Verzoeker heeft op 27 oktober 2025 een aanvraag ingediend voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) om als kok te werken bij een Aziatisch restaurant. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag bij besluit van 16 februari 2026 afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg om een voorlopige voorziening om gedurende de bezwaarperiode te mogen werken.
Verweerder heeft bij brief van 27 maart 2026 aangegeven zich niet te verzetten tegen de toewijzing van de voorlopige voorziening. Beide partijen vonden een zitting niet nodig, waarna de voorzieningenrechter het onderzoek sloot en zonder zitting uitspraak deed.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, waardoor verweerder verzoeker moet toestaan te werken en te verblijven in Nederland totdat op het bezwaar is beslist. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 934,- en het griffierecht van € 200,-. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.