Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8183

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
C/09/700301 KG ZA 26-207
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopig uitsluitend gebruik huurwoning toegekend aan moeder met gezag over kind na beëindiging relatie

De man en de vrouw, beiden onder bewind gesteld, huurden gezamenlijk een woning en hadden een affectieve relatie waaruit een dochter van zeven jaar is geboren. Sinds januari 2026 is de relatie beëindigd en verblijven de vrouw en dochter tijdelijk in een vakantiewoning op kosten van de gemeente, die uiterlijk 10 april 2026 moet worden verlaten.

De vrouw vordert in kort geding dat de man de woning verlaat en haar het voorlopig uitsluitend gebruik wordt toegekend, omdat de man kampt met verslavingsproblemen en explosief gedrag vertoont, wat de veiligheid van vrouw en kind bedreigt. De man vordert in reconventie het huurrecht toe te kennen en de vrouw uit te sluiten.

De voorzieningenrechter weegt het belang van de dochter, die stabiliteit en continuïteit nodig heeft, zwaarder dan het belang van de man, die geen alternatieve woonruimte heeft maar ook geen bewijs voor zijn gezondheidsklachten leverde. De vrouw draagt de zorg voor de dochter en heeft het gezag. Daarom wordt het voorlopig uitsluitend gebruik aan de vrouw toegekend, met een dwangsom van €500 per dag bij overtreding, en worden de proceskosten gecompenseerd.

Uitkomst: De vrouw krijgt het voorlopig uitsluitend gebruik van de huurwoning toegewezen met een dwangsom voor de man bij overtreding.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/700301 KG ZA 26-207
Vonnis in kort geding van 7 april 2026
in de zaak van
[de bewindvoerder] B.V.te [vestigingsplaats] in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van
[de vrouw]te [woonplaats] ,
eiseres,
advocaat mr. L. Rijsdam,
tegen:

1.[de man] te [woonplaats] ,

gedaagde,
advocaat: mr. C. Car,
2. [de bewindvoerder] B.V.te [vestigingsplaats] in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van
[de man]te [woonplaats] ,
gedaagde,
in persoon.
Eiseres wordt hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’, gedaagde sub 1 als ‘de man’ en gedaagde sub 2 als ‘de bewindvoerder’. Gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 worden gezamenlijk aangeduid als: ‘gedaagden’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de op naam van [de vrouw] uitgebrachte dagvaarding van gedaagde sub 1 van 2 maart 2026 met productie 1;
- de conclusie van antwoord met eis in reconventie van de man;
- de correspondentie tussen de rechtbank, mr. Rijsdam en mr. Car van 25 maart 2026;
- de op 26 maart gehouden mondelinge behandeling, ter gelegenheid waarvan de zaak is aangehouden teneinde ook de man te laten dagvaarden;
- de dagvaarding van gedaagde sub 2 van 26 maart 2026;
- de door de vrouw overgelegde productie 2;
- de door de man overgelegde productie 1;
- de op 2 april 2026 gehouden mondelinge behandeling.
1.2.
Tijdens de zitting van 2 april 2026 is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
De man en de vrouw, beiden onder bewind gesteld, huren de woning aan het [adres] [plaats 2] (hierna: de woning).
2.2.
De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad, waaruit een dochter is geboren. De dochter is thans zeven jaar oud. De vrouw heeft het gezag over de dochter. Sinds halverwege januari 2026 is de affectieve relatie geëindigd.
2.3.
Op 22 januari 2026 heeft het [instantie 1] de woning van partijen bezocht. Het [instantie 1] heeft de vrouw en de dochter vervolgens in een hotel ondergebracht. Na enkele dagen zijn de vrouw en de dochter overgeplaatst naar een vakantiewoning op kosten van de [gemeente] . De gemeente heeft aan de vrouw medegedeeld dat de vrouw en de dochter uiterlijk tot en met 10 april 2026 in de vakantiewoning kunnen verblijven.
2.4.
Op 23 maart 2026 heeft [instantie 2] de advocaat van de vrouw als volgt bericht:

[…] Hierbij ons verslag gezin [naam] .
Het gezin is al een aantal jaren bij ons in begeleiding.
Er zijn veel zorgen en diverse instanties zijn betrokken.
Zoals het jeugdteam, gemeente, bewindvoering, [instantie 2] .
Dhr. Is bekend met verslavingsproblematiek, erkent dit niet altijd, waardoor hulp
niet van de grond komt, zoals [zorginstantie].
Begeleidingsafspraken worden vaak niet nagekomen door meneer.
Er is een dochter van 7 jaar betrokken.
Sinds ruim 2 maanden verblijven moeder en dochter voor hun veiligheid in een
vakantiehuis.
Deze kan na 28 maart niet meer verlengd worden.
Het is dan voor moeder met lichamelijke beperkingen en dochter met vermoeden
van ASS belangrijk dat zij terug keren naar de eigen woning.”

3.Het geschil

in conventie
3.1.
De vrouw vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de man veroordeelt tot het verlaten en niet meer betreden van de woning, met onmiddellijke ingang, totdat er in een bodemprocedure is beslist aan welke partij het huurrecht van de woning toekomt, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat de man weigert om de woning te verlaten en/of de woning betreedt zonder toestemming van de vrouw, met veroordeling van de man in de proceskosten.
3.2.
Daartoe voert de vrouw – samengevat – het volgende aan. De relatie tussen partijen was al langere tijd problematisch. Bij het gezin zijn het [instantie 1] , [instantie 2] , bewindvoering en het jeugdteam betrokken. De man kampt met een drugsverslaving en vertoont explosief gedrag. Partijen kunnen niet meer samen in de woning verblijven omdat dat voor de vrouw en het kind niet veilig is. De vrouw kan geen andere woning vinden en moet de vakantiewoning waar zij nu tijdelijk met de dochter van partijen verblijft op korte termijn verlaten. De vrouw en de dochter komen dan op straat te staan, terwijl de vrouw en met name de dochter zijn gebaat bij continuïteit en stabiliteit in de woon- en opvoedsituatie. Daarnaast gaat de dochter naar een basisschool in [plaats 1] , vlakbij de woning. Het belang van de vrouw en de dochter bij het voorlopige uitsluitende gebruik van de woning weegt daarom zwaarder dan het belang van de man bij voortzetting van het gebruik van de woning.
3.3.
De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
3.4.
De man vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van voorlopige voorziening bepaalt dat de man het huurrecht toebedeeld krijgt van de woning, met uitzondering van de vrouw en dat de vrouw geen huurrecht meer heeft en dat zij niet langer huurder is van de woning, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.
3.5.
Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan. Het belang van de man bij het voorlopig uitsluitend gebruik van de woning weegt zwaarder dan het belang van de vrouw. De man beschikt niet over alternatieve woonruimte en wordt dakloos als hij de woning moet verlaten. De man heeft namelijk geen familie of vrienden waar hij terecht kan. Daarnaast heeft de man de woning nodig omdat zijn werk in de omgeving van de woning is. Bij verlies van de woning is de kans groot dat hij zijn werk verliest. Ook heeft de man last van maagklachten, zodat rust en structuur in de woning belangrijk voor hem is.
3.6.
De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
De vorderingen in conventie en in reconventie lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de vorderingen.
Belangenafweging
4.2.
De vrouw heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de vrouw en de man niet meer met hun kind in de woning kunnen samenwonen vanwege de spanningen die dat oplevert. Uit de door de vrouw overgelegde e-mail van [instantie 2] blijkt dat al een aantal jaren verschillende instanties bij het gezin betrokken zijn geweest, dat de man met verslavingsproblematiek te maken heeft gehad en mogelijk nog heeft (het laatste is door de man ter zitting ontkend) en dat de vrouw en de dochter momenteel voor hun veiligheid in een vakantiewoning verblijven. Tegelijkertijd staat vast dat de man en vrouw beiden medehuurder zijn van de woning, zodat zij in beginsel evenveel recht hebben op het gebruik van de woning. De vraag of het uitsluitend gebruik van de woning in afwachting van een beslissing van de bodemrechter over de toekenning van het huurrecht aan de vrouw of de man moet worden toegekend, dient aan de hand van een belangenafweging te worden beantwoord. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat de vordering van de vrouw moet worden toegewezen en die van de man moet worden afgewezen. Daartoe is het volgende redengevend.
