Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7916

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 april 2026
Zaaknummer
C/09/673757 / FA RK 24-7250
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 sub a Brussel II bis-verordening (nr. 2019/1111)Art. 10:56 BWArt. 815 lid 2 RvArt. 223 RvArt. 3 Protocol van 23 november 2007 inzake onderhoudsverplichtingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met zorgregeling en afwijzing verzoek tot prestation compensatoire

De rechtbank Den Haag heeft op 5 maart 2026 uitspraak gedaan in een echtscheidingszaak tussen een vrouw met Franse nationaliteit en een man met Canadese nationaliteit, gehuwd in 2017 in het buitenland. Partijen zijn ouders van een minderjarige geboren in 2019, die momenteel bij de vrouw verblijft. De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw vastgesteld.

De zorgregeling is zodanig vastgesteld dat de minderjarige de ene week van woensdag na school tot zondag 15:00 uur bij de man verblijft en de andere week van woensdag na school tot donderdag naar school. De rechtbank heeft rekening gehouden met de slaapstoornis van de man en het belang van rust en stabiliteit voor het kind. Daarnaast zijn afspraken gemaakt over vakanties, feestdagen en telefonisch contact tijdens vakanties.

De man had verzocht om een prestatie compensatoire van €50.000,- op grond van het Franse recht, stellende dat hij carrièreverlies had geleden door gezamenlijke keuzes tijdens het huwelijk. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen omdat onvoldoende is aangetoond dat er sprake is van inkomensongelijkheid die voortvloeit uit gezamenlijke keuzes. De kinderalimentatie is vastgesteld op €859,98 per maand vanaf 1 januari 2026, gebaseerd op de werkelijke kosten van het kind en de reeds betaalde bedragen.

Verder is bepaald dat partijen niets meer van elkaar te vorderen hebben uit hoofde van de huwelijkse voorwaarden en dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. Het verzoek van de man om vervangende toestemming voor schoolkeuze is afgewezen, waarbij de rechtbank het belang van continuïteit voor het kind heeft benadrukt.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, hoofdverblijfplaats bij moeder vastgesteld, zorgregeling en kinderalimentatie geregeld, verzoek prestatie compensatoire afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-7250
Zaaknummer: C/09/673757
Datum beschikking: 5 maart 2026

Scheiding

Beschikking op het op 8 oktober 2024 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N.P.J.M. Kreté-Marres te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
volgens de Registratie Niet Ingezetenen (RNI) geëmigreerd naar het buitenland,
advocaat: mr. S.J. Hasselaar-Veltkamp te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 8 oktober 2024;
  • het bericht van 8 november 2024, met bijlage, van de vrouw;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift van de man, ingekomen op 15 januari 2025;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek tevens aanvullend verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 18 februari 2025;
- het verweerschrift op het aanvullend verzoekschrift van de man, ingekomen op 3 juli 2025;
- het bericht van 15 december 2025, met bijlagen, van de man;
- het bericht van 15 december 2025 van de vrouw;
- het bericht van 8 januari 2026, met bijlage van de vrouw;
- het gewijzigde verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 15 januari 2026;
- het aanvullend/gewijzigd zelfstandig verzoekschrift van de man, ingekomen op 19 januari 2026;
- het bericht van 21 januari 2026, met bijlagen, van de vrouw.
Op 27 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en een tolk, mevrouw K.S. van Wezel, de man met zijn advocaat en een tolk mevrouw L.S. Greveraars-Volkova en [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Door de advocaat van de man zijn pleitnotities overgelegd.
Na de zitting is het volgende stuk ontvangen:
- het bericht van 30 januari 2026, met bijlagen, van de man.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2017 te [plaats 1] , [land] .
- Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] .
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
- [minderjarige] verblijft op dit moment bij de vrouw.
- De vrouw heeft de Franse nationaliteit en de man heeft de Canadese nationaliteit.

