Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8092

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
11960791
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 157 RvArt. 4 Verordening Brussel I-bisArt. 7 lid 2 Verordening Brussel I-bisArt. 4 lid 1 Verordening Rome IIArt. 29 Wet op de rechtsbijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheidsgeschil en afwijzing vorderingen in contractuele en familierechtelijke zaak

Eiser vordert nakoming van een betwist contract met afspraken over erkenning en achternaam van een toekomstig kind, teruggave van een auto en een gift (Mahr). Gedaagde vordert in reconventie contact- en gebiedsverboden.

De kantonrechter oordeelt dat hij niet bevoegd is om over de familierechtelijke vorderingen te beslissen en verwijst deze naar het team Familie van de rechtbank. Ook de vorderingen in reconventie worden verwezen naar het team Handel wegens onbepaalde waarde.

De vordering tot teruggave van de auto wordt afgewezen omdat eiser onvoldoende heeft aangetoond eigenaar te zijn. De vordering tot teruggave van de Mahr wordt afgewezen omdat niet aan de voorwaarden is voldaan. De schadevergoeding en dwangsomvorderingen worden eveneens afgewezen.

Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten. Partijen worden gewezen op de verplichting tot procesvertegenwoordiging door een advocaat in de vervolgprocedure.

Uitkomst: De kantonrechter wijst de vorderingen van eiser af en verwijst de familierechtelijke en reconventionele vorderingen door naar de bevoegde teams van de rechtbank.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Leiden
Zaaknummer: 11960791 \ CV EXPL 25-3584
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
[eisende partij],
wonende te [woonplaats 1] (België),
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde partij],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: mr. H.H.R. Bruggeman.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding d.d. 4 november 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord tevens houdende (antwoord in incident en) eis in reconventie, met producties,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 23 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eisende partij] en [gedaagde partij] hebben vanaf juli 2023 tot eind april 2024 een affectieve relatie (gehad) en zijn in augustus 2023 islamitisch gehuwd.
2.2.
[eisende partij] woont in België en [gedaagde partij] in Nederland. Gedurende de relatie verbleef [eisende partij] geregeld in Nederland en [gedaagde partij] geregeld in België. Vanaf eind 2023 had [gedaagde partij] geen woning meer in Nederland en verbleef zij vooral in België.
2.3.
[gedaagde partij] is tijdens de relatie zwanger geraakt en heeft na het verbreken van de relatie een kind gekregen. [eisende partij] heeft het kind (nog) niet erkend.
2.4.
[gedaagde partij] heeft op 27 mei 2021 voor € 6.500,00 een witte Volkwagen Polo (hierna: de auto) aangeschaft bij [bedrijf] , met kenteken [kenteken] .
2.5.
In een door beide partijen op 15 februari 2024 getekend document met de naam “verkoopcontract gebruikte auto particulieren” is onder andere opgenomen dat [gedaagde partij] de auto aan [eisende partij] verkoopt tegen een bedrag van € 1,00.
2.6.
[eisende partij] heeft op enig moment in België een autoverzekering afgesloten voor de auto.
2.7.
Na het verbreken van de relatie is [gedaagde partij] naar Nederland vertrokken en heeft zij de auto met toestemming van [eisende partij] meegenomen. Haar gemachtigde heeft bij (de gemachtigde van) [eisende partij] om het kentekenbewijs deel II gevraagd, waarna [eisende partij] dit per post aan [gedaagde partij] heeft opgestuurd.
2.8.
Op 11 juli 2024 heeft de gemachtigde van [eisende partij] aan de gemachtigde van [gedaagde partij] onder andere het volgende bericht:

Ik kom terug op dit dossier en verwijs naar mijn schrijven van 02.07.2024 en neem aan dat uw cliënte intussen de zending met het kentekenbewijs ontvangen heeft.
Dit kan trouwens niet anders, nu deze niet werd teruggestuurd aan mijn cliënt.
2.9.
Op 19 augustus 2024 heeft de gemachtigde van [gedaagde partij] onder andere het volgende aan de gemachtigde van [eisende partij] bericht:

Van cliënte begreep ik dat navraag bij de diverse postdiensten heeft opgeleverd dat uw cliënt op 11 juli 2024 de brief met de autopapieren weer heeft opgehaald. Dit betekent dat uw cliënte de autopapieren nog immer in zijn bezit heeft. Om verdere postproblemen te voorkomen, verzoekt cliënte uw cliënte de autopapieren bij de Belgische politie, ter attentie van agent [naam] , af te geven.

