Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7982

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
6 april 2026
Zaaknummer
C/09/697531 / FA RK 26-266
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 822 RvArt. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorzieningen bij echtscheiding met toewijzing zorgregeling en alimentatie

Partijen zijn gehuwd sinds 2013 en hebben twee minderjarige kinderen, waarvan één overleden. De vrouw verzocht om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, toewijzing van de zorg over de minderjarige aan haar, en vaststelling van voorlopige kinderalimentatie en partneralimentatie. De man stemde in met het gebruik van de woning en de toewijzing van de zorg, maar maakte bezwaar tegen de alimentatie en de zorgregeling.

De rechtbank oordeelde dat het belang van het kind gediend is met het uitsluitend gebruik van de woning door de vrouw en toewijzing van de zorg aan haar. De man krijgt het recht op omgang volgens een zorgregeling met verblijf in het weekend en donderdagmiddag, waarbij de rechtbank het verzoek van de man tot overnachting op donderdag toewijst, ondanks bezwaren van de vrouw.

De rechtbank stelde de voorlopige kinderalimentatie vast op €727 per maand en de partneralimentatie op €2014 per maand, met ingang van 1 januari 2026. De verdeling van vakanties en feestdagen werd eveneens vastgesteld. De proceskosten worden door partijen zelf gedragen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw toe voor uitsluitend gebruik van de woning, toewijzing van de zorg over de minderjarige aan haar, en stelt voorlopige kinderalimentatie van €727 en partneralimentatie van €2014 per maand vast.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-266
Zaaknummer: C/09/697531
Datum beschikking: 6 maart 2026

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 11 januari 2026 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Ramsaroep te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Koudstaal te Bloemendaal.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek;
  • het F9-bericht van de vrouw van 18 februari 2026, met bijlage.
Op 20 februari 2026 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk: K.S. van Wezel;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam] namens de Raad.

