Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7968

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
6 april 2026
Zaaknummer
C/09/678367 / FA RK 25-181
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 RvArt. 10:6 BWArt. 10:95 BWArt. 10:97 BWArt. 1:207 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtelijke vaststelling vaderschap en toewijzing gezamenlijk gezag over minderjarige

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de man tot vervangende toestemming voor erkenning van een minderjarige en het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. De vrouw, moeder van het kind, stemde in met erkenning en gezamenlijk gezag. De minderjarige is geboren uit de vrouw, die ten tijde van de geboorte getrouwd was met een ander, van wie het vaderschap ontkend is.

De rechtbank oordeelde dat het Poolse recht, dat erkenning door de man beperkt en geen vervangende toestemming kent, buiten beschouwing moet worden gelaten wegens strijd met de Nederlandse openbare orde en het EVRM. De erkenning kon echter niet worden geformaliseerd vanwege het ontbreken van een Poolse echtscheidingsakte, waardoor het verzoek tot vervangende toestemming werd afgewezen wegens gebrek aan belang.

De rechtbank stelde het vaderschap van de man gerechtelijk vast op basis van DNA-onderzoek en het belang van het kind. Tevens werd het gezamenlijk gezag over de minderjarige aan de man en de vrouw toegewezen, aangezien zij reeds gezamenlijk beslissingen namen en geen risico op conflicten werd geconstateerd. De werkzaamheden van de bijzondere curator werden beëindigd.

Uitkomst: Het vaderschap van de man wordt gerechtelijk vastgesteld en het gezamenlijk gezag over de minderjarige wordt aan de man en de vrouw toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-181
Zaaknummer: C/09/678367
Datum beschikking: 6 maart 2026
Vervangende toestemming erkenning c.q. gerechtelijke vaststelling vaderschap en gezag

Beschikking op het op 2 januari 2025 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. B. Wernik te Haarlem.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw dan wel de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. B. Beekman te Noordwijk,

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats 1] ,

de minderjarige, hierna: [de minderjarige] ,
in rechte vertegenwoordigd door A.A.G Balkenende, advocaat te Katwijk,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verslag van 11 maart 2025, van de bijzondere curator.
  • het e-mailbericht met de brief van 20 maart 2025, van de vrouw.
  • het F9-formulier van 8 april 2025, van de man.
Op 6 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan haar advocaat en tolk K. Ghanmi;
  • de bijzondere curator;
  • [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Op de zitting zijn door de bijzondere curator nadere stukken overgelegd.

Feiten

  • De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad.
  • Uit de vrouw is [de minderjarige] geboren.
  • De vrouw was ten tijde van de geboorte van [de minderjarige] getrouwd met [naam 2] .
  • [de minderjarige] is niet erkend.
  • De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .
  • De vrouw en [de minderjarige] hebben de Poolse nationaliteit en de man heeft de Nederlandse nationaliteit.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 22 december 2023 is – onder andere – gegrond verklaard het verzoek van de bijzondere curator namens [de minderjarige] tot ontkenning van het vaderschap van [naam 2] , geboren op [geboortedatum 2] 1993 te [geboorteplaats 2] , [land] .
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 18 februari 2025 is mr. A.A.G. Balkenende voornoemd, wederom benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige ingevolge artikel 1:212 van Pro het Burgerlijke Wetboek (BW) te vertegenwoordigen.

Verzoek en verweer

De man verzoekt – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad –:
  • hem vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van [de minderjarige] ;
  • de man naast de vrouw gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige] te belasten.
De vrouw stemt in met de verzoeken.
De bijzondere curator verzoekt
primairom het vaderschap van de man gerechtelijk vast te stellen, en
subsidiairom het verzoek van de man hem vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] te erkennen, toe te wijzen.

