Art. 9 lid 2 sub a UMVoArt. 6:119 BWArt. 1019h RvArt. 123 lid 1 UMVoArt. 124 UMVo
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Merkinbreuk en auteursrechtinbreuk op ontwerp Ferrari F355 vastgesteld
Ferrari S.P.A. heeft de rechtbank Den Haag verzocht om [gedaagde] te verbieden inbreuk te maken op haar Uniemerken en auteursrechten met betrekking tot de Ferrari F355. Ferrari stelde dat het uiterlijk van de Ferrari F355 auteursrechtelijk beschermd is en dat het Voertuig van [gedaagde] op herkenbare wijze de creatieve elementen van de Ferrari F355 overneemt. Tevens werd merkinbreuk betoogd vanwege het gebruik van Ferrari Merken op het Voertuig en in advertenties.
De rechtbank oordeelde dat [gedaagde] merkinbreuk pleegde door het gebruik van tekens die gelijk zijn aan de Ferrari Merken in het economisch verkeer voor dezelfde waren. Ook werd vastgesteld dat het Voertuig de oorspronkelijke creatieve elementen van de Ferrari F355 op herkenbare wijze overneemt, waardoor sprake is van auteursrechtinbreuk. De vordering tot slaafse nabootsing werd afgewezen wegens onvoldoende belang en overlap met de andere verboden.
De rechtbank legde een verbod op het gebruik van de Ferrari Merken in de gehele Europese Unie en een auteursrechtverbod in Nederland. Tevens werd [gedaagde] veroordeeld tot vernietiging van het Voertuig, het doen van een opgave over de in- en verkoop, en tot vergoeding van de schade die Ferrari heeft geleden, nader op te maken bij staat. De proceskosten werden deels toegewezen tot een maximum van €21.000 aan advocaatkosten plus griffierecht en overige kosten.
De rechtbank wees het meer of anders gevorderde af en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De rechtbank beveelt [gedaagde] merkinbreuk en auteursrechtinbreuk te staken, legt vernietiging van het voertuig op en veroordeelt tot schadevergoeding en proceskosten.
Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
Team handel
zaak- / rolnummer: C/09/683619 / HA ZA 25-328
Vonnis van 8 april 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
FERRARI S.P.A.te Modena, Italië,
eiseres,
hierna te noemen: Ferrari,
advocaat: mr. G.S.P. Vos te Amsterdam,
tegen
[gedaagde] B.V.te [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. R.F. Kötter te Wierden.
1.De procedure
1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 1 april 2025 met producties EP01 tot en met EP06; - de conclusie van antwoord van [gedaagde] van 28 mei 2025 met GP01 tot en met GP04;
- de op 23 oktober 2025 door [gedaagde] ingediende aanvullende productie GP05;
- de op 27 oktober 2025 door Ferrari ingediende aanvullende producties EP07 tot en met EP12;
- het op 27 oktober 2025 door [gedaagde] ingediende proceskostenoverzicht;
- de door beide partijen overgelegde pleitnotities.
1.2.
Op 7 november 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De zaak is vervolgens op verzoek van partijen aangehouden tot 4 februari 2026 in verband met schikkingsonderhandelingen. Ferrari heeft de rechtbank op dinsdag 3 februari 2026 laten weten dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt en vonnis verzocht. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.
2.De feiten
2.1.
Ferrari is een Italiaanse producent en ontwerper van sportauto’s en is houdster van onder meer de volgende merkregistraties (hierna: de Ferrari Merken):
het op 7 november 2000 geregistreerde Uniebeeldmerk
het op 27 november 1998 geregistreerde Uniewoordmerk FERRARI met registratienummer 000448605 voor onder meer waren in klasse 12 (voertuigen);
het op 19 november 1998 geregistreerde Uniebeeldmerk
het op 2 oktober 1998 geregistreerde Uniebeeldmerk
het op 2 oktober 1998 geregistreerde Uniebeeldmerk
2.2.
Ferrari brengt onder meer de hieronder afgebeelde Ferrari F355 op de markt.
