Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7981

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
6 april 2026
Zaaknummer
C/09/678532 / FA RK 25-263
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:100 BWArt. 1:102 BWArt. 3:182 BWArt. 6:10 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met partneralimentatie en verdeling huwelijksgemeenschap

Partijen zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen sinds 1997 en zijn feitelijk uit elkaar sinds april 2023. De vrouw verzoekt echtscheiding met nevenvoorzieningen waaronder partneralimentatie, verdeling van de huwelijksgemeenschap en pensioenrechten. De man verzet zich deels tegen de hoogte van de alimentatie en de verdeling.

De rechtbank stelt vast dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en wijst de echtscheiding toe. Het huurrecht van de echtelijke woning wordt aan de man toegewezen, aangezien de vrouw de woning heeft verlaten en geen bezwaar maakt. De partneralimentatie wordt vastgesteld op €1.129 bruto per maand, gebaseerd op een gematigde behoeftetoets waarbij rekening is gehouden met de feitelijke woonsituatie van de vrouw bij haar ouders en haar uitkeringen.

De verdeling van de huwelijksgemeenschap vindt plaats conform wettelijke regels voor huwelijken gesloten voor 2018, met een peildatum van 13 januari 2025. De vrouw ontvangt een bedrag wegens overbedeling en haar inboedel, de man krijgt zijn persoonlijke zaken terug indien aanwezig, en de bankrekeningen worden bij helfte verdeeld. De schuld bij Santander wordt gelijkelijk gedragen. Het tijdens het huwelijk opgebouwde Surinaamse pensioen wordt bij helfte verdeeld, waarbij de man verplicht wordt informatie te verstrekken en betalingen te doen op een rekening van de vader van de vrouw.

Beide partijen dragen hun eigen proceskosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en uitgesproken op 6 maart 2026.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken met partneralimentatie van €1.129 bruto per maand en verdeling van huwelijksgemeenschap en pensioenrechten.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-263 (echtscheiding)
FA RK 25-5346 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/678532 (echtscheiding)
C/09/688508 (verdeling)
Datum beschikking: 6 maart 2026

Scheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 13 januari 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.B. Peters te Zoetermeer.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. de Bluts te Zoetermeer.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens zelfstandige verzoekschriften;
  • het verweer tegen de zelfstandige verzoeken tevens aanvullende verzoeken;
  • het betekeningsexploot, overgelegd bij F9-formulier van 17 januari 2025 van de zijde van de vrouw;
  • het F9-formulier van 1 april 2025 van de zijde van de vrouw, met aanvullende verzoeken;
  • het F9-formulier van 26 januari 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 28 januari 2026 van de zijde van de man, met bijlagen.
Op 6 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw bijgestaan door haar advocaat;
  • de man bijgestaan door zijn advocaat.
Door de advocaat van de man zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

  • Partijen zijn gehuwd op [datum] 1997 te [plaats] .
  • Partijen zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen.
  • Deze rechtbank heeft op 18 december 2024 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende:
  • dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [adres] , en beveelt mitsdien dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
  • bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van heden voorlopig een partneralimentatie van € 1.869,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:
  • vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 1.951,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
  • vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform
het voorstel van de vrouw zoals weergegeven in haar akte van 1 april 2025 onder randnummers 1 t/m 4 en zoals weergegeven in haar verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken onder randnummer 4, tevens te bepalen dat de man een dwangsom is verschuldigd van € 500,- per dag of per keer dat hij zal nalaten te voldoen aan de beschikking van de rechtbank waarin staat vermeld op welke wijze de huwelijksgoederen gemeenschap dient te worden ontbonden, zulks na betekening van de beschikking, zulks tot een maximum van € 50.000,-, althans een zodanige dwangsom op te leggen met een zodanig maximum welk de rechtbank juist acht;
- vaststelling dat de vrouw recht heeft op 50% van het Surinaams pensioenbedrag waarop de man aanspraak maakt voor zover dit over de huwelijkse periode is opgebouwd en dat met terugwerkende kracht, dat wil zeggen vanaf 1 januari 2024 maandelijks rechtstreeks het aandeel van de vrouw door de man wordt overgemaakt naar een rekening te weten DSB Spaarrekening SRD t.n.v. [naam] , rekeningnummer: [rekeningnummer] en te gelasten dat de man al die documenten verstrekt aan de hand waarvan het aandeel van de vrouw in dat pensioen kan worden vastgesteld;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform
het voorstel van de man onder punt 48, 49 en 50 van zijn verweerschrift;
  • toedeling aan de man van het huurrecht van de echtelijke woning;
  • bepaling dat de vrouw aan de man maandelijks een bedrag van € 137,- betaalt zijnde de helft van de maandelijkse aflossing van de schuld aan Santander;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert – onder referte van de echtscheiding en het huurrecht – verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.