4.3.
Gedaagden hebben niet weersproken dat de vrouw en de dochter op zeer korte termijn dakloos dreigen te worden omdat zij niet langer in de door de gemeente betaalde vakantiewoning kunnen verblijven en de vrouw geen ander onderdak heeft kunnen vinden. Op haar beurt heeft de vrouw niet betwist dat de man niet over alternatieve woonruimte beschikt en dat daar op korte termijn geen verandering in komt. Voor beide partijen geldt dus dat zij op korte termijn geen zicht hebben op een andere woning. Bij die stand van zaken geeft het belang van de dochter de doorslag.
4.4.
De man heeft aangevoerd dat hij gezondheidsklachten heeft die maken dat hij een groot belang heeft om in de woning te blijven, en dat hij om zijn werk te kunnen doen een vaste woonomgeving nodig heeft. Daarbij heeft hij erop gewezen dat hij € 100,- per maand alimentatie moet betalen voor een kind uit een eerdere relatie en dat hij daarom nog een extra belang heeft om niet de woning, en daarmee volgens de man mogelijk ook zijn werk, te verliezen. De man heeft een tijdelijk contract voor korte duur in het geding gebracht. De vrouw heeft het bestaan van de gestelde gezondheidsklachten betwist en deze zijn vervolgens door de man niet onderbouwd met bewijsstukken. Ter zitting is vast komen te staan dat de vrouw niet werkt, alleen het gezag over de dochter heeft en volledig de zorg voor de dochter draagt. De dochter gaat in [plaats 1] , in de nabije omgeving van de woning, naar de basisschool. De man heeft verklaard dat hij voor zijn werk nachtdiensten draait. Dat betekent dat het voor de man niet mogelijk is om de zorg voor de dochter voor zijn rekening te nemen, hetgeen door de advocaat van de man ter zitting is beaamd. Gelet hierop en gezien de jonge leeftijd van de dochter van partijen is van belang dat de dochter een stabiele en vertrouwde woonsituatie heeft. Bij gebreke van andere huisvesting betekent dit dat degene die voor de dochter zorgt, het voorlopig uitsluitend gebruik van de woning krijgt. Het belang van de dochter weegt zwaarder dan het belang van de man in de woning te kunnen blijven wonen en brengt dus mee dat het voorlopig uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw moet worden toebedeeld, totdat in de bodemprocedure is beslist aan welke partij het huurrecht van de woning toekomt. Het voorlopig uitsluitend gebruik van de woning wordt aan de vrouw toebedeeld met ingang van een moment dat zoveel mogelijk correspondeert met de datum waarop het verblijf van de vrouw in de vakantiewoning op kosten van de [gemeente] eindigt.
Dwangsom
4.5.
Er bestaat aanleiding om de beslissing dat de man de woning moet verlaten en de woning vervolgens niet meer zonder toestemming van de vrouw mag betreden te versterken met een dwangsom zoals gevorderd. De op te leggen dwangsom zal worden gemaximeerd.
Proceskosten
4.6.
In de omstandigheid dat de man en de vrouw een affectieve relatie hebben gehad, wordt aanleiding gevonden om de proceskosten te compenseren.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie
5.1.
bepaalt dat de man om de woning aan het [adres] [plaats 2] uiterlijk binnen drie dagen na betekening van dit vonnis moet verlaten en deze woning niet meer mag betreden behoudens met toestemming van de vrouw, zodat aan de vrouw het voorlopig uitsluitend gebruik van de woning toekomt totdat in een bodemprocedure anders wordt beslist;
5.2.
bepaalt dat de man een dwangsom verbeurt van € 500,- voor iedere dag dat hij na het verstrijken van de onder 5.1 bedoelde termijn weigert de woning te verlaten c.q. voor iedere keer dat hij de woning nadat hij deze heeft verlaten zonder toestemming van de vrouw opnieuw betreedt, met een maximum van in totaal € 5.000,-;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in reconventie
5.5.
wijst de vordering af;
5.6.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.
3556