2.3.
[gedaagde] is een autohandelaar en -reparateur. Zij heeft een showroom in [vestigingsplaats] en een website onder de domeinnaam [URL] .
2.4.
Ferrari heeft geconstateerd dat [gedaagde] zowel via haar eigen website als via www.marktplaats.nl het hieronder afgebeelde voertuig heeft aangeboden voor € 59.950,- (hierna: het Voertuig). De advertenties en een gedeelte van de omschrijving worden hieronder ter illustratie weergegeven.
2.5.
Bij verzoekschrift van 28 februari 2025 heeft Ferrari de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel verzocht om verlof tot het leggen van conservatoir beslag tot afgifte en vernietiging op het Voertuig en om het Voertuig in gerechtelijke bewaring te nemen. Na daartoe verkregen verlof heeft Ferrari op 6 maart 2025 beslag gelegd op het Voertuig en is het Voertuig in gerechtelijke bewaarneming gegeven.
2.6.
Bij brief van 14 maart 2025 heeft (de advocaat van) Ferrari [gedaagde] onder meer verzocht de inbreuk op haar intellectuele eigendomsrechten te staken. Bij e-mail van 20 maart 2025 heeft (de advocaat van) [gedaagde] de inbreuk betwist, waarna Ferrari onderhavige procedure aanhangig heeft gemaakt.
3.Het geschil
3.1.
Ferrari vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] gebiedt onmiddellijk na betekening van dit vonnis in de gehele Europese Unie te staken en gestaakt te houden, iedere inbreuk op de Ferrari Merken, waaronder begrepen maar niet beperkt tot, ieder gebruik van de Ferrari Merken door het aanbieden en verhandelen van het Voertuig en daarmee overeenstemmende voertuigen waarop de Ferrari Merken zijn aangebracht, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag, een deel van een dag als een hele gerekend, waarop dit bevel wordt overtreden, met een maximum van € 200.000,-, of, zulks ter keuze van Ferrari van een dwangsom van € 150.000,- voor elk product (waarbij elk individueel exemplaar binnen een bepaalde serie als één product geldt) waarmee dit bevel wordt overtreden;
II. [gedaagde] gebiedt onmiddellijk na betekening van dit vonnis in de gehele Europese Unie te staken en gestaakt te houden iedere inbreuk op de auteursrechten van Ferrari op het ontwerp van de Ferrari F355, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-, voor iedere dag, een deel van een dag als een hele gerekend, waarop dit bevel wordt overtreden, met een maximum van € 200.000,-, of, zulks ter keuze van Ferrari, een dwangsom van € 150.000,- voor iedere individuele overtreding van dit bevel;
III. [gedaagde] gebiedt onmiddellijk na betekening van dit vonnis te staken en gestaakt te houden ieder anderszins onrechtmatig handelen door het aanbieden en verhandelen van het Voertuig, dan wel van enig ander product waarvan de vormgeving op verwarringwekkende wijze overeenstemt met de vormgeving van het Voertuig, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag, een deel van een dag als een hele gerekend, waarop dit bevel wordt overtreden, met een maximum van € 200.000,-, of, zulks ter keuze van Ferrari, een dwangsom van € 150.000,- voor iedere individuele overtreding van dit bevel;
IV. [gedaagde] gebiedt aan de advocaten van Ferrari binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis een schriftelijke opgave te hebben doen toekomen, met aanhechting van kopieën van alle ter staving van deze opgave relevante bescheiden met betrekking tot de aankoop en verkoop van het Voertuig, van:
i. het totale aantal exemplaren van het Voertuig dat [gedaagde] , of enige (rechts)persoon die bij haar is aangesloten, heeft gekocht en/of verkocht en/of nog op voorraad heeft;
ii. de volledige naam/namen van alle (rechts)personen die betrokken zijn bij de inkoop, verkoop en/of het in de handel brengen van het Voertuig, met inbegrip van de volledige naam/namen van alle professionele (rechts)personen aan wie [gedaagde] het Voertuig met het oog op wederverkoop heeft geleverd, waarbij voor elke betrokken (rechts)persoon moet worden aangegeven hoeveel exemplaren zijn geleverd;