Verzoek en verweer

Het verzoek zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
-
primairbepaling dat het ouderschapsplan deel uitmaakt van de beschikking;
subsidiairindien de man kan aantonen dat hij langdurig, zijnde tenminste zes maanden aaneengesloten in [plaats 2] werkt dan wel verblijft, vaststelling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige] , in die zin dat [minderjarige] bij de man is:
- gedurende de schoolweken wekelijks van woensdagmiddag na school dan wel BSO tot donderdagochtend naar school dan wel als er geen school is tot 09:00 uur;
- eenmaal per veertien dagen van vrijdag na school dan wel na de BSO tot zondag 17:00 uur;
- bepaling dat de vrouw [minderjarige] tijdens haar vakantie met de man eenmaal per week mag bellen op woensdag om 18:00 uur Nederlandse tijd;
- bepaling dat de man ervoor zorg dient te dragen dat de vrouw tijdens zijn vakantie met [minderjarige] van zeven dagen of meer wekelijks op woensdag om 18:00 uur Nederlandse tijd telefonisch contact met [minderjarige] heeft;
- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw;
- vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie van € 1.000,- per maand, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, bij vooruitbetaling te voldoen en telkens voor de eerste van de maand op een door haar aangewezen bankrekening, alsmede bepaling dat de man de volledige door de vrouw te maken incassokosten ter zake het incasseren van de kinderalimentatie dient te voldoen indien hij de door de rechtbank te bepalen kinderalimentatie niet tijdig aan de vrouw overmaakt,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man, na aanvulling/wijziging, zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige] , inhoudende dat:
- de zorg voor [minderjarige] bij helfte (50/50) wordt gedeeld tussen de ouders;
- de oude regeling wordt gehandhaafd, waarbij [minderjarige] op maandag, woensdag en vrijdag bij de man slaapt en op dinsdag, donderdag en zondag bij de vrouw;
- de zaterdagen tussen partijen worden afgewisseld (om en om). De precieze tijden voor de weekenden (overdag) worden per keer tussen partijen besproken, in overeenstemming met de schema’s en behoeftes van [minderjarige] en beide ouders;
- de vrouw is verantwoordelijk voor het naar school brengen van [minderjarige] (van maandag t/m vrijdag). De man haalt [minderjarige] van maandag t/m vrijdag op uit de BSO, dan wel school of andere opvang;
- althans
subsidiaireen gelijke verdeling van de zorg zoals door de rechtbank in goede justitie te bepalen;
- de man in de vakantieweken van [minderjarige] , buiten de kerst en zomervakantie om,
primairin totaal vier weken met [minderjarige] in het buitenland mag verblijven, althans
subsidiairdat de vakantieweken bij helfte worden gedeeld, waarbij beide ouders in de vakanties met [minderjarige] naar het buitenland mogen reizen voor zeven aansluitende dagen (inclusief reisdagen);
- [minderjarige] de gehele kerstvakantie bij één van haar ouders doorbrengt, waarbij [minderjarige] de
evenjaren met de man doorbrengt en de
onevenjaren met de vrouw;
- de zomervakantie bij helfte tussen partijen wordt verdeeld, waarbij iedere ouder maximaal twee weken in totaal met [minderjarige] in het buitenland mag verblijven, aansluitend of gesplitst;
- ten aanzien van de feestdagen:
- de feestdagen jaarlijks bij helfte worden verdeeld, welke verdeling tussen ouders in onderling overleg wordt besproken;
- indien de feestdagen een ongelijk aantal dagen betreft, de extra feestdag jaarlijks tussen partijen wordt gewisseld;
- Vaderdag en de verjaardag van de man bij de man worden doorgebracht en Moederdag en de verjaardag van de vrouw bij de vrouw, waarbij geldt dat als de verjaardag van één van de ouders op een doordeweekse dag valt, deze ouder in het voorafgaande of daaropvolgende weekend een vervangende dag toekomt om de verjaardag te vieren;
- vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie van € 200,- per maand, met ingang van 1 januari 2026, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- veroordeling van de vrouw om aan de man een prestation compensatoire te voldoen, ter hoogte van € 50.000,-;
- bepaling dat partijen voor het overige over en weer vanuit de huwelijkse voorwaarden niets meer te verrekenen en/of vorderen hebben,
- verlening van vervangende toestemming, welke de toestemming van de vrouw vervangt:
-
primairvoor de aanmelding van [minderjarige] voor de [schoolnaam 1] ;
-
subsidiairvoor de aanmelding van [minderjarige] voor Engelse (bij)les bij [schoolnaam 2] , alsmede wijziging van de naschoolse opvang van [minderjarige] naar vijf dagen Engelstalige BSO per week ( [naam BSO] );

bij wijze van voorlopige voorziening verzoekt de man:

- te bepalen dat partijen de voormalige zorg- en contactregeling voorlopig voortzetten, voor de duur van het geding, inhoudende dat:
- [minderjarige] op maandag, woensdag en vrijdag bij de man slaapt en op dinsdag, donderdag en zondag bij de vrouw;
- de zaterdagen tussen partijen worden afgewisseld (om en om). De precieze tijden voor de weekenden (overdag) wordt per keer tussen partijen besproken, in overeenstemming met de schema’s en behoeftes van [minderjarige] en beide partijen;
- de vrouw verantwoordelijk is voor het naar school brengen van [minderjarige] (van maandag tot en met vrijdag). De man haalt [minderjarige] van maandag tot en met vrijdag op uit de BSO, dan wel school of andere opvang,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv Pro
De man verzoekt een voorlopige voorziening te treffen, nu de vrouw volgens hem in strijd handelt met de regeling die partijen al vier jaar uitvoeren. Als gevolg hiervan ziet de man [minderjarige] slechts twee dagen per week. De man kan hier niet mee instemmen en verzoekt de rechtbank derhalve een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij niet in afwachting van de uitspraak in de bodemprocedure door toedoen van de vrouw in zijn contact met [minderjarige] wordt beperkt.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van het eerste lid van artikel 223 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering (hierna: Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Op basis van het tweede lid moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering. Zoals op de zitting besproken, ziet de rechtbank echter onvoldoende aanleiding om vooruitlopend op de te nemen beslissingen in de bodemprocedure een voorlopige voorziening te treffen. Om deze reden wordt het verzoek van de man afgewezen.
Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat het huwelijk in het buitenland is gesloten en partijen een verschillende nationaliteit hebben, moet de rechtbank eerst nagaan of zij rechtsmacht heeft om te beslissen op het verzoek tot echtscheiding.
Nu de gewone verblijfplaats van de vrouw zich ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek tot echtscheiding in Nederland bevindt, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 sub a van Pro de [plaats 4] II ter-verordening (nr. 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019) rechtsmacht om te beslissen op het verzoek tot echtscheiding.
De rechtbank past op grond van artikel 10:56 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht toe.
Ontvankelijkheid
Door partijen is geen ouderschapsplan overgelegd zoals wel is vereist in artikel 815, tweede lid Rv. Naar het oordeel van de rechtbank is gebleken dat het op dit moment voor partijen niet mogelijk is om een door hen beiden ondertekend ouderschapsplan over te leggen. Gelet hierop zal de rechtbank partijen, ondanks het ontbreken van een door beide partijen ondertekend ouderschapsplan, ontvangen in hun wederzijdse verzoeken tot echtscheiding.
Inhoudelijke beoordeling
Zowel de vrouw als de man heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Derhalve kan het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond worden toegewezen.
Opmerking vooraf
Beide partijen hebben de rechtbank verzocht beslissingen te nemen betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van [minderjarige] . Uit de stukken en wat op de zitting is besproken, blijkt dat partijen anders aankijken tegen de inrichting van het leven van [minderjarige] . Bij de te nemen beslissing zal de rechtbank als uitgangspunt hanteren dat [minderjarige] recht heeft op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank alleen anders zijn als er gegronde redenen zijn om te komen tot een andere verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Daarnaast acht de rechtbank rust, stabiliteit en duidelijkheid in het belang van [minderjarige] . Tegen die achtergrond komt de rechtbank tot de volgende beslissingen.
Hoofdverblijfplaats
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] .
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft verzocht te hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar te bepalen. De man heeft met dit verzoek ingestemd, zodat de rechtbank het verzoek van de vrouw als niet weersproken, op de wet gegrond en in het belang van [minderjarige] zal toewijzen.
Zorgregeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek ten aanzien van de zorgregeling.
Inhoudelijke beoordeling
-
reguliere zorgregeling
Partijen hebben elkaar leren kennen op hun werk en zijn in 2017 met elkaar getrouwd. Door het werk van de man hebben partijen voornamelijk een lange afstandsrelatie gehad. De vrouw stelt dat [minderjarige] als gevolg hiervan altijd haar hoofdverblijfplaats bij haar heeft gehad en dat zij ook het grootste gedeelte van de zorg en opvoeding van [minderjarige] op zich heeft genomen. Het contact tussen de man en [minderjarige] was volgens de vrouw dan ook beperkt. Toen de man nog in [plaats 3] werkzaam was, waren partijen met elkaar overeengekomen dat [minderjarige] gedurende één week per maand bij de man zou verblijven, waarbij de man op vrijdag naar Nederland kwam en [minderjarige] in die week bij hem was op:
- zaterdag van 15:00 uur tot zondag 15:00 uur;
- maandag van 18:00 uur na de BSO tot dinsdag 08:00 uur, waarbij de vrouw [minderjarige] ophaalde en naar school bracht;
- woensdag van 18:00 uur na de BSO tot donderdag 08:00 uur, waarbij de vrouw [minderjarige] ophaalde en naar school bracht;
- vrijdag van 18:00 uur na de BSO tot zaterdag 15:00 uur.
