ECLI:NL:RBDHA:2026:8161
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielprocedure na niet-ontvankelijkverklaring verblijfsvergunning
Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 22 december 2025 niet-ontvankelijk werd verklaard. Hiertegen stelde verzoekster beroep in bij de rechtbank.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening op 30 maart 2026, gelijktijdig met het beroep onder zaaknummer NL25.63507. Tijdens de zitting waren verzoekster, haar gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister aanwezig.
Op 7 april 2026 heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep en dit ongegrond verklaard, waardoor de noodzaak voor een voorlopige voorziening verviel. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek om voorlopige voorziening af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter M. Munsterman en griffier M.C. Drenten - Boon, en is gepseudonimiseerd gepubliceerd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen na ongegrondverklaring van het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verblijfsvergunning.