Echtscheiding
De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Huurrecht
De vrouw heeft de woning inmiddels verlaten en maakt geen bezwaar tegen toewijzing van het huurrecht van de echtelijke woning aan de man. De rechtbank zal het huurrecht van de woning daarom aan de man toewijzen.
Partneralimentatie
Behoefte en aanvullende behoefte vrouw
Niet in geschil is dat partijen feitelijk in april 2023 uiteen zijn gegaan.
De vrouw is bij de berekening van haar behoefte uitgegaan van dezelfde gegevens als in de voorlopige voorzieningenprocedure. De vrouw heeft gesteld dat haar inkomen in 2023 bestond uit een WIA-uitkering van € 6.391,- bruto per jaar en een ZW-uitkering van € 17.080,- bruto per jaar. De vrouw heeft verder gesteld dat zij niet beschikt over inkomensgegevens van de man van 2023 en 2024. Zij heeft begrepen dat de man sinds 2023 werkzaam is bij de gemeente Den Haag en dat zijn inkomen € 6.300,- bruto per maand bedraagt, exclusief IKB. Daarnaast heeft de man volgens de vrouw een pensioenuitkering uit Suriname. Zij schat deze uitkering op een bedrag van € 1.000,- bruto per maand. Uitgaande van deze uitgangspunten heeft de vrouw haar netto behoefte gesteld op € 4.068,- per maand. Rekening houdend met haar uitkering komt zij uit op een resterende behoefte van € 2.903,- netto per maand.
Daarnaast heeft de vrouw behoeftelijsten overgelegd. Eén lijst ziet op de situatie dat zij bij haar ouders verblijft en één lijst ziet op de situatie dat zij eigen woonruimte heeft.
De man betwist de behoefte van de vrouw. De man stelt zich primair op het standpunt dat de Hofnorm van toepassing is, mits uitgegaan wordt van uitsluitend het inkomen van de man in het eerste half jaar van 2023. Subsidiair stelt de man zich op het standpunt dat de Hofnorm van toepassing is, mits uitgegaan wordt van uitsluitend het inkomen van de man over geheel 2023. Daarnaast heeft de man verschillende posten op de twee behoeftelijsten van de vrouw betwist.
Volgens de man kan de Hofnorm alleen worden toegepast als uitsluitend rekening wordt gehouden met zijn inkomen en niet met dat van beide partijen. De man licht dit als volgt toe. De man stelt dat hij ten tijde van het uiteengaan van partijen een WW-uitkering ontving van € 3.394,- bruto per maand. Deze uitkering liep door tot december 2023. De man stelt verder dat hij niet op de hoogte was van het feit dat de vrouw in 2022/2023 een uitkering ontving. Volgens de man heeft de vrouw zonder zijn medeweten een eigen bankrekening geopend waarop de uitkering werd gestort. De uitkering werd volgens de man voor eigen doeleinden van de vrouw gebruikt, zodat voor de behoeftebepaling van de vrouw enkel uitgegaan moet worden van genoemde WW-uitkering van de man.
De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw dient als verzoekster van partneralimentatie haar behoefte concreet aan de hand van kosten en reëel te verwachten uitgaven te onderbouwen. Naar het oordeel van de rechtbank is de Hofnorm niet het uitgangspunt als partijen het over de toepassing daarvan niet eens zijn. Omdat de man gemotiveerd heeft aangevoerd dat de behoefte van de vrouw in dit geval niet op de gebruikelijke manier volgens de Hofnorm kan worden vastgesteld, zal de rechtbank de behoefte beoordelen op basis van de overgelegde behoeftelijsten.