Beoordeling

Vervangende toestemming erkenning
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Op grond van artikel 3 sub a Rv Pro komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe, nu de vrouw, [de minderjarige] en de man hun woonplaats in Nederland hebben.
Op grond van artikel 10:95 lid 1 BW Pro wordt de vraag of erkenning door de man familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen hem en een kind, wat betreft de bevoegdheid van de man en de voorwaarden voor erkenning, bepaald door het recht van de nationaliteit van de man. Indien volgens dat recht erkenning niet (meer) mogelijk is, is het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind bepalend. Is de erkenning ook volgens dat recht niet of niet meer mogelijk, dan is bepalend het recht van de staat waarvan het kind de nationaliteit bezit.
De man heeft de Nederlandse nationaliteit, zodat Nederlands recht zal worden toegepast op de erkenning door de man.
Op grond van artikel 10:95 lid 3 BW Pro is op de toestemming tot erkenning van de moeder, onderscheidenlijk het kind, het recht van de staat van toepassing waarvan de moeder, onderscheidenlijk het kind, de nationaliteit bezit. Indien het toepasselijk recht de erkenning niet kent, is toepasselijk het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de moeder, onderscheidenlijk het kind. Het op de toestemming toepasselijk recht bepaalt tevens of bij gebreke van toestemming deze kan worden vervangen door een rechterlijke beslissing.
Op grond van artikel 73 van Pro het Poolse Familie- en Voogdijwetboek moet de man die het kind erkent (in beginsel) de biologische vader van het kind zijn. Toestemming van de moeder is noodzakelijk voor erkenning. Het Poolse recht kent geen vervangende toestemming tot erkenning.
Het voorgaande houdt in dat de man geen rechtsingang zou hebben voor zijn verzoek. Met de bijzondere curator is de rechtbank van oordeel dat deze bepaling in het Poolse recht als strijdig met de Nederlandse openbare orde terzijde moet worden geschoven. Indien dit anders zou zijn zou dat betekenen dat als een moeder daaraan niet meewerkt de biologische werkelijkheid niet in overeenstemming kan worden gebracht met de juridische. Dit is in strijd is met artikel 8 EVRM Pro, nu dit het recht op bescherming van zijn ‘private life’ raakt en tot gevolg heeft dat er geen familierechtelijke betrekkingen tot stand kunnen komen tussen de biologische vader en een kind. Op grond van artikel 10:6 BW Pro wordt het toepasselijke Poolse recht daarom buiten beschouwing gelaten en wordt het verzoek vervangende toestemming erkenning beoordeeld naar Nederlands recht.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt. De man verzoekt de rechtbank vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] te mogen erkennen. De vrouw stemt er echter mee in om samen met de man gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] uit te oefenen. De toestemming van de vrouw hoeft dus niet vervangen te worden door die van de rechtbank. Ook is voldoende aannemelijk dat de vrouw haar medewerking wenst te verlenen aan de erkenning van [de minderjarige] door de man. De man en de vrouw zijn om dit te bewerkstelligen naar de gemeente gegaan. Echter, partijen ondervinden bij het formaliseren van de erkenning problemen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand, omdat de vrouw de vereiste echtscheidingsakte uit Polen niet kan overleggen. Dat heeft tot gevolg dat zij de erkenning van [de minderjarige] door de man niet kunnen bewerkstelligen. Vervangende toestemming van de rechtbank lost dat probleem echter niet op. Indien de rechtbank vervangende toestemming aan de man zou verlenen om [de minderjarige] te erkennen, is te voorzien dat partijen er opnieuw tegenaan zullen lopen dat de Poolse echtscheidingsakte ontbreekt. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de man afwijzen bij gebrek aan belang.
Gerechtelijke vaststelling ouderschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Op grond van artikel 3 sub a Rv Pro komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe, nu de vrouw, [de minderjarige] en de man hun woonplaats in Nederland hebben.
Op grond van artikel 10:97 lid 1 BW Pro wordt de vraag of en onder welke voorwaarden ouderschap van de biologische vader gerechtelijk kan worden vastgesteld bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de biologische vader en de moeder of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat waar de biologische vader en de moeder elk hun gewone verblijfplaats hebben of, indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Bezitten de biologische vader en de moeder meer dan een gemeenschappelijke nationaliteit, dan worden zij geacht geen gemeenschappelijke nationaliteit te bezitten. Bepalend is het tijdstip van de indiening van het verzoek.
Ten tijde van de indiening van het verzoek hadden de man en de vrouw geen gemeenschappelijke nationaliteit, namelijk de vrouw de Poolse en de man de Nederlandse. De biologische vader en de moeder woonden ten tijde van de indiening van het verzoek in Nederland, zodat Nederlands recht van toepassing is op het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap.
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 1:207 lid 1 BW Pro kan het ouderschap van een persoon op de grond dat deze de verwekker is van het kind door de rechtbank worden vastgesteld op verzoek van:
a. de moeder, tenzij het kind de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt;
b. het kind.
Voor het kind is aan een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap geen termijn verbonden. De bijzondere curator is daarom ontvankelijk in dit namens [de minderjarige] ingediende verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
Uit het overgelegde rapport van DNA-onderzoek blijkt dat praktisch is bewezen dat de man de biologische vader is van [de minderjarige] .
De man en de vrouw hebben ingestemd met het verzoek van de bijzondere curator.
De rechtbank is niet gebleken van overige bezwaren als bedoeld in artikel 1:207 BW Pro.
Gelet op het voorgaande en omdat de rechtbank het – evenals de bijzondere curator –in het belang vindt van [de minderjarige] om te kunnen nagaan van wie hij afstamt en dat dit ook wordt gedocumenteerd, zal het verzoek van de bijzondere curator tot gerechtelijke vaststelling worden toegewezen.
Bijzondere curator
Uit de te nemen beslissingen volgt dat vertegenwoordiging van [de minderjarige] door de bijzondere curator niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure daarom als beëindigd.
Gezag
Op grond van artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijke Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Het verzoek wordt op grond van artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien a) er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem of verloren zal raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen, of b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Partijen hebben op de zitting beiden aangevoerd dat zij beslissingen ten aanzien van [de minderjarige] de afgelopen jaren altijd al gezamenlijk hebben genomen, ondanks dat de vader geen gezag over hem had. Partijen zijn het er bovendien over eens dat zij gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] ook in de toekomst wensen uit te oefenen. Gelet hierop en omdat de rechtbank van oordeel is dat er geen sprake is van één van de bovengenoemde afwijzingsgronden zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen.
Op de zitting hebben partijen afgesproken dat de geslachtsnaam van [de minderjarige] zal worden gewijzigd in die van de man. De ouders dienen hiervoor zelf een aanvraag in te dienen bij Justis. Deze afspraak leent zich niet voor opname in het dictum van deze beschikking.

Beslissing

De rechtbank:
*
stelt vast het vaderschap van: [de man] , geboren op [geboortedatum 3] 1980 te [geboorteplaats 3] ,
over:
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 te [geboorteplaats 1] ,
uit:
[de vrouw] , geboren op [geboortedatum 4] 1994 te [geboorteplaats 4] , [land] ;
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
*
bepaalt dat voortaan aan de man en de vrouw gezamenlijk het gezag zal toekomen over [de minderjarige] ;
*
verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, kinderrechter, bijgestaan door mr. S.A.L. Niemantsverdriet als griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 6 maart 2026.