V. de vernietiging gelast van het Voertuig, inclusief alle bijbehorende documentatie en toegangssleutels, waarbij de advocaten van Ferrari worden gemachtigd deze vernietiging te laten uitvoeren, in aanwezigheid van een deurwaarder die na voltooiing van deze vernietiging een proces-verbaal opstelt en deze onmiddellijk na voltooiing zal toesturen aan de advocaten van Ferrari, waarbij de kosten van de vernietiging en aanwezigheid van de deurwaarder ten laste komen van [gedaagde] ;
VI. Ferrari toestaat beeldmateriaal te (laten) maken van de onder V bevolen vernietiging, en Ferrari toestaat dat beeldmateriaal zonder beperking wereldwijd te gebruiken, zo nodig na anonimiseren om identificatie te voorkomen van derden die geen partij zijn bij deze procedure;
VII. [gedaagde] veroordeelt tot vergoeding van de volledige schade die Ferrari heeft geleden als gevolg van de inbreuk op haar rechten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BWPro [1] vanaf het moment dat de schade is geleden tot aan de dag van de algehele voldoening, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
VIII. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten overeenkomstig artikel 1019h Rv [2] , te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
Ferrari legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat het uiterlijk van de Ferrari F355 auteursrechtelijk beschermd is en dat in het Voertuig alle kenmerkende elementen van de Ferrari F355 zijn overgenomen. De totaalindrukken van de Ferrari F355 en het Voertuig zijn nagenoeg identiek, zodat sprake is van auteursrechtinbreuk. Daarnaast heeft het uiterlijk van de Ferrari F355 een duidelijke eigen onderscheidende positie op de Nederlandse markt, waardoor op concurrenten de verplichting rust om zoveel mogelijk afstand te nemen van dat ontwerp voor zover dat geen afbreuk doet aan de deugdelijkheid en bruikbaarheid van het concurrerende ontwerp. Bij de vormgeving van het Voertuig zijn geen andere keuzes gemaakt, ondanks dat dit redelijkerwijs wel mogelijk was, zonder afbreuk te doen aan de deugdelijkheid en bruikbaarheid van dat voertuig. Daarom is het Voertuig een onrechtmatige slaafse nabootsing van de Ferrari F355. Tot slot heeft [gedaagde] zonder toestemming van Ferrari zowel in haar advertenties als op onderdelen van het Voertuig (op het stuur, de stoelen en de versnellingspook) tekens gebruikt die identiek zijn aan of overeenstemmen met de Ferrari Merken. Daarom is sprake van merkinbreuk in de zin van artikel 9 lid 2 subPro a, b en/of c UMVo [3] .
3.3.
[gedaagde] voert verweer dat strekt tot niet-ontvankelijkverklaring dan wel afwijzing van de vorderingen van Ferrari met veroordeling van Ferrari in de proceskosten op grond van artikel 1019h Rv.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4.De beoordeling
Bevoegdheid
4.1.
Voor zover de vorderingen van Ferrari zijn gegrond op (inbreuk op) haar Uniemerken, is de rechtbank op grond van de artikelen 123 lid 1, 124 aanhef en onder a en 125 lid 1 van de UMVo in verbinding met artikel 3 vanPro de Uitvoeringswet EG-Verordening inzake het Gemeenschapsmerk bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van Ferrari met deze grondslag, omdat [gedaagde] is gevestigd in Nederland. Deze bevoegdheid strekt zich uit tot het grondgebied van de gehele Europese Unie.
4.2.
Voor zover de vorderingen van Ferrari zijn gegrond op slaafse nabootsing en auteursrecht, is de rechtbank op grond van de artikelen 6 sub e en 102 Rv (internationaal en relatief) bevoegd om van die vorderingen kennis te nemen, nu de gestelde inbreuk in Nederland heeft plaatsgevonden. Deze bevoegdheid is beperkt tot het grondgebied van Nederland.
Merkinbreuk
4.3.
