AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ongegrond beroep tegen vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 Vreemdelingenwet
De minister heeft op 3 september 2025 een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd aan eiser op grond van artikel 56 vanPro de Vreemdelingenwet, omdat eiser niet voldeed aan de verplichting Nederland te verlaten en geen vaste verblijfplaats had. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is omdat eiser procesbelang heeft, ondanks dat de maatregel met terugwerkende kracht is beëindigd nadat eiser zich niet binnen 48 uur op de vrijheidsbeperkende locatie had gemeld. Eiser heeft de maatregel niet opgevolgd en was daardoor strafbaar volgens artikel 108 VwPro.
Eiser voert aan dat uitzetting naar Turkije een schending van artikel 3 EVRMPro oplevert en dat de minister zijn bewijsstukken onvoldoende heeft meegewogen. De rechtbank stelt vast dat de minister de maatregel terecht heeft opgelegd, gelet op het afwijzen van de asielaanvraag en het ontbreken van rechtmatig verblijf. De beroepsgronden raken de rechtmatigheid van de maatregel niet. Ook is geen schade vastgesteld door het niet ten uitvoer leggen van de maatregel.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: 25-17557 en 25-17558
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2026 in de zaken tussen
[naam], eiser,
geboren op 10 september 2001,
van Turkse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Inleiding
1. Bij besluit van 3 september 2025 heeft de minister aan eiser een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw [1] (de vrijheidsbeperkende maatregel).
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (zaaknummer 25-17557). Eiser heeft ook verzocht een voorlopige voorziening te treffen (zaaknummer 25-17558).
1.2.
De minister heeft de vrijheidsbeperkende maatregel met terugwerkende kracht vanaf 11 september 2025 beëindigd.
1.3.
De minister heeft op 17 februari 2026 een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 20 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is niet op de rechtbank verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. De minister heeft eiser op grond van artikel 56 vanPro de Vw verplicht om, met ingang van 8 september 2025, te verblijven in de gemeente Westerwolde, waar hij zich in de VBL [2] dient op te houden. De minister heeft overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert en acht hierbij van belang dat eiser niet heeft voldaan aan de rechtsplicht om uit eigen beweging Nederland te verlaten. Ook beschikt eiser niet over een vaste woon- of verblijfsplaats en heeft hij onvoldoende middelen van bestaan. De minister heeft in aanvulling hierop overwogen dat de vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd om toezicht te kunnen houden of eiser daadwerkelijk ook invulling geeft aan zijn verplichting om actief te werken aan vertrek, indien hij geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland.
Procesbelang
4. De minister stelt zich op het standpunt dat het beroep en het verzoek niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. De vrijheidsbeperkende maatregel is met terugwerkende kracht opgeheven, nadat eiser zich niet binnen 48 uur op de VBL had gemeld. De maatregel is dus nooit ten uitvoer gelegd. Eiser heeft daarom geen procesbelang bij de beoordeling van het beroep en de voorlopige voorziening.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat procesbelang aanwezig is. Op de zitting is door de minister toegelicht dat de vrijheidsbeperkende maatregel per abuis niet direct is beëindigd, nadat eiser zich op 11 september 2025 niet op de VBL had gemeld. Deze is met terugwerkende kracht beëindigd na het door eiser instellen van het onderhavige beroep. De rechtbank overweegt, dat eiser gedurende het voortduren van de vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 VwPro, aan welke maatregel hij geen gevolg heeft gegeven, strafbaar is geweest op grond van 108 van de Vw. Dit artikel bepaalt namelijk dat een vreemdeling die geen gehoor geeft aan de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel, een strafbaar gestelde overtreding begaat. Dat de maatregel naderhand met terugwerkende kracht is beëindigd maakt dit niet anders. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser (proces)belang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
Wat vindt eiser?
5. Eiser voert aan dat uitzetting naar Turkije een schending van artikel 3 vanPro het EVRM [3] zou opleveren. Hij loopt daar namelijk ernstig risico op arrestatie, detentie, mishandeling en politieke vervolging. Ter onderbouwing heeft eiser documenten aan het dossier gevoegd waaruit blijkt dat hij niet terug kan keren naar Turkije, waaronder een aanhoudingsbevel en protestdocumenten.
5.1.
Daarnaast stelt eiser dat de minister de door hem overgelegde bewijsstukken in zijn asielprocedure onvoldoende hee onderzocht en niet heeft meegenomen in de besluitvorming. Eiser stelt tot slot dat hij hoger beroep heeft ingediend bij de hoogste bestuursrechter tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en dit beroep nog in behandeling is. Daarom is het volgens eiser noodzakelijk dat de uitzetting naar Turkije wordt geschorst, totdat op het hoger beroep is beslist.
Oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister op 3 september 2025 aan eiser de vrijheidsbeperkende maatregel heeft mogen opleggen.
De asielaanvraag van eiser is bij besluit van 6 november 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond, waarbij ook een terugkeerbesluit is opgelegd. Het beroep tegen het afwijzen van de asielaanvraag is op 22 augustus 2025 door deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg ongegrond verklaard. [4] Eiser heeft dus geen rechtmatig verblijf en geen recht meer op opvang en voorzieningen van het COa. Ook heeft de minister in de vrijheidsbeperkende maatregel voldoende gemotiveerd waarom deze aan eiser wordt opgelegd. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat het belang van de openbare orde het opleggen van de vrijheidsbeperkende maatregel vordert. De beroepsgronden van eiser zien op de omstandigheden in Turkije en de asielprocedure van eiser en doen dus niet af aan de rechtmatigheid van de vrijheidsbeperkende maatregel. Indien eiser meent dat hem verblijfsrecht in Nederland toekomt, is het aan hem een daartoe strekkende aanvraag in te dienen. Zoals door de minister op de zitting kenbaar is gemaakt, heeft eiser dit op 1 oktober 2025 ook gedaan.
6.1.
Daarnaast stelt de rechtbank vast dat eiser geen schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatige voortduren van de vrijheidsbeperkende maatregel. Eiser diende zich binnen 48 uur na het ingaan van de vrijheidsbeperkende maatregel te melden op de VBL, maar heeft dit nooit gedaan. De plaatsing is op de VBL is dus niet ten uitvoer gelegd. Dat eiser schade heeft geleden op grond van artikel 108 vanPro de Vw, is tot slot gesteld noch gebleken.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De rechtbank wijst het verzoek om die reden af. Voor een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, op 7 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.