Feiten

  • Partijen zijn gehuwd op [datum 1] 2013 te [plaats] .
  • Zij zijn de ouders van:
­ [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats] en overleden op [datum 2] 2024;
­ [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats] , hierna te noemen bij zijn roepnaam: [de minderjarige 2] ;
­ Partijen zijn van rechtswege gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 2] .
­ De man heeft de Nederlandse nationaliteit, de vrouw heeft de Nederlandse en de
Costa Ricaanse nationaliteit.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw strekt ertoe dat:
- de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [adres] , met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
- [de minderjarige 2] aan de vrouw wordt toevertrouwd;
- een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt vastgesteld, waarbij [de minderjarige 2] bij de vader is:
­ elke donderdag uit school tot en met het avondeten;
­ elke twee weken vanaf vrijdagmiddag uit de BSO tot en met maandagochtend naar school;
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie
van € 1.028,- per maand wordt vastgesteld, met ingang van 1 januari 2026, telkens bij vooruitbetaling te voldoen op uiterlijk de eerste van iedere maand;
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van
€ 2.014,- per maand wordt vastgesteld, met ingang van 1 januari 2026, telkens bij vooruitbetaling te voldoen op uiterlijk de eerste van iedere maand;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer tegen het verzochte uitsluitend gebruik van de woning, de kinder- en partneralimentatie en de zorgregeling, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
De man verzoekt daarnaast:
- een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt vastgesteld, waarbij [de minderjarige 2]
bij de vader is:
­ om het weekend van vrijdag tot en met maandag, waarbij de man [de minderjarige 2] ophaalt van school/BSO en hij hem op maandagochtend naar school brengt;
­ iedere donderdagmiddag uit school/BSO tot vrijdagochtend naar school;
­ zoveel vaker als [de minderjarige 2] bij de man wil en kan zijn;
- een verdeling van de vakanties en feestdagen, waarbij:
- [de minderjarige 2] zijn verjaardag viert bij de vrouw;
- kinderfeestjes in onderling overleg worden georganiseerd door beide ouders, waarbij grootouders eventueel welkom zijn en de ouders gezamenlijk een cadeau voor zijn verjaardag kopen;
- [de minderjarige 2] in de gelegenheid wordt gesteld om de andere ouder te feliciteren en naar het verjaardagsfeest van de ouder mag gaan;
- de andere ouder samen met [de minderjarige 2] zorgt voor een cadeautje voor de jarige ouder;
- de ouder bij wie [de minderjarige 2] tijdens de feestdagen verblijft, de volledige zorg voor hem heeft;
- partijen de verdeling van de vakanties en feestdagen per jaar aan het begin van het schooljaar in onderling overleg bij helfte zullen verdelen en om en om worden verdeeld;
- voor 2026 de schoolvakanties als volgt worden verdeeld:
- meivakantie 2026: bij de vrouw;
- zomervakantie 2026: de eerste drie weken bij de man en de laatste drie weken bij de vrouw;
- herfstvakantie 2026; bij de man;
- kerstvakantie 2026 en oud & nieuw: bij de man (in 2027 bij de vrouw);
- te bepalen dat het identiteitsbewijs van [de minderjarige 2] in beheer is bij de vrouw, waarbij
de vrouw het meegeeft aan de man voor een buitenlandse vakantie en te bepalen dat partijen steeds het toestemmingsformulier voor reizen zullen ondertekenen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht. De rechtbank past in deze voorlopige- voorzieningenprocedure Nederlands recht toe.
Toevertrouwing en uitsluitend gebruik echtelijke woning
De vrouw heeft allereerst verzocht om de toevertrouwing van [de minderjarige 2] aan haar en het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. De man heeft hiermee ingestemd. Hij heeft inmiddels een eigen woning gekocht, zodat de vrouw samen met [de minderjarige 2] voorlopig in de echtelijke woning kunnen verblijven. Nu ook niet is gebleken dat het belang van [de minderjarige 2] zich tegen de toevertrouwing verzet, zal de rechtbank de verzoeken toewijzen.
Zorgregeling
Zowel de vrouw als de man verzoeken om de vaststelling van een voorlopige zorgregeling. Zij zijn het daarbij eens over een verblijf van [de minderjarige 2] bij de man gedurende een weekend per twee weken van vrijdag uit de buitenschoolse opvang (BSO) tot en met maandagochtend naar school. Partijen zijn het echter niet eens over de wekelijkse donderdag. De man wil dat [de minderjarige 2] blijft slapen, waarbij de man hem op vrijdagochtend naar school brengt. De vrouw is het hiermee niet eens en wil dat [de minderjarige 2] steeds na het avondeten bij haar wordt teruggebracht. Volgens de vrouw is de woning van de man ongeschikt om [de minderjarige 2] doordeweeks te laten overnachten. Er is geen aparte slaapkamer of speelgoed voor [de minderjarige 2] en ook geen apart plekje, waar hij bijvoorbeeld zijn huiswerk kan maken. De vrouw vindt een plekje voor [de minderjarige 2] zelf in het bijzonder van belang, omdat [de minderjarige 2] vanwege het ziekteproces van zijn broer [de minderjarige 1] veelal op de tweede plek heeft gestaan.