De vrouw vindt deze regeling echter te onrustig voor [minderjarige] en heeft om deze reden een ouderschapsplan opgesteld, waarbij zij onderscheid maakt tussen de situatie waarin de man voor zijn werk in het buitenland verblijft en de situatie waarin de man langdurig in [plaats 2] verblijft. Indien de man voor zijn werk in het buitenland verblijft, stelt de vrouw een regeling voor inhoudende dat [minderjarige] de eerste twee weekenden van de maand bij de man verblijft van zaterdag 10:00 uur tot zondag 17:00 uur. In de week daartussen verblijft [minderjarige] bij de man op maandag uit de BSO tot dinsdag naar school en op woensdag uit de BSO tot donderdag naar school. Hierbij is de man verantwoordelijk voor het halen en brengen. Indien de man langdurig in [plaats 2] verblijft, verzoekt de vrouw een regeling te bepalen waarbij [minderjarige] bij de man is:
- gedurende de schoolweken wekelijks van woensdagmiddag na school dan wel BSO tot donderdagochtend naar school dan wel als er geen school is tot 09:00 uur;
- eenmaal per veertien dagen van vrijdag na school dan wel na de BSO tot zondag 17:00 uur.
De vrouw benadrukt dat de door haar voorgestelde regeling vooralsnog het hoogst haalbare is en het meeste rust oplevert. [minderjarige] is volgens de vrouw namelijk niet gewend om langer dan twee nachten bij de man te verblijven. Bovendien heeft de vrouw zorgen over de opvoedsituatie bij de man thuis. Zo merkt de vrouw dat [minderjarige] moe is als zij bij de man vandaan komt, haar tanden niet zijn gepoetst en haar haar niet is geborsteld. Ook merkt de vrouw op dat de man minder streng is ten aanzien van de schermtijd en dat [minderjarige] – anders dan bij haar thuis – geen eigen slaapkamer bij de man heeft. Tot slot speelt ook mee dat de vrouw van plan is om te verhuizen, zodat partijen niet langer meer in hetzelfde appartementencomplex wonen. Dit levert voor haar namelijk te veel spanning op. Om deze reden is een uitgebreidere regeling ook niet mogelijk, nu de afstand tussen partijen dan groter zal worden.
De man geeft aan dat partijen al vier jaar uitvoering geven aan een regeling waarbij [minderjarige] op maandag, woensdag en vrijdag bij de man verblijft, gedurende de tien dagen per maand die de man in [plaats 2] verblijft. De zaterdagen worden tussen partijen afgewisseld. Omdat partijen in hetzelfde appartementencomplex wonen, is de impact van deze regeling volgens de man minimaal. Partijen hebben destijds verder afgesproken dat de vrouw zorgdraagt voor het brengen van [minderjarige] naar school en de man voor het halen van [minderjarige] van de BSO, omdat de man met een slaapstoornis kampt. Inmiddels is de situatie veranderd, nu de man sinds 1 januari 2026 voor zijn werk naar [plaats 4] is overgeplaatst en van zijn leidinggevende goedkeuring heeft gekregen om tot 31 december 2026 voltijd vanuit [plaats 2] te werken. Nu de man in ieder geval aankomend jaar in Nederland zal zijn, is de man van mening dat als uitgangspunt moet gelden dat de zorg voor [minderjarige] bij helfte tussen partijen wordt gedeeld. Hij verzoekt dan ook een zorgregeling te bepalen, inhoudende dat de oude regeling wordt gehandhaafd, waarbij [minderjarige] op maandag, woensdag, vrijdag bij de man slaapt en op dinsdag, donderdag en zondag bij de vrouw. Hierbij acht de man het – vanwege zijn slaapstoornis – van belang dat de vrouw zorg blijft dragen voor het naar school brengen van [minderjarige] en de man voor het ophalen van [minderjarige] uit de BSO of school. De zaterdagen dienen tussen partijen te worden afgewisseld, waarbij partijen met elkaar in overleg zullen treden over de tijden.
De rechtbank overweegt als volgt. Zoals eerder overwogen, hanteert de rechtbank als uitgangspunt dat sprake moet zijn van gelijkwaardig ouderschap. Van dit uitgangspunt kan slechts worden afgeweken indien er aanwijzingen zijn dat het belang van [minderjarige] een andere verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vergt. Hoewel de vrouw op de zitting omstandigheden naar voren heeft gebracht die volgens haar maken dat het niet in het belang van [minderjarige] moet worden geacht dat de rol van de man wordt uitgebreid, heeft de man deze omstandigheden weersproken. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de door de vrouw aangevoerde omstandigheden niet van dien aard zijn dat deze zouden moeten leiden tot een beperkte rol van de man in het leven van [minderjarige] . De rechtbank constateert namelijk dat zowel op zitting als uit de stukken niet is gebleken dat er zorgen zijn over de veiligheid van [minderjarige] bij de man of dat de man niet geschikt zou zijn om de zorg voor [minderjarige] met de vrouw te delen. Daarentegen is wel duidelijk dat het voor de man – vanwege zijn slaapstoornis – moeilijker is om [minderjarige] in de ochtend naar school te brengen. Met die omstandigheid zal de rechtbank rekening houden bij het bepalen van een zorgregeling. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat zowel de door de man als de door de vrouw voorgestelde regeling vanwege de vele wisselingen onrustig is voor [minderjarige] . Dit geldt temeer als de man en de vrouw op termijn niet meer bij elkaar in de buurt wonen. De rechtbank zal daarom bepalen dat [minderjarige] bij de man zal zijn in de ene week van woensdag uit school tot zondag 15:00 uur en in de andere week van woensdag uit school tot donderdag naar school. Op deze manier is de verantwoordelijkheid voor de zorg en opvoeding van [minderjarige] in tijd redelijk gelijk verdeeld tussen de man en de vrouw, maar is het aantal dagen waarop de man zorg moet dragen voor het naar school brengen van [minderjarige] beperkt tot drie keer. De regeling brengt naar het oordeel van de rechtbank wel veel meer rust en duidelijkheid voor zowel [minderjarige] als partijen. De rechtbank merkt tot slot op dat er in de toekomst mogelijk aanleiding kan zijn om voornoemde regeling te herzien, indien de werksituatie van partijen wijzigt.