3.Het geschil in conventie

3.1.
[eisende partij] vordert:
teruggave en overdracht van de eigendom van goederen, waaronder de auto van [eisende partij] ter waarde van circa € 5.000,00;
naleving van de medewerking verplichtingen aan de erkenning en vaststelling van de geslachtsnaam van het kind, conform artikel 4.2.1. tot en met 4.2.3. van de overeenkomst;
naleving van de medewerking aan de verplichtingen van de ouderschapsregeling conform artikelen 5.1.1. tot en met 5.1.7. van de overeenkomst;
naleving van de financiële verplichtingen en afspraken over het gezamenlijke vermogen, conform artikelen 5.1.1. tot en met 5.1.7. van de overeenkomst;
naleving van de teruggaveverplichting van een gift van € 1.000,00 (Mahr, Şadāq), conform artikelen 2.1 en 2.2. van de overeenkomst, met wettelijke rente;
[gedaagde partij] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding aan [eisende partij] van € 5.000,00 wegens het niet nakomen van contractuele verplichtingen, te vermeerderen met de wettelijke rente;
een dwangsom van € 500,00 per dag vanaf de betekening van het vonnis tot volledige uitvoering van de verplichtingen;
met veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten en uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
3.2.
[eisende partij] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. De auto is zijn eigendom. Omdat [eisende partij] zoveel kosten voor [gedaagde partij] heeft voldaan, zijn partijen overeengekomen dat [eisende partij] de auto voor € 1,00 kon overnemen. Vervolgens heeft [eisende partij] de auto aan [gedaagde partij] uitgeleend en niet meer teruggekregen. Verder hebben partijen reeds voor de zwangerschap afspraken gemaakt omtrent het ouderschap en de zorg voor toekomstige kinderen. Deze afspraken zijn opgenomen in een door beide partijen ondertekende overeenkomst (hierna: de overeenkomst). [eisende partij] vordert nakoming van die afspraken.
3.3.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde partij] betwist dat [eisende partij] eigenaar van de auto is geworden en dat zij de overeenkomst met [eisende partij] heeft gesloten.

4.Het geschil in reconventie

4.1.
[gedaagde partij] vordert in reconventie uitvoerbaar bij voorraad:
  • aan [eisende partij] op te leggen een verbod om op enigerlei wijze contact te zoeken of te onderhouden met [gedaagde partij] en de minderjarige,
  • aan [eisende partij] op te leggen een verbod om zich binnen de gemeente [gemeente] op enigerlei wijze te begeven;
  • aan [eisende partij] op te leggen een dwangsom ad € 500,00 per keer dat hij de verboden overtreedt;
  • met veroordeling van [eisende partij] in de proceskosten.
4.2.
[gedaagde partij] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Kort na het islamitische huwelijk ging het niet goed tussen partijen. [eisende partij] controleerde [gedaagde partij] en mishandelde haar meerdere keren per week. [gedaagde partij] is weggevlucht en heeft bij de vrouwenopvang onderdak gekregen. [gedaagde partij] heeft aangifte gedaan. [eisende partij] is vervolgens achter het adres van [gedaagde partij] gekomen en is naar haar woonplaats gekomen, waarna de politie hem heeft gesommeerd [gemeente] te verlaten. De door haar ingestelde vorderingen zijn noodzakelijk om zich weer enigszins veilig te kunnen voelen.
4.3.
[eisende partij] voert aan dat de reconventionele vorderingen van onbepaalde waarde zijn en daarom niet bij de kantonrechter thuishoren. Verder betwist hij dat hij [gedaagde partij] fysiek of mentaal heeft mishandeld.