De rechtbank overweegt als volgt. t Partijen zijn fetelijk uiteengaan op [datum 3] 2024. Zij hebben een zorgregeling getroffen waarbij [de minderjarige 2] steeds bij de man verbleef volgens de zorgregeling die door hem is verzocht. Deze regeling heeft de vrouw per december 2025 eenzijdig gewijzigd in die zin dat de doordeweekse overnachting is geschrapt. De rechtbank is evenwel van oordeel dat juist die overnachting in het belang van [de minderjarige 2] is. Het is voor het contact tussen [de minderjarige 2] de man belangrijk dat de man ook betrokken is bij de schoolgang van [de minderjarige 2] . Het halen en brengen vanuit school draagt daaraan bij. De woonsituatie bij de man is misschien niet ideaal zolang [de minderjarige 2] niet over een eigen slaapkamer beschikt, maar ruim voldoende voor [de minderjarige 2] om ook op doordeweekse dagen bij de man te overnachten. Hem komt daarin niets tekort. Daarom zal de rechtbank het verzoek van de vader toewijzen, met uitzondering van het laatste deel van zijn verzoek. Gelet op het belang van [de minderjarige 2] bij duidelijkheid en stabiliteit acht de rechtbank het niet in zijn belang om de beslissing tot meer contact tussen hem en zijn vader bij [de minderjarige 2] zelf neer te leggen. Het risico van een dergelijke afspraak is dat [de minderjarige 2] vanuit loyaliteit deze keuze niet kan maken.
Verdeling van de vakanties en feestdagen en identiteitsbewijs
De man heeft ook verzocht om een verdeling van de feestdagen en de vakanties. De vrouw heeft hiertegen geen verweer gevoerd en de rechtbank vindt de verzoeken in het belang van [de minderjarige 2] , zodat de rechtbank deze verzoeken integraal zal toewijzen als voorlopige vakantieregeling.
Het verzoek van de man om het identiteitsbewijs van [de minderjarige 2] in beheer te laten bij de vrouw en het geven van toestemming voor vakanties, zal de rechtbank afwijzen. Dit betreft geen verzoek is dat op grond van artikel 822 van Pro het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) kan worden gedaan in het kader van voorlopige voorzieningen bij echtscheiding. De ouders kunnen een dergelijke afspraak vastleggen in het ouderschapsplan.
Alimentatie
De vrouw verzoekt een voorlopige kinder- en partneralimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van de verzoeken stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. De rechtbank zal de kinder- en partneralimentatie vaststellen met ingang van 1 januari 2026, met het oog op de datum van indiening van het verzoekschrift.
Verdiencapaciteit van de vrouw
De rechtbank ziet aanleiding om vooraf in te gaan op de vraag of rekening moet worden gehouden met een verdiencapaciteit aan de kant van de vrouw, nu dit zowel ten aanzien van de kinderalimentatie als de partneralimentatie een rol speelt. Het aannemen van verdiencapaciteit vergt nader onderzoek waarvoor in deze voorlopige voorzieningenprocedure geen ruimte is. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de stelling van de man op dit punt. De rechtbank merkt daarbij nadrukkelijk op dat in de bodemprocedure de alimentatie definitief kan worden berekend en vastgesteld, waarbij de verdiencapaciteit van de vrouw één van de verschillende factoren is waarmee rekening kan worden gehouden.
Kinderalimentatie
Behoefte
Partijen zijn het erover eens dat de (basis)behoefte van [de minderjarige 2] € 880,- per maand bedroeg in 2024. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 980,- per maand. Volgens de vrouw moeten hierbij extra kosten worden opgeteld (onder andere oppaskosten en kosten voor hobby’s en school). De rechtbank is met de man van oordeel dat niet is gebleken dat deze kosten bijzondere kosten zijn, die niet al zijn verwerkt in het tabelbedrag. Er is daarom geen aanleiding om uit te gaan van een hogere behoefte, zodat in het navolgende wordt uitgegaan van een behoefte van [de minderjarige 2] van € 980,- per maand.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht vrouw
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen € 1.157,- bruto per maand, exclusief vakantiegeld, zoals dat volgt uit haar loonstrook van oktober 2025. Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
De rechtbank houdt verder rekening met:
  • de pensioenpremie van € 112,- per maand;
  • de premie WGA-hiaat en WW van in totaal € 5,- per maand.
De rechtbank zal daarbij aan de zijde van de vrouw rekening houden met het woonbudget. Zoals ook op de zitting is besproken, zal de financiële verbondenheid van partijen moeten worden onthecht en kan – gelet op haar verblijf in de echtelijke woning – van de vrouw worden verwacht dat zij hiervoor de gebruikerslasten en de helft van de eigenaarslasten voldoet.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2026 op € 1.133,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening. Bij een NBI tot € 1.950,- per maand geldt volgens de draagkrachttabel (2026) een minimale draagkracht van € 25,- per maand voor één kind. De rechtbank zal daarom deze draagkracht voor de vrouw in aanmerking nemen.
Draagkracht man
Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 11.960,- bruto per maand, exclusief vakantiegeld en te vermeerderen met een eindejaarsuitkering van € 17.035,-. Op basis van hiervan en rekening houdend met de in de berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 7.058,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat aan de zijde van de vrouw rekening is gehouden met een woonbudget en zij de gebruikerslasten en de helft van de eigenaarslasten van de echtelijke woning zal gaan dragen, ziet de rechtbank geen aanleiding om bij de man rekening te houden met een hoger bedrag dan het forfaitaire woonbudget. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat de echtelijke woning van partijen vrij is van hypotheek. Bovendien gaat het hier om een tijdelijke situatie.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 8.079,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-) gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [8.079 – (2.424 + 1.365)] = € 3.003,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 3.028,- per maand (€ 25 + € 3.003). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige 2] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 3.003 / 3.028 x 980 = € 972,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 25 / 3.028 x 980 =