-
vakanties en feestdagen
Ten aanzien van de vakanties en feestdagen zijn partijen het grotendeels eens, te weten:
- de herfstvakantie, voorjaarsvakantie en meivakantie: in onderling overleg bij helfte te verdelen;
- de zomervakantie: in onderling overleg bij helfte te verdelen, waarbij iedere ouder in totaal maximaal twee weken met [minderjarige] in het buitenland mag verblijven;
- de kerstvakantie: in de even jaren bij de man, in de oneven jaren bij de vrouw;
- de feestdagen worden jaarlijks in onderling overleg bij helfte verdeeld;
- Vaderdag en de verjaardag van de man worden bij de man doorgebracht en Moederdag en de verjaardag van de vrouw bij de vrouw, waarbij geldt dat als de verjaardag van één van de ouders op een doordeweekse dag valt, deze ouder in het voorafgaande of daaropvolgende weekend een vervangende dag toekomt om de verjaardag te vieren.
De rechtbank zal overeenkomstig het voorgaande beslissen. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat [minderjarige] bij een vakantie langer dan zeven dagen in staat moet worden gesteld om eenmaal per week met de andere ouder te bellen. Partijen dienen in onderling overleg een belmoment af te spreken. De rechtbank gaat ervan uit dat beide partijen ervoor zullen zorgen dat dit een fijn en onbelast moment voor [minderjarige] zal zijn. Verder ziet de rechtbank geen aanleiding om te bepalen dat [minderjarige] minimaal drie dagen na de vakantie voor aanvang van de nieuwe schoolweek weer in Nederland moet zijn. De rechtbank gaat er echter wel van uit dat partijen rekening zullen houden met de belastbaarheid van [minderjarige] en haar welzijn in het oog zullen houden.
Vervangende toestemming
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek van de man.
Inhoudelijke beoordeling
De man verzoekt primair vervangende toestemming voor de inschrijving van [minderjarige] op een Engelstalige basisschool, te weten [schoolnaam 1] . Op dit moment gaat [minderjarige] naar de Franse school in [plaats 2] . De man acht het echter van belang dat [minderjarige] (in de toekomst) Engelstalig onderwijs zal gaan volgen. De vrouw spreekt namelijk Frans met [minderjarige] en nu [minderjarige] daar op dit moment het grootste gedeelte van de tijd doorbrengt en naar een Franse school gaat, is de man bang dat [minderjarige] haar Engels onvoldoende kan ontwikkelen. De man stelt dat [schoolnaam 1] destijds de eerste keuze van partijen was. Toch hebben zij toen de keuze gemaakt om [minderjarige] in te schrijven op een Franse school, omdat hier onderwijs wordt aangeboden vanaf de leeftijd van drie jaar. De man acht het echter van belang dat [minderjarige] zo snel mogelijk van school verandert om te voorkomen dat zij te veel geaard zal zijn op de Franse school. Indien de rechtbank het primaire verzoek afwijst, verzoekt de man subsidiair vervangende toestemming om [minderjarige] aan te melden bij [schoolnaam 2] en te bepalen dat [minderjarige] voortaan vijf dagen per week naar de Engelse BSO zal gaan.
Volgens de vrouw dient het verzoek van de man te worden afgewezen. Hiertoe voert zij aan dat [minderjarige] een verlegen meisje is en inmiddels uit haar schulp is gekropen. De vrouw acht het dan ook niet in het belang van [minderjarige] dat zij – nu ze eenmaal gewend is – van school wisselt. Daarnaast vindt de vrouw het de verantwoordelijkheid van de man dat [minderjarige] de Engelse taal goed leert beheersen. Bovendien gaat [minderjarige] inmiddels drie dagen per week naar een Engelstalige BSO om zo de Engelse taal te blijven ontwikkelen. De vrouw staat ervoor open om opnieuw te overwegen of het voor [minderjarige] beter is om naar een Franstalige of een Engelstalige school te gaan, op het moment dat [minderjarige] naar de middelbare school zal gaan.