5.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
Voor zover de vorderingen van [eisende partij] betrekking hebben op het kind is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen omdat het kind in Nederland woont. Dat geldt ook voor zover hij schadevergoeding vordert in verband met het volgens hem niet nakomen van gemaakte afspraken over het kind.
5.2.
De vordering tot schadevergoeding wegens het niet teruggeven van de auto en tot teruggave van de auto zijn vorderingen die vallen onder het toepassingsbereik van Verordening Brussel I-bis. Op grond van artikel 4 van Pro die verordening is de Nederlandse rechter bevoegd om over die vorderingen te oordelen, nu [gedaagde partij] in Nederland woont. Op een terugvordering van eigendom (de auto) is het recht van toepassing van de plaats waar het goed (de auto) is, in dit geval dus Nederland. Op de vordering tot schadevergoeding is het recht van het land waar de schade zich zou hebben voorgedaan van toepassing, in dit geval dus Belgisch recht.
5.3.
In de Nederlandse rechtspraak wordt inmiddels het recht tot betaling of teruggave van de bruidsgave (Mahr, Şadāq) beschouwd als een geheel eigen rechtsfiguur die als een verbintenis sui generis (een verbintenis met een geheel eigen aard) is te kwalificeren. De bruidsgave maakt dus geen onderdeel uit van het huwelijksvermogensregime van partijen. Dit betekent deze vordering niet is uitgezonderd van het toepassingsbereik van Verordening Brussel I-bis en de Nederlandse rechter dus bevoegd is (zie 5.2). Verder moet de vordering tot teruggave van de bruidsgave moet worden beoordeeld naar het recht waarnaar de bruidsgave is tot stand gekomen. In de door de man overgelegde overeenkomst is geen rechtskeuze gedaan. Omdat het gaat om een huwelijk naar islamitisch recht, houdt de kantonrechter het ervoor dat het islamitische recht van toepassing is, voor zover dat niet strijdig is met Nederlandse regels van openbare orde.
Vordering 1: teruggave en overdracht van de eigendom van goederen, waaronder de auto van [eisende partij] ter waarde van circa € 5.000,00;
5.4.
[eisende partij] vordert in het algemeen teruggave en overdracht van de eigendom van zijn goederen. Aangezien hij niet heeft gespecifieerd om welke goederen het gaat, ligt deze algemene vordering voor afwijzing gereed.
5.5.
Ter onderbouwing dat de eigendom van de auto bij [eisende partij] rust, heeft [eisende partij] gewezen op het verkoopcontract van 15 februari 2024 waarin staat dat de auto aan hem is overgedragen en op het feit dat hij financiële lasten, waaronder verzekeringspremie, met betrekking tot de auto heeft betaald, waarbij de verzekering op zijn naam is afgesloten.
5.6.
Op grond van art. 157 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan het verkoopcontract (een akte) dwingend bewijs opleveren over wat tussen partijen is verklaard in die akte. Simpel gezegd geldt dan – behoudens tegenbewijs – wat tussen hen is verklaard als de waarheid. In dit geval heeft [gedaagde partij] haar betwisting dat deze akte het doel had de eigendom over te dragen onderbouwd met:
  • haar uitleg dat de akte slechts is opgesteld om de export van de auto naar België te versnellen;
  • het feitelijke handelen van partijen: na het verbreken van de relatie heeft [eisende partij] de auto aan [gedaagde partij] meegegeven en de papieren van de auto aan [gedaagde partij] verzonden.
Het feitelijke handelen van partijen staat vast. [eisende partij] erkent dit en ook zijn toenmalige gemachtigde bevestigt in zijn bericht van 11 juli 2024 (zie 2.8) dat [eisende partij] de papieren heeft verstuurd. Dit feitelijke handelen past niet bij de stelling van [eisende partij] dat hij de auto slechts heeft uitgeleend. In die situatie is het immers niet nodig om het kentekenbewijs deel II op te sturen. Verder voert [eisende partij] aan dat de akte volgens de Belgische regelgeving niet nodig was om de auto snel in te voeren, maar dat sluit niet uit dat partijen wel die bedoeling hadden bij het opmaken van de akte. Het bedrag waartegen de auto is verkocht, namelijk € 1,00 terwijl [gedaagde partij] de auto voor € 6.500,00 heeft aangeschaft, staaft bovendien de verklaring die [gedaagde partij] aan het document geeft. Uit dit alles maakt de kantonrechter op dat het niet de bedoeling van partijen is geweest de eigendom van de auto daadwerkelijk over te dragen aan [eisende partij] . Hiermee is het tegenbewijs tegen de inhoud van de akte geleverd, zodat die niet langer kan dienen als onderbouwing van de eigendom van [eisende partij] .
