Eiser, afkomstig uit Syrië, diende op 13 augustus 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag en moest uiterlijk binnen zes maanden beslissen, maar heeft dit niet gedaan. Vanwege het besluitmoratorium voor Syrië gold aanvankelijk een verlengde beslistermijn, maar deze werd ingetrokken, waardoor de reguliere termijn van zes maanden weer van toepassing was.
Eiser stelde de minister op 16 februari 2026 schriftelijk in gebreke en diende op 4 maart 2026 beroep in tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is, omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. De rechtbank legt de minister op binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor te houden over de asielmotieven en binnen acht weken daarna een besluit te nemen.
Daarnaast wordt een dwangsom van € 100 per dag opgelegd voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000. De minister wordt ook veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467 vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier M.H.G.P. Tober op 23 maart 2026.