Op grond van artikel 9 lid 2 sub a UMVoPro is de houder van een ingeschreven Uniemerk gerechtigd iedere derde die niet zijn toestemming hiertoe heeft verkregen, te verhinderen gebruik te maken van een teken wanneer dit teken gelijk is aan het Uniemerk en in het economisch verkeer gebruikt wordt voor dezelfde waren of diensten als die waarvoor het Uniemerk is ingeschreven.
4.4.
De stelling dat [gedaagde] op het Voertuig en in haar advertenties gebruik maakt van tekens die gelijk zijn aan de Ferrari Merken wordt door [gedaagde] niet betwist. De tekens worden, zo is niet in geschil, in het economisch verkeer gebruikt voor dezelfde waren (voertuigen) als die waarvoor de Ferrari Merken zijn ingeschreven. Daarmee maakt [gedaagde] merkinbreuk in de zin van artikel 9 lid 2 sub a UMVoPro. De omstandigheid dat [gedaagde] heeft aangeboden de Ferrari Merken van het Voertuig te verwijderen maakt dat niet anders. Het verwijderen van de tekens van het Voertuig neemt de schade die Ferrari heeft geleden doordat de tekens reeds in het economisch verkeer zijn gebruikt immers niet weg. Daarbij heeft [gedaagde] niet toegezegd in de toekomst geen tekens meer te zullen gebruiken die gelijk zijn aan of overeenstemmen met de Ferrari Merken, zodat nog altijd sprake is van een dreiging van merkinbreuk, op grond waarvan Ferrari recht heeft op een aan [gedaagde] op te leggen verbod.
4.5.
De slotsom luidt dat [gedaagde] met het aanbieden van het Voertuig inbreuk heeft gemaakt op de Ferrari Merken. De rechtbank zal daarom het onder I gevorderde inbreukverbod toewijzen. Nu de rechtbank van oordeel is dat sprake is van merkinbreuk ‘sub a’, behoeven de overige door Ferrari aangevoerde grondslagen (merkinbreuk ‘sub b’ respectievelijk ‘sub c’) geen bespreking.
Auteursrechtinbreuk
4.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat de Ferrari F355 een auteursrechtelijk beschermd werk is en dat Ferrari rechthebbende op de auteursrechten is. [gedaagde] betwist echter dat het Voertuig inbreuk maakt op de auteursrechten op de Ferrari F355.
4.7.
Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van inbreuk op een auteursrecht, dient te worden vastgesteld of ten minste oorspronkelijke creatieve elementen van het beschermde werk zonder toestemming zijn gebruikt en, ten tweede, te bepalen of deze elementen, dat wil zeggen elementen die uitdrukking geven aan de keuzen die de persoonlijkheid van de auteur van dat werk weerspiegelen, op herkenbare wijze zijn overgenomen in het beweerdelijk inbreukmakende voorwerp. [4] Het feit dat dezelfde algemene visuele indruk wordt gewekt door de twee conflicterende voorwerpen en de mate van oorspronkelijkheid van het betrokken werk zijn daarbij irrelevant. [5]
4.8.
Voor de beoordeling van de vraag of in het Voertuig oorspronkelijke creatieve elementen van de Ferrari F355 zonder toestemming van Ferrari zijn gebruikt – en of die elementen op herkenbare wijze zijn overgenomen – moet een vergelijking worden gemaakt van deze producten zoals deze op de markt zijn gebracht. Dit levert het volgende beeld op (waarbij de rechtbank gebruik heeft gemaakt van de afbeeldingen zoals zijn opgenomen in EP2.08):
Ferrari F355
Het Voertuig
4.9.
Ferrari stelt dat het uiterlijk van de Ferrari F355 een auteursrechtelijk beschermd werk is waarvan de totaalindruk wordt bepaald door (de combinatie van) de volgende auteursrechtelijke trekken: 1) een lange, brede en omhooggerichte voorzijde, 2) die is voortgezet met een naar achter gerichte cockpit, 3) waarbij het lijnenspel achter de cockpit doorloopt naar de achterzijde in twee “zijsteunen” aan de flanken van het voertuig, waartussen 4) luchtinlaten zijn geplaatst in beide zijkanten van het voertuig (één over de horizontale breedte van elke zijdeur en één onder elke zijdeur). Tot slot 5) bevat het lijnenspel een opvallende horizontale bodyline rondom het gehele voertuig.
