeft op 8 april 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van meerdere feiten in strijd met de Opiumwet en het niet naleven van een gebiedsverbod. Na inhoudelijke behandeling op 25 maart 2026 heeft de rechtbank vastgesteld dat vier Opiumwetfeiten en het overtreden van een gebiedsverbod wettig en overtuigend bewezen zijn, terwijl één feit van handelen in harddrugs niet bewezen kon worden en vrijspraak volgde.

De bewijsvoering bestond uit waarnemingen van verbalisanten, telefoongesprekken, en eerdere politie-informatie. De verdediging voerde onder meer vormverzuim aan wegens onrechtmatige aanhouding, maar de rechtbank oordeelde per feit dat de aanhoudingen rechtmatig waren en verwierp dit verweer. De verdachte had meerdere keren drugs aanwezig gehad en het gebiedsverbod overtreden, wat de rechtbank ernstig nam.

De rechtbank legde een onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) op voor de maximale duur van twee jaar, mede gelet op het strafblad, het reclasseringsadvies en de ernst van de feiten. De rechtbank wees de vorderingen tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijke straffen af vanwege de ISD-maatregel. Tevens werd een inbeslaggenomen geldbedrag teruggegeven aan de verdachte vanwege vrijspraak op dat feit.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld voor vier Opiumwetfeiten en overtreden gebiedsverbod, met oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/346456-25 (ttz. gev), 09/325605-25 (ttz. gev), 09/344181-25 (ttz. gev), 09/275109-25 (ttz. gev), 09/000481-26 (ttz. gev), 09/096435-25 (tul) en 09/220575-25 (tul)
Datum uitspraak: 8 april 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] ( [land] ),
BRP-adres: [adres] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 25 maart 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Schiphuis en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. B. Ivanov-Petkova naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen met parketnummers 09/346456-25 (hierna: dagvaarding I), 09/325605-25 (hierna: dagvaarding II), 09/344181-25 (hierna: dagvaarding III), 09/275109-25 (hierna: dagvaarding IV) en 09/000481-26 (hierna: dagvaarding V). De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van dagvaarding I en IV gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van dagvaarding II (feit 1 en 2), III en V heeft de raadsvrouw verzocht om de verdachte vrij te spreken.
3.3.
Vrijspraak
De rechtbank is met betrekking tot het onder 1 op dagvaarding II ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen. Het procesdossier bevat onvoldoende aanwijzingen dat de verdachte heeft gehandeld in harddrugs. Uit het enkele feit dat de verdachte is gezien met een vermoedelijke drugsgebruikster, die later de vriendin van de verdachte bleek te zijn, waarbij hij iets aan haar overhandigde kan niet de conclusie worden getrokken dat de verdachte handelde in harddrugs. De rechtbank spreekt de verdachte vrij voor dit feit.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage II de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
3.5.
Bewijsoverwegingen
Vormverzuim ex artikel 359a Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), verweer strekkende tot bewijsuitsluiting
Door de raadsvrouw is ten aanzien van dagvaarding II (feit 2), III en V aangevoerd dat sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. Zij heeft daartoe bepleit dat de verdachte onrechtmatig is aangehouden omdat op dat moment geen redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit bestond. Het vormverzuim dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs dat na de aanhouding is vergaard, aldus de raadsvrouw.
Of sprake is van een redelijk vermoeden van schuld, hangt sterk af van de feiten en omstandigheden van het geval. De rechtbank zal per feit beoordelen of de aanhouding rechtmatig is geweest.
Dagvaarding II:ten aanzien van feit 2:
In het proces-verbaal is beschreven dat een verbalisant aan het werk was bij een actie tegen drugsoverlast, en daarbij een gesprek opving van een vermoedelijke drugsgebruikster, waarvan later is gebleken dat het de vriendin van verdachte is. Zij zei aan de telefoon: “Ik heb mijn kankercrack nodig. Waar ben jij.” Niet veel later zagen verbalisanten dat deze vrouw contact maakte met de verdachte, en dat hij, na een kort fietsritje met haar achterop, iets aan haar overhandigde. Deze bevindingen zijn via onderlinge communicatie aan een andere verbalisant doorgegeven. Deze verbalisant was ambtshalve bekend met de verdachte en wist dat hij zich veelvuldig bezig houdt met het verhandelen van drugs. Deze feiten en omstandigheden leiden volgens de rechtbank tot een gerechtvaardigd vermoeden van schuld aan een strafbaar feit.