De rechtbank zal de verzoeken van de man afwijzen en overweegt daartoe als volgt. Op dit moment verandert er veel in het leven van [minderjarige] , wat ook de nodige spanningen met zich meebrengt. De rechtbank acht het daarom in het belang van [minderjarige] dat zij in haar vertrouwde schoolomgeving kan blijven. Daar komt bij dat [minderjarige] op dit moment drie keer per week naar een Engelstalige BSO gaat. Ook zal [minderjarige] , gelet op de vast te leggen zorgregeling, vaker bij de man zijn en met hem in het Engels communiceren. De rechtbank heeft dan ook de verwachting dat [minderjarige] op deze manier voldoende in staat wordt gesteld om haar Engels te (blijven) ontwikkelen. De rechtbank geeft partijen wel mee om op het moment dat [minderjarige] een middelbare schoolkeuze moet maken, met elkaar in overleg te treden en opnieuw te bezien of het in het belang van [minderjarige] is om dan Engelstalig onderwijs te volgen.
Opmerking ten aanzien van de nanny
Het voorgaande en de vast te leggen zorgregeling brengt met zich mee dat de nanny de ene week op donderdag bij de vrouw zal zijn en de andere week op donderdag bij de man. De rechtbank ziet het als een voordeel dat beide partijen contact zullen hebben met de nanny en gaat ervan uit dat partijen dit met de nanny zullen afstemmen.
Kinderalimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu [minderjarige] in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Op dit verzoek zal de rechtbank op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag van € 1.000,- per maand dient te betalen ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding. De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat dit ongeveer de helft van de kosten van [minderjarige] zijn en dat partijen na het uiteengaan hebben afgesproken dat de man dit bedrag aan de vrouw zou gaan voldoen. Partijen zijn hierbij uitgegaan van de werkelijke kosten van [minderjarige] en hebben derhalve bewust van de wettelijke maatstaven afgeweken. Om deze reden stelt de vrouw zich op het standpunt dat de man de tussen partijen overeengekomen bijdrage van € 1.000,- per maand dient te betalen en verzoekt de rechtbank de bijdrage op dit bedrag te bepalen.
De man erkent dat partijen een bijdrage van € 1.000,- per maand zijn overeengekomen, maar stelt dat deze afspraak ziet op de kosten van [minderjarige] tijdens het huwelijk. De man merkt hierbij op dat hij de bijdrage destijds kon betalen en bovendien niet wilde dat [minderjarige] iets tekort kwam. De man was echter ten tijde van het maken van deze afspraak niet op de hoogte van de Nederlandse wettelijke maatstaven. Bovendien is zijn inkomenssituatie gewijzigd, waardoor hij niet langer in staat is om een bedrag van € 1.000,- per maand ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] te voldoen.
De rechtbank is van oordeel dat tussen partijen een overeenkomst met betrekking tot de werkelijke behoefte van [minderjarige] geldt. Vaststaat namelijk dat de man vanaf het uiteengaan van partijen tot 1 januari 2026 telkens een bedrag van € 1.000,- aan de vrouw heeft voldaan. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om in afwijking van hetgeen door partijen is overeengekomen, te rekenen conform de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen. Hoewel de man weliswaar heeft gesteld dat de afspraak van partijen bij aanvang niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan, constateert de rechtbank dat partijen destijds aanleiding hebben gezien om voornoemde afspraak te maken. De man heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat zijn inkomen ten opzichte van het moment van het maken van de afspraak zodanig is gewijzigd dat de overeenkomst om die reden geen stand kan houden. De afspraak is bovendien in het voordeel van [minderjarige] , zodat dat niet tot een andersluidend oordeel leidt. Om deze reden zal de rechtbank bij het vaststellen van de kinderalimentatie de werkelijke kosten van [minderjarige] als uitgangspunt nemen, waarbij de kosten vervolgens tussen partijen zullen worden gedeeld.
De rechtbank zal als uitgangspunt de door de vrouw in productie 14 overgelegde behoeftelijst hanteren, waaruit een behoefte van [minderjarige] van € 2.220,96 per maand volgt. De rechtbank zal bij voornoemd bedrag het door de man betaalde deel van de kosten van de BSO, te weten € 99,-, optellen en de extra kosten voor de nanny van € 300,- per maand en de door de vrouw opgenomen kosten voor eten en medicijnen van € 300,- per maand in mindering brengen. De extra kosten voor de nanny zijn immers kosten die voor eigen rekening van partijen dienen te komen indien zij extra opvang nodig hebben. Ditzelfde geldt voor verblijfskosten, nu [minderjarige] ongeveer evenveel tijd bij elke ouder zal gaan doorbrengen. Dit betekent dat er, na aftrek van de bijdrage en toeslagen die de vrouw ontvangt, een bedrag van € 1.719,96 resteert. Zoals eerder overwogen, dienen beide partijen de helft van de kosten te dragen. Dit betekent dat de man aan de vrouw een bedrag ten behoeve van de kosten van [minderjarige] van € 859,98 per maand dient te voldoen. De rechtbank wijst er op dat dit bedrag in de toekomst kan veranderen, nu de kosten van [minderjarige] kunnen wijzigen. De rechtbank gaat er echter van uit dat partijen daarover in overleg zullen treden.
