Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8165

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
SGR 26/2312
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.0a Bkl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning aanbouw woning

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag behandelde op 1 april 2026 het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer. Het verzoek betrof een omgevingsvergunning voor het realiseren van een aanbouw bij een woning. Het college had de vergunning op 4 maart 2026 verleend aan de vergunninghouder, waartegen verzoeker bezwaar had gemaakt.

Verzoeker stelde dat de aanbouw zou leiden tot minder zonlicht in zijn woning en tuin, meer wind en waardevermindering van zijn woning. Het college voerde aan dat de vergunning terecht was verleend omdat de aanbouw voldeed aan het geldende Omgevingsplan en aan redelijke eisen van welstand. De voorzieningenrechter stelde vast dat het bouwwerk binnen het bouwvlak lag, de maximale bouwhoogte niet werd overschreden en dat er geen strijd was met de bouw- en gebruiksregels.

Omdat het een gebonden beschikking betrof, had het college geen beoordelingsruimte om belangen tegen elkaar af te wegen. De voorzieningenrechter oordeelde daarom dat het college de vergunning terecht had verleend en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. De vergunning wordt niet geschorst en vergunninghouder mag op eigen risico met de bouw beginnen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor de aanbouw wordt afgewezen en de vergunning blijft van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/2312
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 april 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer, het college

(gemachtigde: mr. C.T. Kreffer).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij], te [woonplaats] (vergunninghouder).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker met betrekking tot een omgevingsvergunning voor het realiseren van een aanbouw bij de woning aan [adres] te [plaats].
1.1.
Met het bestreden besluit van 4 maart 2026 heeft het college deze omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouder. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van het college en vergunninghouder.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. Verzoeker voert aan dat door de aanbouw veel minder zonlicht zijn woonkamer en tuin zal bereiken, de wind in zijn tuin zal toenemen en zijn woning in waarde zal verminderen.
4. Het college stelt zich op het standpunt dat de vergunning terecht en op goede gronden is verleend, nu de aanbouw niet in strijd is met de voorschriften uit het geldende Omgevingsplan en voldoet aan redelijke eisen van welstand.
4.1.
De aangevraagde omgevingsvergunning betreft de omgevingsplanactiviteit “bouwen”. Als een bouwwerk voldoet aan de regels die in het Omgevingsplan zijn gesteld, mag een dergelijke omgevingsvergunning niet worden geweigerd [1] . Er is in dat geval sprake van een zogenoemde gebonden beschikking. Het college heeft dan geen ruimte om de belangen die voor of tegen het verlenen van de omgevingsvergunning pleiten
– waaronder de belangen die verzoeker in deze procedure naar voren heeft gebracht – tegen elkaar af te wegen.
4.2.
De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat het bouwwerk voldoet aan de bouw- en gebruiksregels van het Omgevingsplan: de aanbouw is bedoeld om in te wonen, er wordt gebouwd binnen het bouwvlak en de maximale bouwhoogte van 15 meter wordt niet overschreden. Evenmin is in geschil dat de aanbouw voldoet aan redelijke eisen van welstand.
4.3.
Dat betekent dat het college de omgevingsvergunning in dit geval naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht heeft verleend.
4.4.
Er is daarom geen grond om deze vergunning bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de vergunning niet wordt geschorst en dat vergunninghouder – op eigen risico – mag beginnen met de bouwactiviteiten. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
6. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026 door mr. A.C. de Winter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.T. Rietbroek, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)