Dagvaarding III:
Uit het proces-verbaal blijkt dat een verbalisant in het Oude Centrum van Den Haag een voor hem bekende drugsgebruiker en -handelaar zag staan. Op deze locatie is al geruime tijd sprake van drugsoverlast. De verbalisant was bekend met de verdachte op basis van wat in de politieadministratie over hem terug te vinden is en op basis van zijn eigen ervaringen. In het proces-verbaal wordt beschreven dat de verdachte dicht tegenover een man stond. Deze man was volledig in het zwart gekleed met capuchon op. De verdachte overhandigde iets aan deze onbekende man. Op de aanwijzing dat de verdachte moest blijven staan, rende de verdachte weg. Op grond van deze feiten en omstandigheden kon de verbalisant gerechtvaardigd tot een redelijk vermoeden van schuld komen.
Dagvaarding V:
Uit het proces-verbaal blijkt dat een verbalisant onopvallend gekleed aan het werk was in het Oude Centrum van Den Haag. Deze locatie is een speciaal aandachtsgebied vanwege aanhoudende meldingen van diverse vormen van drugsgerelateerde overlast. In het proces-verbaal is beschreven dat de verbalisant een telefoongesprek van een voor hem bekende harddrugsgebruiker hoorde. Aan de telefoon vroeg deze man: “Waar ben jij? Vertel me waar je bent, dan kom ik naar je toe”. De verbalisant nam waar dat deze persoon stond te trillen en luidruchtig en opvallend aanwezig was, waardoor hij het idee kreeg dat de man contact had met een koper. Deze man trof een andere man en er werd iets tussen hen overhandigd. De andere man bleek later de verdachte te zijn. De verbalisant die hem controleerde, zag dat de verdachte meerdere antecedenten had met betrekking tot de Opiumwet. Op basis van deze feiten en omstandigheden, was er sprake van ernstige bezwaren tegen de verdachte en was de verbalisant bevoegd om op basis van de Opiumwet een fouillering uit te voeren. Bij deze fouillering is drugs aangetroffen. Naar aanleiding van het aantreffen van de drugs, was er sprake van een redelijk vermoeden van schuld en mocht de verdachte worden aangehouden.
Conclusie
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat bij geen van de feiten sprake is van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv. De rechtbank verwerpt dan ook dit verweer en komt ten aanzien van de feiten tot een bewezenverklaring.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder dagvaarding I, II (feit 2), III, IV en V ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding I
hij op 18 december 2025 te 's-Gravenhage al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten 7,1 gram cocaïne en 0,3 gram heroïne aanwezig heeft gehad;
Dagvaarding II2
hij op 10 oktober 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 10,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en ongeveer 3,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en heroïne(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Dagvaarding III
hij op 30 oktober 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2,0 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en ongeveer 2,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Dagvaarding IV
hij op 18 juli 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk [kenmerk] krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a Gemeentewet, gedaan door de burgemeester van gemeente Den Haag, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek Pro van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen 11 juni 09.00 uur tot en met 11 september 2025 zich niet mocht bevinden in/op de volgende straten:
- Vaillantlaan
- Houtzagerssingel
- Om en Bij
- Hooftskade
- Groenewegje
- Zieken
- Rijswijkseplein
- Van Maanenkade
- Bontekoekade
- Swammerdamstraat
- Goudriaankade
- Rijswijkseweg
- Waldorpstraat,
door, zich op voornoemde datum om 18 juli 2025 in/op, althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden;
Dagvaarding V
hij op 13 oktober 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad, 5,8 gram cocaïne en 0,1 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De oplegging van de maatregel