4.10.
Ten aanzien van de beschermingsomvang stelt Ferrari dat het ontwerp van de Ferrari F355 vanwege haar iconische status en het baanbrekende ontwerp een ruime beschermingsomvang toekomt.
4.11.
Ferrari voert in het kader van de auteursrechtinbreuk aan dat de totaalindrukken van het uiterlijk van de Ferrari F355 en het uiterlijk van het Voertuig sterk overeenstemmen, doordat in het Voertuig (de combinatie van) voormelde auteursrechtelijke trekken aanwezig zijn.
4.12.
[gedaagde] betwist dat sprake is van dezelfde totaalindrukken en stelt dat het Voertuig van de Ferrari F355 verschilt op met name de volgende punten:
- de vormgeving en afmeting van de motorkappen (GP01, kenmerk 1);
- de positie, vormgeving, het aantal lenzen en de kleur van de koplampen (GP01, kenmerk 2);
- de lengte en breedte van het front, de vormgeving van de buitenspiegels en de zichtbaarheid van de deurhendels (GP01, kenmerk 3);
- de breedte en het materiaal van de grille (GP01, kenmerk 2);
- de daklijn en de afmetingen en verhoudingen van de auto’s als geheel en van de zijkanten, deuren, zijruiten, voor- en achterschermen en wielkuipen (GP01, kenmerk 4);
- de beugel, het systeem, de kleur, de afmeting en het materiaal van het dak, en daarnaast verschillen in het ventilatierooster in de binnenkant van de deur (GP01, kenmerk 5);
- de band onder de grille aan de voorzijde voor de kentekenplaat (GP01, kenmerk 2);
- het materiaal en design van het interieur van de voertuigen (bekleding, stuur, dashboard en deurpanelen) (GP01, kenmerk 6);
- de motor van beide voertuigen (GP01, kenmerk 7);
- het achterdeksel en (het materiaal van) de achterlichten (GP01, kenmerk 8);
- het geluid en toerental van de voertuigen;
- de afwerking van de voertuigen;
- de velgen van de voertuigen (GP01, kenmerk 8).
4.13.
De rechtbank is van oordeel dat de oorspronkelijke creatieve elementen – dat wil zeggen elementen die uitdrukking geven aan de keuzen die de persoonlijkheid van de auteur van dat werk weerspiegelen – van de Ferrari F355 bestaan uit (de combinatie van) de in rechtsoverweging 4.9 genoemde auteursrechtelijke trekken en dat die elementen in het Voertuig op herkenbare wijze zijn overgenomen. De door [gedaagde] genoemde verschillen doen hier niet aan af. Waar het gaat om het uiterlijk van de Ferrari F355 en het Voertuig zijn de hiervoor in rechtsoverweging 4.12, onder gedachtestreepje 9 en 11, genoemde verschillen niet relevant, omdat die niet de externe vormgeving betreffen. De overige verschillen doen, voor zover al niet op zichzelf verwaarloosbaar, niet af aan het oordeel dat in het Voertuig de oorspronkelijke creatieve elementen van de Ferrari F355 op herkenbare wijze zijn overgenomen.
4.14.
Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de vormgeving van (de buitenkant van) het Voertuig inbreuk maakt op de auteursrechten van Ferrari met betrekking tot de Ferrari F355 en het gevorderde bevel om die inbreuk te staken toewijsbaar is.
Slaafse nabootsing
4.15.