5.7.
Het feit dat [eisende partij] financiële lasten van de auto heeft betaald, zegt niets over de eigendom omdat het in een relatie niet ongebruikelijk is dat een partner lasten van de andere partner betaalt. Ook de tenaamstelling van de verzekering van de auto zegt niets over de eigendom en past in dit geval bij het feit dat partijen ervoor hebben gekozen de auto ten behoeve van het economisch verkeer in België op papier aan de man over te dragen.
5.8.
Omdat de door [eisende partij] aangedragen feiten niet tot de conclusie kunnen leiden dat hij eigenaar is geworden van de auto, heeft hij onvoldoende onderbouwd dat hij eigenaar is geworden. [eisende partij] heeft geen andere feiten aangedragen, zodat er geen aanleiding is hem nog tot bewijslevering toe te laten.
Vordering 2 tot en met 4 en de aan die vorderingen gekoppelde dwangsomvordering
5.9.
De kantonrechter is van oordeel dat zij op grond van de wet niet bevoegd is om de vorderingen 2 tot en met 4 van [eisende partij] te behandelen en daarover te beslissen. Er is uitsluitend een andere rechter bevoegd, te weten team Familie van de rechtbank Den Haag. Dat oordeel wordt hierna uitgelegd en toegelicht.
5.10.
De kantonrechter moet ambtshalve beoordelen of zij bevoegd is om een zaak te behandelen. Ambtshalve wil zeggen dat de kantonrechter die beoordeling ook moet doen als partijen daarover niets hebben gezegd of geen verweer hebben gevoerd op dit punt. Als een zaak niet behoort tot de bevoegdheid van de kantonrechter, moet hij zich onbevoegd verklaren. Deze regels zijn er om te zorgen dat procedures efficiënt en goed verlopen, en om te zorgen dat een zaak wordt behandeld en beslist door een rechter die daarvoor door de wetgever is aangewezen als de rechter die het best in staat en toegerust is om over de zaak te oordelen en te beslissen.
5.11.
Uit de wet volgt dat de kantonrechter alleen oordeelt over zaken die gaan over, kort gezegd, zaken met betrekking tot een arbeidsovereenkomst, een huurovereenkomst en een consumentenkoop, en geldvorderingen tot € 25.000,00. Ook kan er sprake zijn van een forumkeuze, wat inhoudt dat partijen er samen voor hebben gekozen de kwestie door de kantonrechter te laten behandelen. De vorderingen van [eisende partij] gaan niet over een arbeidsovereenkomst, een huurovereenkomst of een consumentenkoop, en zijn ook geen geldvordering. Er is dus geen sprake van een in de wet aangewezen bepaalde soort zaak waarover de kantonrechter bevoegd is te oordelen.
5.12.
De kantonrechter mag niet oordelen over vorderingen van onbepaalde waarde, met uitzondering van de zaken waarbij er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere geldwaarde vertegenwoordigt dan € 25.000,00. Daar is in dit geval geen sprake van. De vorderingen onder punt 2 tot en met 4 van [eisende partij] zijn vorderingen van onbepaalde waarde. Er kan geen geldelijke waarde aan die vorderingen worden gekoppeld. [eisende partij] beroept zich verder op de forumkeuze in artikel 9 van Pro de door hem overgelegde overeenkomst die tussen partijen zou zijn gesloten, maar artikel 9 ziet Pro enkel op de woning en dus niet op de vorderingen die [eisende partij] in dit geval aan de kantonrechter heeft voorgelegd. Ten slotte ziet de kantonrechter onvoldoende samenhang tussen de vorderingen onder 2 tot en met 4 en de overige vorderingen, zodat ook dit geen bevoegdheid van de kantonrechter oplevert. Gezien al het voorgaande is de kantonrechter niet bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen onder 2 tot en met 4. Voor zover de dwangsomvordering ziet op deze vorderingen, deelt die vordering het lot van vorderingen 2 tot en met 4.
5.13.