De rechtbank sluit daarbij aan bij de behoeftelijst van de vrouw die uitgaat van de situatie waarin zij bij haar ouders inwoont. Anders dan in de voorlopige voorzieningen is geoordeeld, acht de rechtbank het niet redelijk om uit te gaan van een behoeftelijst gebaseerd op een eigen woning. Inmiddels is duidelijk dat daarvan geen sprake is. Bovendien verwacht de rechtbank niet dat de vrouw op korte termijn kosten zal maken voor eigen woonruimte, nu zij al meer dan twee jaar (en bijna 3 jaar) bij haar ouders woont. Daarbij weegt mee dat de ouders van de vrouw regelmatig voor langere tijd in (hun tweede huis in) Suriname verblijven, waardoor de vrouw regelmatig de woning voor zichzelf heeft. De rechtbank zal daarom uitgaan van de behoeftelijst waarbij de vrouw bij haar ouders inwoont.
Dat de vrouw bij haar ouders inwoont, betekent niet dat zij daar kosteloos verblijft. De rechtbank zal daarom rekening houden met een bedrag van € 675,- per maand, ongeveer gelijk aan sociale huur. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het bedrag van € 300,- per maand dat de vrouw aan haar dochter betaalt. De vrouw staat namelijk op het adres van haar dochter ingeschreven en de dochter ontvangt daardoor minder toeslag.
Ten aanzien van de schuld bij Santander is tijdens de zitting gebleken dat deze schuld per 1 september 2026 is afgelost. De rechtbank zal hier nu nog rekening mee houden, maar per 1 september 2026 dient deze post niet meer te worden meegenomen bij de behoefte van de vrouw.
De man heeft de post van € 469,- aan (waterschaps)belasting betwist. Volgens hem is dit bedrag per jaar en niet per maand. De rechtbank volgt de man zijn standpunt en zal dit (jaarlijkse) bedrag omrekenen naar een maandbedrag. Dat komt neer op € 39,- per maand aan (waterschaps-)belasting.
Ook de kosten voor het mobiele abonnement van € 27,- per maand zijn door de man betwist. De man acht een bedrag van € 12,- per maand redelijk, omdat hij zelf niet meer betaalt dan dat. De rechtbank ziet geen aanleiding om het opgevoerde bedrag te verlagen en houdt daarom rekening met een bedrag € 27 per maand, nu dit niet onredelijk wordt geacht.
De vrouw stelt verder dat zij maandelijks € 765,- kwijt is aan boodschappen. De man betwist dit bedrag en stelt dat dit bedrag overdreven hoog is. Hij wijst erop dat de vrouw in haar echtscheidingsverzoek nog uitging van € 300,- per maand en acht dat bedrag redelijk. De rechtbank is van oordeel dat een bedrag van € 765,- te hoog is. Wel houdt de rechtbank rekening met de gestegen prijzen door inflatie en stelt het bedrag vast op € 400,- per maand.
De man heeft ook de post van € 80,- aan kleding betwist. Volgens hem is € 60,- per maand redelijk. Dat was ook het bedrag dat de vrouw eerder zelf had genoemd, maar zij heeft dit later verhoogd naar € 80,- per maand. De rechtbank acht € 80,- per maand niet onredelijk en zal met dat bedrag rekening houden.
Nu de man geen bezwaar heeft tegen de kosten van de zorgverzekering van € 209,- per maand en het eigen risico van € 38,50,- per maand, zal de rechtbank rekening houden met deze bedragen.
De man betwist de kosten ten aanzien van het openbaar vervoer en de brandstof voor de auto. Volgens hem zijn deze kosten te hoog. De vrouw heeft geen werk, ontvangt een uitkering en beschikt niet over een auto. Daarnaast woont ze bij haar ouders. Volgens de man maakt zij daarom nauwelijks reiskosten en is een bedrag van € 100,- per maand redelijk. De rechtbank volgt de man hierin. Gelet op het feit dat de vrouw geen werk heeft en geen auto bezit, acht de rechtbank het redelijk om uit te gaan van € 100,- per maand aan reiskosten.
De man heeft ook geen bezwaar tegen de kosten van de schadeverzekering van € 14,90,- per maand en de levensverzekering van € 36,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden.
De man betwist het bedrag van € 70,- per maand voor de kapper. Volgens hem is een bedrag van € 60,- per maand redelijk, zoals de vrouw eerder ook had opgevoerd. De rechtbank acht een bedrag van € 70,- per maand niet onredelijk en zal met dat bedrag rekening houden.