Het voorgaande betekent dat de onder I en II gevorderde verboden zullen worden toegewezen, waarbij het merkenrechtelijke verbod geldt voor de gehele Europese Unie. Bij die stand van zaken valt zonder nadere toelichting, die door Ferrari niet is gegeven, niet in te zien welk belang zij nog heeft bij de vraag of [gedaagde] zich met het aanbieden van het Voertuig schuldig heeft gemaakt aan slaafse nabootsing. De rechtbank merkt daarbij op dat een verbod uit hoofde van slaafse nabootsing niets toevoegt aan de reeds aan [gedaagde] op te leggen verboden. Niet valt in te zien wat Ferrari op grond van het leerstuk van slaafse nabootsing daarnaast nog anders of meer zou kunnen vorderen. Het onder III gevorderde zal daarom worden afgewezen.
Vorderingen
4.16.
Zoals hiervoor in 4.5 is overwogen is sprake van merkinbreuk, op grond waarvan het onder I gevorderde inbreukverbod al worden toegewezen met inachtneming van het volgende. Het gevorderde verbod zal worden afgewezen voor zover het betreft “en daarmee overeenstemmende voertuigen”, nu de vordering in zoverre te onbepaald en niet onderbouwd is.
4.17.
Zoals hiervoor in 4.14 is overwogen zal het onder II gevorderde inbreukverbod worden toegewezen. De reikwijdte van dat verbod zal zoals in 4.2 is overwogen worden beperkt tot Nederland.
4.18.
Het onder III gevorderde verbod zal – in lijn met hetgeen overwogen in 4.15 – worden afgewezen.
4.19.
De op te leggen dwangsommen zullen worden gematigd en gemaximeerd tot de in het dictum vermelde bedragen.
4.20.
Met betrekking tot de onder IV gevorderde opgave zal de rechtbank de aanvangsdatum van de periode waarover opgave moet worden gedaan stellen op 1 januari van het jaar waarin de eerste inbreuk is geconstateerd, te weten 2025. Daarnaast zal de vordering worden afgewezen voor zover het betreft “en daarmee overeenstemmende exemplaren”, nu de vordering in zoverre te onbepaald en niet onderbouwd is.
4.21.
De onder V gevorderde vernietiging zal worden toegewezen. De rechtbank ziet echter geen aanleiding daarnaast nog te bepalen dat Ferrari wordt toegestaan beeldmateriaal te maken en wereldwijd te gebruiken. Voor zover daarvoor op grond van het toepasselijk recht een grondslag zou bestaan, heeft zij daarbij onvoldoende belang. Zonder nadere toelichting – die ontbreekt – ziet de rechtbank geen aanleiding Ferrari wereldwijd meer rechten toe te kennen, terwijl aan de belangen van Ferrari voldoende tegemoet is gekomen door hetgeen de rechtbank zal toewijzen.
4.22.
Ferrari heeft verzocht de zaak naar de schadestaat te verwijzen. Daarvoor is nodig dat Ferrari de mogelijkheid dat zij schade heeft geleden voldoende aannemelijk maakt. Nu vast is komen te staan dat [gedaagde] inbreuk heeft gemaakt op de merkrechten en auteursrechten van Ferrari, is die mogelijkheid voldoende aannemelijk. De rechtbank zal [gedaagde] derhalve veroordelen tot vergoeding van de door Ferrari geleden schade, nader op te maken bij staat.
Proceskosten
4.23.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van Ferrari. Ferrari maakt aanspraak op vergoeding van de volledige proceskosten als bedoeld in artikel 1019h Rv. Ferrari heeft specificaties van haar advocaatkosten (exclusief BTW) van in totaal € 33.782,- overgelegd.
4.24.
De onderhavige zaak is een zaak ter handhaving van intellectuele eigendomsrechten in de zin van artikel 1019 RvPro. Om de redelijkheid en evenredigheid van de opgevoerde advocaatkosten te kunnen beoordelen, zal de rechtbank aansluiting zoeken bij de Indicatietarieven in IE-zaken (versie april 2017). De daarin vermelde tarieven worden geacht redelijk en evenredig te zijn. Onderhavige zaak valt, gelet op het relevante feitencomplex en de grondslagen van de vorderingen, naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie ‘normale bodemzaak’ met een maximumtarief van € 21.000,-. De rechtbank zal de door Ferrari gemaakte en gespecificeerde advocaatkosten tot dat maximumbedrag toewijzen. Het meer gevorderde zal worden afgewezen.