Nu is gebleken dat de man tot 1 januari 2026 het eerder overeengekomen bedrag van € 1.000,- aan de vrouw heeft betaald, zal de rechtbank de te betalen bijdrage vaststellen met ingang van 1 januari 2026. Het bedrag dat de man na die datum aan de vrouw heeft betaald, kan hij op de bijdrage in mindering brengen.
Partneralimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De man stelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is. De vrouw betwist dit, nu partijen in de huwelijkse voorwaarden een forumkeuze voor de Franse rechter hebben opgenomen. De vrouw is echter uit praktisch oogpunt bereid om geen bezwaar te maken tegen de behandeling van het verzoek van de man door de Nederlandse rechter, zodat de Nederlandse rechter bevoegd is om het verzoek van de man te behandelen. Nu het verzoek van de man bovendien het karakter van het voldoen van partneralimentatie heeft, is het verzoek van de man te beschouwen als een nevenvoorziening bij echtscheiding.
Partijen zijn het erover eens dat Frans recht van toepassing is.
Inhoudelijke beoordeling
De man verzoekt om op grond van artikel 270 van Pro het Franse Burgerlijk Wetboek de vrouw te veroordelen tot het betalen van een
prestation compensatoireaan de man van € 50.000,-.
De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.
De prestation compensatoire is een geldsom die de ene echtgenoot aan de andere echtgenoot betaalt ter compensatie van de ongelijkheid in de leefomstandigheden tussen de twee echtgenoten die het eindigen van het huwelijk met zich meebrengt (artikel 270 Code Pro Civil). Het doel is niet de situaties van de echtgenoten in financiële zin gelijk te trekken, maar een evenwicht te herstellen dat door de scheiding is verbroken door de economische en financiële verschillen die zijn ontstaan als gevolg van de
gezamenlijke keuzestijdens het huwelijk. Op grond van artikel 271 Code Pro Civil wordt de prestation compensatoire vastgesteld aan de hand van de behoefte van de echtgenoot die deze ontvangt en de middelen van de echtgenoot die de prestation compensatoire moet betalen, rekening houdend met de situatie op het moment van de echtscheiding en de ontwikkeling daarvan in de voorzienbare toekomst. Bij de beoordeling van de vraag of een prestation compensatoire moet worden toegekend, houdt de rechter rekening met:
- de duur van het huwelijk;
- de leeftijd en gezondheid van de echtgenoten;
- het opleidingsniveau en de arbeidsomstandigheden van de echtgenoten;
- de gevolgen van de door een van de echtgenoten tijdens het huwelijk gemaakte loopbaankeuzes ten behoeve van de opvoeding van de kinderen en de tijd die daaraan nog moet worden besteed of om de loopbaan van de ander ten koste van de eigen loopbaan te bevorderen;
- de na de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime geschatte of te verwachten bezittingen van de echtgenoten in vermogen of in opbrengsten;
- de bestaande en voorzienbare vorderingsrechten;
- de ouderdomspensioenrechten van de echtgenoten.
Zoals eerder benoemd, hebben partijen elkaar leren kennen toen zij beiden werkten voor [organisatie 1] in [plaats 2] . Hoewel de vrouw een aanstelling voor onbepaalde tijd had, had de man een aanstelling voor bepaalde tijd. Na afloop van zijn contract, is de man in 2016 naar [plaats 5] verhuisd om vanuit daar voor [organisatie 2] te werken. Partijen hadden sindsdien een lange afstandsrelatie. Vervolgens zijn zij in 2017 met elkaar getrouwd. In 2019 is [minderjarige] geboren. De man heeft in 2019 voor een periode van twee jaar onbetaald verlof aangevraagd. Eind 2019 heeft de man besloten om niet terug te keren naar zijn baan in [plaats 5] en in 2020 is hij begonnen bij [organisatie 3] in [plaats 6] . Vervolgens heeft de man gewerkt bij de [organisatie 4] in [plaats 7] en kort daarna is hij begonnen bij [organisatie 5] in [plaats 3] . Sinds 1 januari 2026 is de man overgeplaatst naar [plaats 4] .