€ 8,-
samen € 980,-
Van de totale behoefte van [de minderjarige 2] komt een gedeelte van € 972,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 8,- per maand komt voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
Tussen partijen is het te hanteren zorgkortingspercentage in geschil. Omdat de man gemiddeld minder dan drie dagen per week de zorg heeft voor [de minderjarige 2] , geldt een percentage van 25. De zorgkorting bedraagt dan € 245,- per maand (25% van € 980,-).
Aandeel onderhoudsplichtige
De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan € 727,- per maand (€ 972 -/- € 245). De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot dit bedrag toewijzen en voor het overige afwijzen.
Partneralimentatie
Behoefte
De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen minus de kosten van de kinderen.
De vrouw heeft gesteld dat het netto besteedbaar gezinsinkomen € 9.059,- per maand bedroeg in 2024, zoals ook volgt uit de door haar overgelegde berekening. De man heeft dit niet betwist, zodat de rechtbank hiervan uit zal gaan. Hiervan moeten de kosten van [de minderjarige 2] worden afgetrokken, zodat een bedrag van € 8.079,- per maand (€ 9.059 -/- € 880) beschikbaar was voor het levensonderhoud van partijen. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm afgerond € 4.847,- netto per maand (60% van € 8.079 per maand). Geïndexeerd naar 2026 is dit een bedrag van € 5.466,- netto per maand.
Aanvullende behoefte
Op de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 5.466,- per maand moet haar netto inkomen in mindering worden gebracht. Het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen, voor zover dit aandeel niet door het door de vrouw ontvangen KGB wordt gedekt, moet er vervolgens weer bij worden opgeteld. Dit leidt tot een aanvullende behoefte van € 4.333,- netto per maand. Dat is € 8.160,- bruto per maand.
Draagkracht man
Omdat het NBI van de man, zoals hiervoor berekend, hoger is dan € 2.200,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van zijn draagkracht volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1365)] toepassen. Net als bij de kinderalimentatie wordt hierbij rekening gehouden met een woonbudget van 30%.
Hieruit volgt een draagkracht van de man van € per maand (60% x [8.079 – (0,3 x 8.079 + 1365)]). Hierop wordt het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige 2] van € 972,- per maand in mindering gebracht. De man heeft daarom nog een draagkracht beschikbaar van € 1.602,- per maand. Gebruteerd komt dit neer op € 2.565,- per maand.
Conclusie
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot vaststelling van bijdrage aan partneralimentatie toewijzen en het een bijdrage van € 2.014,- per maand vaststellen, conform het verzoek van de vrouw.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [adres] en beveelt mitsdien dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
bepaalt dat de minderjarige Laurens ( [de minderjarige 2] ) de Goede, geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats] , aan de vrouw zal worden toevertrouwd;
bepaalt dat de man voorlopig gerechtigd is om [de minderjarige 2] bij zich te hebben:
  • iedere donderdagmiddag uit school/BSO tot vrijdagochtend naar school;
  • om het weekend van vrijdag uit school/BSO tot maandagochtend naar school;
bepaalt een voorlopige verdeling van de vakanties en feestdagen, waarbij:
  • [de minderjarige 2] zijn verjaardag viert bij de vrouw;
  • kinderfeestjes in onderling overleg worden georganiseerd door beide ouders, waarbij grootouders eventueel welkom zijn en de ouders gezamenlijk een cadeau voor zijn verjaardag kopen;
  • [de minderjarige 2] in de gelegenheid wordt gesteld om de andere ouder te feliciteren en naar het verjaardagsfeest van de ouder mag gaan;
  • de andere ouder samen met [de minderjarige 2] zorgt voor een cadeautje voor de jarige ouder;
  • de ouder bij wie [de minderjarige 2] tijdens de feestdagen verblijft, de volledige zorg voor hem heeft;
  • partijen de verdeling van de vakanties en feestdagen per jaar aan het begin van het schooljaar in onderling overleg bij helfte zullen verdelen en de vakanties om en om worden verdeeld, maar waarbij de schoolvakanties voor 2026 als volgt worden verdeeld:
­ meivakantie 2026: bij de vrouw;
­ zomervakantie 2026: de eerste drie weken bij de man en de laatste drie weken bij de vrouw;
­ herfstvakantie 2026; bij de man;
­ kerstvakantie 2026 en oud & nieuw: bij de man (in 2027 bij de vrouw);
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 1 januari 2026 voorlopig een kinderalimentatie van € 727,- per maand ten behoeve van [de minderjarige 2] zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 januari 2026 voorlopig een partneralimentatie van € 2.014,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026.