Daarnaast raken de vorderingen van [eisende partij] aan bepalingen uit boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Bij zaken die de persoon betreffen en zaken betreffende het gezag is de rechtbank de absoluut bevoegde rechter (o.a. Kamerstukken II, 2005-2006, 30521, nr. 3, memorie van toelichting). Als een zaak verkeerd is aangebracht, zal de kantonrechter zich onbevoegd verklaren. Dit is ook het geval indien nakoming wordt verzocht van een overeenkomst waarin afspraken zijn gemaakt over deze onderwerpen (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 2 mei 20023, ECLI:NL:HR:2003:AF8125). Dit komt doordat de rechtbank een familiekamer heeft en doordat bij de rechtbank procesvertegenwoordiging verplicht is, wat essentieel is om niet alleen de belangen van partijen maar ook die van het kind goed te kunnen behartigen. Bij zaken die de juridische status van personen of de kern van de gezagsverhouding betreffen, bij vaststelling van levensonderhoud, vaststelling van afstamming of de definitieve gezagsbeslissing na scheiding is dus de rechtbank (team familie) bevoegd om van de verzoeken kennis te nemen. Verzoeken in het kader van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek moeten bij verzoekschrift worden gedaan en niet bij dagvaarding.
5.14.
Gezien het voorgaande komt de kantonrechter tot het oordeel dat zij niet bevoegd is om de vorderingen onder 2 tot en met 4 te behandelen. De kantonrechter zal de behandeling van deze vorderingen daarom verwijzen naar de Rechtbank Den Haag team Familie en naar de verzoekschriftprocedure.
Vordering 5: teruggave € 1.000,00 (Mahr)
5.15.
Nog los van het feit dat [gedaagde partij] betwist de door [eisende partij] bedoelde overeenkomst te hebben ondertekend, volgt uit artikel 2.2 van de overeenkomst dat [gedaagde partij] enkel de € 1.000,00 verschuldigd is indien zij Talaq verzoekt. [eisende partij] heeft ter zitting bevestigd dat hier (nog) geen sprake van is. Indien al komt vast te staan dat de overeenkomst rechtsgeldig is gesloten, is nog niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 2.2, zodat [gedaagde partij] geen bedrag aan [eisende partij] verschuldigd is. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.
Vordering 6: [gedaagde partij] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding aan [eisende partij] van € 5.000,00 wegens het niet nakomen van contractuele verplichtingen;
5.16.
Voor zover deze vordering ziet op schade die [eisende partij] lijdt doordat hij niet over de auto kan beschikken, geldt dat [eisende partij] niet heeft onderbouwd dat hij eigenaar van de auto is. [eisende partij] vordert onder 2 tot en met 4 nakoming van de overeenkomst. Het is dan niet mogelijk om daarnaast vervangende schadevergoeding te vorderen, men vordert nakoming
ofvervangende schadevergoeding. Omdat nu nog niet vast staat of [gedaagde partij] de door [eisende partij] bedoelde overeenkomst wel of niet zal nakomen, kan op dit moment in het midden blijven of zij deze overeenkomst heeft gezien en/of getekend en of [eisende partij] recht heeft op schadevergoeding. De vordering tot betaling van een schadevergoeding zal dus worden afgewezen.
Vordering 7: opleggen dwangsom
5.17.
Voor zover deze vordering is verbonden aan de vorderingen 1, 5 en het deel van 6 dat ziet op schadevergoeding voor de auto worden deze afgewezen omdat de vorderingen van [eisende partij] worden afgewezen en er dus (reeds daarom) geen dwangsom kan worden opgelegd. Voor zover deze vordering is verbonden aan de vorderingen 2 tot en met 4 wordt zij met deze vorderingen verwezen naar de bevoegde rechter.
Proceskosten van de procedure tot dusver (bij de kantonrechter)
5.18.
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Aangezien de conclusie van antwoord in kort geding, in het incident en in de bodemprocedure nagenoeg gelijk zijn, wordt er 1 salarispunt toegekend. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
432,00
(1 punt × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
576,00
In reconventie
5.19.
De Nederlandse rechter is bevoegd deze vorderingen naar Nederlands recht te beoordelen omdat de gestelde onrechtmatige gedragingen zich hebben voorgedaan in Nederland (artikel 7 lid 2 van Pro Verordening Brussel I-bis en artikel 4 lid 1 Verordening Pro Rome II).
5.20.
Ten aanzien van de vorderingen in reconventie verwijst de kantonrechter naar de overwegingen onder 5.10 tot en met 5.12 in conventie. De kantonrechter is niet bevoegd om van de vorderingen in reconventie kennis te nemen, aangezien het vorderingen van onbepaalde waarde betreft. De kantonrechter zal de zaak verwijzen. In dit geval is dat de rechtbank, team handel.
5.21.
De verwijzende rechter zal een beslissing nemen over de proceskosten in de reconventie.