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar zal worden opgelegd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank primair verzocht om een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen met bijzondere voorwaarden. Subsidiair heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht om, mocht de rechtbank wel een onvoorwaardelijke ISD-maatregel opleggen, te bepalen dat na één jaar een tussentijdse toetsing van de noodzaak tot voortzetting van de ISD-maatregel plaats dient te vinden. Tevens verzoekt de raadsvrouw in dat geval het reeds ondergane voorarrest in mindering te brengen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier Opiumwetfeiten door het aanwezig hebben van cocaïne en heroïne. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen zeer verslavend en schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Daarnaast heeft drugsgebruik negatieve uitwerkingen op de samenleving omdat het leidt tot overlast. Ook houdt drugsgebruik criminele organisaties in stand, die zich naast drugshandel vaak bezighouden met andere vormen van (zware) criminaliteit. De verdachte heeft, door het plegen van de bewezen verklaarde strafbare feiten, hieraan herhaaldelijk bijgedragen en voor overlast gezorgd. Tevens heeft de verdachte een gebiedsverbod overtreden. Het gebiedsverbod heeft de verdachte opgelegd gekregen om schade en overlast zoveel mogelijk te beperken. Door het verbod te negeren, heeft de verdachte opnieuw overlast veroorzaakt. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 12 maart 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar vele malen voor (soortgelijke) strafbare feiten is veroordeeld.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 5 maart 2026. Uit het rapport volgt dat het plegen van strafbare feiten door de verdachte te maken heeft met verslavingsproblemen en met psychische problemen en dat er andere problemen zijn, namelijk op het gebied van zijn inkomen, huisvestding, dagbesteding, sociaal netwerk en zijn houding. De reclassering schat het risico op recidive en geweld
en het onttrekken aan voorwaarden hoog in en acht een toezicht in een voorwaardelijk kader niet toereikend. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Ter terechtzitting is mw. [naam] , eveneens reclasseringsmedewerker, als getuige-deskundige gehoord. Zij heeft daar de belangrijkste bevindingen uit het advies toegelicht.
De op te leggen ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat aan de voorwaarden voor het opleggen van de ISD-maatregel wordt voldaan.
De feiten waarvoor de verdachte wordt veroordeeld onder dagvaarding I, II (feit 2), III, IV en V zijn misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.
Uit het strafblad blijkt dat de verdachte in de vijf jaren voordat hij deze feiten pleegde, ten minste drie keer voor een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf, dan wel bij onherroepelijke strafbeschikking een taakstraf is opgelegd. De feiten waarvoor de verdachte nu wordt veroordeeld, heeft hij gepleegd nadat deze straffen ten uitvoer zijn gelegd.
De verdachte valt onder de definitie van stelselmatige dader uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers, nu over een periode van vijf jaren processen-verbaal voor meer dan tien misdrijffeiten tegen hem zijn opgemaakt, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit.
Verder beschikt de rechtbank, zoals hiervoor omschreven, over een advies van de reclassering over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de ISD-maatregel voor de verdachte. Hoewel de verdachte niet hieraan heeft willen meewerken, bevat het advies (samen met de toelichting ter terechtzitting door de deskundige) voldoende informatie om te beslissen over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de maatregel.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen. Omdat de verdachte steeds weer overlast veroorzaakt, gaat nu het belang van de samenleving voor. Daarom is het voor de veiligheid van personen en goederen nodig om de ISD-maatregel op te leggen. Daarnaast kan de ISD-maatregel een bijdrage leveren aan het oplossen van de problematiek van de verdachte en om herhaling van delictgedrag na afloop van de ISD-maatregel te voorkomen. Het voorstel van de raadsvrouw om de verdachte middels zijn zorgmachtiging te laten behandelen, acht de rechtbank ontoereikend. Alle bewezen verklaarde feiten zijn immers gepleegd tijdens de lopende zorgmachtiging. De zorgmachtiging heeft de verdachte er dus niet van weerhouden strafbare feiten te plegen.
Vooral ter optimale bescherming van de maatschappij, maar ook om het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven, is het belangrijk voldoende tijd te nemen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaren en de tijd die de verdachte vóór tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft gezeten niet aftrekken van de duur van die maatregel.
De rechtbank ziet geen aanleiding te bepalen dat bij voorbaat een tussentijdse beoordeling zal plaatsvinden om te kijken of voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel noodzakelijk is. De raadsvrouw of de verdachte hebben de mogelijkheid om deze beoordeling zelf te zijner tijd aan te vragen.