4.25.
Het bedrag aan advocaatkosten (€ 21.000,-) wordt verhoogd met het griffierecht van € 714,- en de dagvaardingskosten van € 144,47. Onder de proceskosten vallen ook de nakosten. De nakosten worden begroot op het bedrag genoemd in het liquidatietarief civiel (per 1 februari 2024: € 178,-). In geval van betekening worden een extra bedrag aan salaris (per 1 februari 2024: € 92,-) en de explootkosten van betekening toegekend.
4.26.
De totale proceskosten aan de zijde van Ferrari worden aldus begroot op € 22.036,47.
4.27.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5.De beslissing
De rechtbank
5.1.
beveelt [gedaagde] onmiddellijk na betekening van dit vonnis in de gehele Europese Unie iedere inbreuk op de Ferrari Merken te staken en gestaakt te houden, waaronder begrepen het aanbieden en verhandelen van het Voertuig waarop de Ferrari Merken zijn aangebracht;
5.2.
beveelt [gedaagde] onmiddellijk na betekening van dit vonnis in Nederland iedere inbreuk op de auteursrechten op het ontwerp van de Ferrari F355 te staken en gestaakt te houden;
5.3.
bepaalt dat [gedaagde] bij overtreding van de in 5.1 en/of 5.2 opgelegde bevelen een dwangsom verbeurt van € 1.000,- per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dan wel, zulks ter keuze van Ferrari, € 50.000,- voor iedere afzonderlijke overtreding van (één van) deze bevelen, met een maximum van € 200.000,-;
5.4.
beveelt [gedaagde] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan de advocaten van Ferrari (mrs. S.G.P. Vos en M.T.C. van Beusekom) schriftelijk opgave te doen over de periode vanaf 1 januari 2025, met aanhechting van kopieën van alle ter staving van de opgave relevante bescheiden met betrekking tot de aankoop en verkoop van het Voertuig, van:
het totale aantal exemplaren van het Voertuig dat [gedaagde] , of enige (rechts)persoon die bij haar is aangesloten, heeft gekocht en/of verkocht en/of nog op voorraad heeft;
de volledige naam/namen van alle (rechts)personen die betrokken zijn bij de inkoop, verkoop en/of het in de handel brengen van het Voertuig, met inbegrip van de volledige naam/namen van alle professionele (rechts)personen aan wie [gedaagde] het Voertuig met het oog op de wederverkoop heeft geleverd, waarbij voor elke betrokken (rechts)persoon moet worden aangegeven hoeveel exemplaren zijn geleverd;
5.5.
gelast de vernietiging van het Voertuig, inclusief alle bijbehorende documentatie en toegangssleutels, waarbij de advocaten van Ferrari worden gemachtigd deze vernietiging te laten uitvoeren, in aanwezigheid van een deurwaarder die na voltooiing van de vernietiging een proces-verbaal opstelt en deze onmiddellijk na voltooiing zal toesturen aan de advocaten van Ferrari, waarbij de kosten van de vernietiging en de aanwezigheid van de deurwaarder ten laste komen van [gedaagde] ;
5.6.
veroordeelt [gedaagde] de door Ferrari ten gevolge van de merkinbreuk en auteursrechtinbreuk geleden schade aan Ferrari te vergoeden, een en ander nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
5.7.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 22.036,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.8.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BWPro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.9.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.R. van Heemstra, rechter, bijgestaan door mr. R.W.J. Slits, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.
Voetnoten
1.Burgerlijk Wetboek.
2.Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
3.Verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk.
4.HvJ EU 4 december 2025, gevoegde zaken C-580/23 en C-795/23, ECLI:EU:C:2025:941 (‘Mio’), r.o. 86.
5.HvJ EU 4 december 2025, gevoegde zaken C-580/23 en C-795/23, ECLI:EU:C:2025:941 (‘Mio’), r.o. 92.