6.De beslissing

De kantonrechter:
In conventie
6.1.
verwijstde zaak ten aanzien van de vorderingen onder 2 tot en met 4 en de vordering onder 7 voor zover de dwangsom is verbonden aan de vorderingen onder 2 tot en met 4, in de stand waarin deze zich bevindt
naar team familie van deze rechtbank(Den Haag), en bepaalt dat de procedure wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure;
6.2.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure bij schriftelijke proceshandelingen niet meer in persoon of bij gemachtigde kunnen procederen, maar dat zij daarbij vertegenwoordigd moeten worden door een advocaat,
6.3.
bepaalt dat de advocaat van [eisende partij] de vorderingen van [eisende partij] moet aanpassen aan de verzoekschriftprocedure en het aangepaste verzoek zo spoedig mogelijk moet indienden bij team familie, waarna team familie partijen zal berichten over het verder verloop van de procedure;
6.4.
bepaalt dat [eisende partij] na verwijzing een verhoogd griffierecht verschuldigd kan zijn, dat een verhoging kan worden afgeleid uit de meest recente griffierechttabellen op www.rechtspraak.nl en dat deze verhoging moet zijn voldaan na ontvangst van een nota met betalingsinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR);
6.5.
deelt mee dat van een partij die onvermogend is een lager griffierecht wordt geheven, indien hij/zij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd:
1. een afschrift van het besluit tot toevoeging, zoals bedoeld in artikel 29 van Pro de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is als gevolg van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem/haar zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag, zoals bedoeld in artikel 24 lid 2 van Pro de Wet op de rechtsbijstand, of;
2. een verklaring van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, zoals bedoeld in artikel 7 lid 3 onder Pro e van die wet, waaruit blijkt dat zijn/haar inkomen niet meer bedraagt dan de bedragen, zoals bedoeld in de algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 35 lid 2 van Pro die wet.
6.6.
draagt de griffier op (een kopie van) de processtukken en een afschrift van dit vonnis toe te sturen aan de griffier van team familie van deze rechtbank.
6.7.
wijst de overige vorderingen van [eisende partij] af,
6.8.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van de procedure tot dusver bij de kantonrechter van € 576,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.9.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
In reconventie
6.10.
verwijst de zaak in de stand waarin zij zich bevindt naar de rolzitting van
team handel van deze rechtbank (Den Haag) van woensdag 22 april 2026 om 10:00 uur, voor stellen advocaat,
6.11.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer in persoon of bij gemachtigde kunnen procederen, maar dat zij vertegenwoordigd moeten worden door een advocaat,
6.12.
wijst [gedaagde partij] erop dat na verwijzing griffierecht is verschuldigd en dat dit griffierecht kan worden afgeleid uit de griffierechttabellen op www.rechtspraak.nl en dat het griffierecht binnen 4 weken na voormelde roldatum moet zijn bijgeschreven, waarvoor [gedaagde partij] een nota met betaalinstructies ontvangt van het LDCR,
6.13.
draagt de griffier op (een kopie van) de processtukken en een afschrift van dit vonnis tijdig voor genoemde rolzitting toe te sturen aan de griffier van team handel van deze rechtbank.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.D. Bellaart en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.