Ten aanzien van de post reservering (voor onderhoud en inboedel) van € 500,- per maand en de post sparen van € 120,- per maand, heeft de man eveneens bezwaar gemaakt. Volgens de man heeft de vrouw recht op de helft van de inboedel waardoor zij hiervoor geen geld hoeft te reserveren. Daarnaast is het sparen voor bijvoorbeeld vakanties volgens de man niet behoefte verhogend. De rechtbank is het met de man eens dat de opgevoerde bedragen te hoog zijn. Zij acht het redelijk om de posten te matigen naar € 200,- per maand.
De man heeft de post abonnementen van € 44,50,- niet specifiek betwist, zodat de rechtbank daarmee rekening mee zal houden.
Met inachtneming van het voorgaande komt de rechtbank uit op een behoefte van de vrouw van (afgerond) € 2. 370,- per maand.
Blijkens de door de vrouw overgelegde bijlage J heeft de vrouw een WIA-uitkering van € 2.348,- bruto per maand. Blijkens de aangehechte draagkrachtberekening komt dit neer op een bedrag van € 1.768,- netto per maand. Dit betekent dat de aanvullende behoefte van de vrouw € 602,- netto per maand bedraagt, te weten € 1.129,- bruto per maand.
Draagkracht man
Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 80.362,- bruto per jaar. De rechtbank gaat hierbij uit van de jaaropgave 2025.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI op € 4.506,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Op basis van de formule 60% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] bedraagt de draagkracht van de man € 1.073,- netto per maand. te weten € 1.718,- bruto per maand.
Ingangsdatum
De rechtbank zal de ingangsdatum van de partneralimentatie in het onderhavige geval vaststellen op de datum van deze beschikking.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank bepalen dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw een bedrag van € 1.129,- bruto per maand aan partneralimentatie dient te voldoen.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Gesteld noch gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Partijen zijn gehuwd op [datum] 1997 waardoor moet worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke algehele gemeenschap van goederen bestaat. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de ontbonden huwelijksgemeenschap bij helfte wordt verdeeld, nu het huwelijk is gesloten voor 1 januari 2018 (artikel 1:100 BW Pro).
Peildatum
Voor het vaststellen van de omvang van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap geldt de datum van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank, namelijk 13 januari 2025. Als peildatum voor de waardering van de te verdelen goederen geldt in beginsel de datum van verdeling, tenzij de man en de vrouw anders overeenkomen of op basis van de redelijkheid en billijkheid daarvan moet worden afgeweken.
Partijen hebben gesteld dat de volgende vermogensbestanddelen in de ontbonden huwelijksgemeenschap vallen:
inboedel Nederland;
persoonlijke zaken van de man;
bankrekeningen;
schuld Santander.
Ad 1. De inboedel in Nederland
Tijdens de zitting hebben partijen afgesproken dat de vrouw de goederen die zijn vermeld op haar lijst (bijlage 6) bij de man mag ophalen. Nu de man niet wil dat de vrouw de woning betreedt, is afgesproken dat de meerderjarige zoon en dochter van partijen dit zullen regelen. Zij zullen ervoor zorgen dat deze uiterlijk binnen twee weken na de beschikking uit de woning van de man worden meegenomen en aan de vrouw worden overhandigd.
Daarnaast zijn partijen overeengekomen dat de vrouw een bedrag van € 450,- van de man ontvangt wegens overbedeling. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Ad. 2. Persoonlijke zaken man
De man stelt dat hij persoonlijke goederen heeft opgeslagen in de woning van de ouders van de vrouw in Suriname en dat hij deze terug wenst te ontvangen. De vrouw heeft betwist dat de door de man bedoelde spullen daar nog aanwezig zijn. Volgens haar zijn deze goederen er niet meer. Zij heeft daarbij opgemerkt dat het de man vrijstaat om zelf in de garage van haar ouders te gaan kijken.
Tijdens de zitting hebben partijen afgesproken dat, indien de betreffende spullen nog aanwezig blijken te zijn, het de man, dan wel zijn zus, vrijstaat om deze bij de ouders van de vrouw in Suriname op te halen. De rechtbank zal aldus beslissen dat de persoonlijke goederen, indien nog aanwezig, aan de man worden toebedeeld.
