De huurder [partij A] vorderde terugbetaling van de borgsom, teveel betaalde huur wegens een kleiner vloeroppervlak dan overeengekomen, vergoeding van internetabonnementskosten en proceskosten uit een eerdere procedure. Hij stelde dat de huurovereenkomst rechtsgeldig was ontbonden omdat het gehuurde niet als kantoorruimte mocht worden gebruikt.
De verhuurder DTG voerde verweer en stelde dat het gebruik van het gehuurde als woonruimte door [partij A] de oorzaak was van het geschil met de Vereniging van Eigenaren, en dat de huurovereenkomst niet rechtsgeldig was ontbonden. DTG vorderde in reconventie betaling van de huurachterstand en een verklaring dat de huurovereenkomst doorloopt tot augustus 2026.
De kantonrechter oordeelde dat het onrechtmatig gebruik van het gehuurde door [partij A] als woonruimte aan hem is toe te rekenen, waardoor geen sprake is van een gebrek dat ontbinding rechtvaardigt. De vorderingen van [partij A] werden afgewezen, waaronder de terugbetaling van de borg en de huurvermindering wegens afwijkend vloeroppervlak. De huurachterstand werd toegewezen aan DTG en de huurovereenkomst loopt door tot 31 augustus 2026.
Proceskosten werden aan de zijde van DTG toegewezen, met een geringe vergoeding voor reis- en verletkosten. Het vonnis werd op 8 april 2026 gewezen door mr. W.J. Nomen.