De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag behandelde op 1 april 2026 het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer. Het verzoek betrof een omgevingsvergunning voor het realiseren van een aanbouw bij een woning. Het college had de vergunning op 4 maart 2026 verleend aan de vergunninghouder, waartegen verzoeker bezwaar had gemaakt.
Verzoeker stelde dat de aanbouw zou leiden tot minder zonlicht in zijn woning en tuin, meer wind en waardevermindering van zijn woning. Het college voerde aan dat de vergunning terecht was verleend omdat de aanbouw voldeed aan het geldende Omgevingsplan en aan redelijke eisen van welstand. De voorzieningenrechter stelde vast dat het bouwwerk binnen het bouwvlak lag, de maximale bouwhoogte niet werd overschreden en dat er geen strijd was met de bouw- en gebruiksregels.
Omdat het een gebonden beschikking betrof, had het college geen beoordelingsruimte om belangen tegen elkaar af te wegen. De voorzieningenrechter oordeelde daarom dat het college de vergunning terecht had verleend en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. De vergunning wordt niet geschorst en vergunninghouder mag op eigen risico met de bouw beginnen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.