Ad 3. Bankrekeningen
Ten aanzien van het verdelen van de saldi op de bankrekeningen geldt als peildatum 13 januari 2025. Partijen dienen elkaar inzage te geven van de saldi op de rekeningen per peildatum. Ieder behoudt zijn of haar eigen bankrekening(en), onder de verplichting om de saldi per peildatum bij helfte te verdelen.
Ad 4. Schuld Santander
De rechtbank stelt voorop dat schulden niet voor verdeling in aanmerking komen nu een schuld geen goed is als bedoeld in artikel 3:182 BW Pro. Voorop staat bovendien dat het niet mogelijk is door verdelingshandelingen wijzigingen aan te brengen in de in artikel 1:102 BW Pro neergelegde aansprakelijkheid van partijen jegens schuldeisers. In de onderlinge verhouding tussen partijen dient ieder van hen voor de helft bij te dragen in de schuld tenzij daaromtrent anders wordt overeengekomen (artikel 1:100 BW Pro). Indien, ten slotte, één van partijen, daartoe aangesproken door de schuldeiser, meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem aangaat, heeft hij voor het meerdere een regresrecht op de andere partij (artikel 6:10 BW Pro).
De rechtbank overweegt dat de vrouw voor de helft dient bij te dragen in de schuld bij Santander. Zij voldoet thans maandelijks een bedrag van € 137,- (de helft van de schuld) en dient deze betalingen voort te zetten.
Pensioen (Surinaams)
De vrouw stelt dat zij recht heeft op de helft van het pensioen van de man, omdat dit tijdens de huwelijkse periode is opgebouwd. Zij heeft echter geen inzage in de documentatie omtrent het pensioen en weet daarom niet precies welk bedrag de man maandelijks ontvangt. Bovendien lukt het de vrouw niet toegang te krijgen tot de gemeenschappelijke Surinaamse bankrekening.
De man is bereid het tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen met de vrouw te delen. Volgens hem ontvangt hij € 240,- per maand aan opgebouwd pensioen. Dit bedrag wordt maandelijks op een gemeenschappelijke Surinaamse bankrekening uitgekeerd. Volgens de man kan de vrouw over deze rekening beschikken.
Partijen zijn het in principe eens dat het tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen vanaf het moment van verkrijging bij helfte verdeeld dient te worden. Nu niet precies bekend is wanneer de man zijn eerste pensioen heeft ontvangen en wat de exacte hoogte is, dient de man hierover inzicht te verschaffen. De rechtbank overweegt dat de man deze informatie binnen twee weken na de beschikkingsdatum aan de vrouw moet verstrekken.
Daarnaast is afgesproken dat, nu het de vrouw niet lukt toegang te krijgen tot de gemeenschappelijke Surinaamse bankrekening, de man de helft van het pensioenbedrag op de rekening van de vader van de vrouw in Suriname zal storten. Tevens dient het bedrag dat vanaf het moment van verkrijging tot op heden aan de vrouw toekomt, eveneens op de rekening van de vader van de vrouw te worden overgemaakt.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank bepalen dat beide partijen elk de eigen proceskosten dragen.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen gehuwd op [datum] 1997 te [plaats] ;
*
bepaalt dat de man met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurder zal zijn van de woonruimte aan de [adres] ;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een partneralimentatie van € 1.129,- bruto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
stelt de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
de inboedel in Nederland: de vrouw ontvangt een bedrag van € 450,- van de man wegens overbedeling, en de vrouw krijgt de spullen uit bijlage 6 toegedeeld;
de persoonlijke zaken van de man: de persoonlijke zaken van de man worden (indien nog aanwezig) toegedeeld aan de man;
de bankrekeningen: ieder behoudt zijn of haar eigen bankrekening(en), onder de verplichting om de saldi per peildatum (13 januari 2025) bij helfte te verdelen;
de schuld bij Santander: ieder der partijen is voor de helft van de schuld bij Santander draagplichtig;
*
bepaalt dat de man binnen twee weken na de beschikkingsdatum aan de vrouw informatie verstrekt omtrent de datum van de verkrijging van het pensioen en de hoogte van het pensioen;
*
bepaalt dat de man de helft van het pensioenbedrag op de rekening van de vader van de vrouw in Suriname zal storten, waarbij de man tevens het bedrag dat aan de vrouw toekomt vanaf het moment van de verkrijging van het pensioen tot op heden op de rekening van de vader van de vrouw overmaakt;
*
en verklaart deze vaststelling uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Visser, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Visser als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 6 maart 2026.