7.De inbeslaggenomen voorwerpen

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage II aan dit vonnis is gehecht) onder 1 genoemde voorwerp zal worden verbeurdverklaard, omdat met dit voorwerp het strafbare feit is gepleegd.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gelet op de bepleite vrijspraak de rechtbank verzocht om het inbeslaggenomen voorwerp terug te geven aan de rechthebbende.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
Dagvaarding II, ten aanzien van feit 1:
Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan [verdachte] gelasten van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp. Het voorwerp is immers verbonden aan feit 1 van dagvaarding II, en de verdachte wordt voor dit feit vrijgesproken.

8.De vordering tot tenuitvoerlegging

8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 3 februari 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 09/096435-25 voorwaardelijke opgelegde straf van 55 dagen gevangenisstraf van de politierechter Den Haag van 16 april 2025, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 3 februari 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 09/220575-25 voorwaardelijke opgelegde straf van 3 weken gevangenisstraf van de PR Den Haag van 5 augustus 2025, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om beide vorderingen af te wijzen, aangezien zij onvoldoende verband houden met de feiten waarvoor de verdachte op zitting staat. Tevens is het niet wenselijk dat, indien de rechtbank de gevorderde ISD-maatregel toewijst, de verdachte eerst nog een aantal straffen moet uitzitten alvorens hij aan het traject begint.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
Dagvaarding I
TUL 09/096435-25 en TUL 09/220575-25
De rechtbank ziet dat er gronden zijn voor de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraffen waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 16 april 2025 en van 5 augustus 2025. Uit het onderzoek ter terechtzitting is immers gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarden niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd die bij voormelde uitspraken waren opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank acht toewijzing van deze vorderingen echter niet opportuun vanwege het feit dat zij aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel zal opleggen.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel zijn gegrond op de artikelen:
38m, 38n, 57, 63 en 184 van het Wetboek van Strafrecht;
2 en 10 van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder dagvaarding II feit 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder dagvaarding I, dagvaarding II feit 2, dagvaarding III, dagvaarding IV en dagvaarding V ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
dagvaarding I
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
dagvaarding II:ten aanzien van feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
dagvaarding III
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
dagvaarding IV
opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast;
dagvaarding V
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
legt de verdachte op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van
2 (TWEE) JAREN;
de inbeslaggenomen goederen
Dagvaarding II:ten aanzien van feit 1:
gelast de teruggave aan [verdachte] van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: Geld 204,90 (EUR) - Omschrijving: PL1500-2025343966-G3400192;
de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf
Dagvaarding I:
wijst af de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 16 april 2025, gewezen onder parketnummer 09/096435-25;
wijst af de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 5 augustus 2025, gewezen onder parketnummer 09/220575-25.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.R. Aaron, voorzitter,
mr. C.W. de Wit, rechter,
mr. J. Herfkens, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. V.J.J. van Mierlo, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 april 2026.
Bijlage I
Tekst tenlasteleggingen
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen met parketnummers 09/346456-25 (hierna: dagvaarding I), 09/325605-25 (hierna: dagvaarding II), 09/344181-25 (hierna: dagvaarding III), 09/275109-25 (hierna: dagvaarding IV) en 09/000481-26 (hierna: dagvaarding V).
Dagvaarding I
hij op of omstreeks 18 december 2025 te 's-Gravenhage al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten 7,1 gram cocaïne en/of 0,3 gram heroïne aanwezig heeft gehad;
Dagvaarding II
1
hij op of omstreeks 10 oktober 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 10,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 3,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op of omstreeks 10 oktober 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 10,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 3,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Dagvaarding III
hij op of omstreeks 30 oktober 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2,0 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroine en/of ongeveer 2,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde heroine en/of cocaine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Dagvaarding IV
hij op of omstreeks 18 juli 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk [kenmerk] krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a Gemeentewet, gedaan door of namens de burgemeester van gemeente Den Haag, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek Pro van Strafrecht,
eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen 11 juni 09.00 uur tot en met 11 september 2025 zich niet mocht bevinden in/op de volgende straten:
- Vaillantlaan
- Houtzagerssingel
- Om en Bij
- Hooftskade
- Groenewegje
- Zieken
- Rijswijkseplein
- Van Maanenkade
- Bontekoekade
- Swammerdamstraat
- Goudriaankade
- Rijswijkseweg
- Waldorpstraat,
door, zich op voornoemde datum om 18 juli 2025 in/op, althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden;
Dagvaarding V
hij op of omstreeks 13 oktober 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad, 5,8 gram cocaïne en/of 0,1 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.