ECLI:NL:RBDHA:2026:8223
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel van bewaring vreemdeling zonder zicht op uitzetting
De minister heeft op 25 november 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft deze maatregel eerder getoetst en verklaarde deze rechtmatig tot 30 december 2025. In het vervolgberoep is beoordeeld of het voortduren van de bewaring gerechtvaardigd is.
Eiser stelde dat er geen kenbare belangenafweging was gemaakt, onvoldoende voortvarendheid in uitzettingsinspanningen bestond, er geen zicht op uitzetting was en dat de minister geen refoulementbeoordeling had gemaakt. De rechtbank oordeelde dat de belangenafweging niet kenbaar hoeft te zijn binnen zes maanden, de minister voldoende inspanningen heeft verricht ondanks het ontbreken van een concrete uitzettingsdatum, en dat het ontbreken van een laissez-passer niet betekent dat er geen zicht op uitzetting is.
Ten aanzien van de refoulementbeoordeling stelde de rechtbank dat deze pas zinvol kan worden gemaakt als identiteit en nationaliteit van de vreemdeling zijn vastgesteld. De minister hoeft geen volledige beoordeling te maken zolang deze gegevens ontbreken, maar moet wel continu toetsen of voortduren van bewaring gerechtvaardigd blijft. De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig is en wees het beroep ongegrond. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.