De man voert ter onderbouwing van zijn verzoek aan dat hij gedurende het huwelijk een belangrijk deel van zijn carrière heeft opgegeven, terwijl de vrouw wel enorme werkzekerheid heeft gehad door haar ononderbroken dienstverband bij [organisatie 1] . Volgens de man was de vrouw zich bij het aangaan van de relatie bewust van de tijdelijke aanstelling van de man bij [organisatie 1] . Nadat de man in 2016 in [plaats 5] is begonnen, hebben partijen de relatie voortgezet en zijn zij zelfs getrouwd. Vervolgens werd de vrouw zwanger en hebben partijen samen besloten dat de man twee jaar onbetaald verlof zou opnemen, zodat hij voor de vrouw en [minderjarige] kon zorgen. Hierdoor heeft de man twee jaar geen salaris ontvangen, niet van de voordelen die [organisatie 2] biedt kunnen genieten en heeft hij ook geen pensioen kunnen opbouwen. De man had door deze keuze eveneens geen recht op vier weken betaald ouderschapsverlof. Volgens de man heeft de vrouw de man niet alleen aangemoedigd om deze keuze te maken, maar heeft zij de man ook actief bijgestaan in het proces van het aanvragen van het onbetaalde verlof. Omdat de man dichter bij de vrouw en [minderjarige] wilde zijn, is hij vervolgens op zoek gegaan naar een andere baan. Deze zoektocht verliep echter zeer moeizaam. Uiteindelijk is de man bij [organisatie 3] begonnen, waar hij ook slechts in aanmerking kwam voor een tijdelijke aanstelling. Deze aanstelling bood hem aanzienlijk minder werkzekerheid en voordelen dan de tijdelijke aanstelling die hij had bij [organisatie 2] . Wel kon de man vanuit [plaats 2] werken. Omdat deze mogelijkheid even later niet meer werd toegestaan, achtte de man zich genoodzaakt om opnieuw op zoek te gaan naar een andere baan en begon hij in [plaats 7] met een tijdelijke aanstelling bij de [organisatie 4] . Na zes maanden werd zijn aanstelling niet verlengd, waardoor hij opnieuw op zoek moest naar een nieuwe baan. Zodoende is de man terechtgekomen bij [organisatie 5] in [plaats 3] en sinds 1 januari 2026 in [plaats 4] . De man stelt dat hij, als gevolg van de gezamenlijke keuze die partijen hebben gemaakt ten aanzien van het onbetaalde verlof van de man, pas vierenhalf jaar later weer een aanstelling heeft kunnen verkrijgen die vergelijkbaar is met de aanstelling in [plaats 5] . Om deze reden is de man van mening dat hij op grond van artikel 270 van Pro het Franse Burgerlijk Wetboek recht heeft op een
prestation compensatoirevan € 50.000,-, nu dit de schade is die hij heeft geleden door de keuzes die partijen samen hebben gemaakt gedurende het huwelijk. Ter (nadere) onderbouwing van zijn verzoek heeft de man een legal opinion overgelegd van [naam 2] , advocaat in [plaats 1] en gespecialiseerd in het (Franse) familierecht.
De vrouw stelt zich – samengevat – op het volgende standpunt. Allereerst voert de vrouw aan dat de man dient aan te tonen dat er sprake is van een ongelijkheid in de leefomstandigheden door het eindigen van het huwelijk en dat die ongelijkheid moet zijn ontstaan door gezamenlijke keuzes van partijen. Volgens de vrouw is de stelplicht van de man hoog en voldoet de man hier niet aan. Zo heeft hij niet aangetoond wat zijn vermogen aan het begin van het huwelijk en ten tijde van het indienen van het verzoekschrift was. Ook heeft hij niet aangetoond wat zijn totale inkomen tijdens het huwelijk is geweest. Derhalve toont hij niet aan dat hij armer dan de vrouw is geworden gedurende het huwelijk. Bovendien betwist dat vrouw dat sprake is geweest van een gezamenlijke beslissing om vanwege de zorg voor [minderjarige] minder te gaan werken. Volgens de vrouw is het een eigen keuze van de man geweest om bij [organisatie 1] weg te gaan en bij [organisatie 2] in [plaats 5] te gaan werken. Ook betwist de vrouw dat zij toestemming heeft gegeven voor het onbetaalde verlof voor de duur van twee jaar. Volgens de vrouw hadden partijen slechts afgesproken dat de man gedurende één jaar onbepaald verlof zou aanvragen, vanwege zijn depressieve klachten. De vrouw heeft gedurende deze periode volledig de zorg voor [minderjarige] op zich genomen. Verder stelt de vrouw dat de man zelf heeft besloten om niet terug te keren naar [plaats 5] , ondanks het feit dat de man daar na niet al te lang een contract voor onbepaalde tijd zou krijgen. De overstap van [organisatie 3] in [plaats 6] naar de [organisatie 4] in [plaats 7] is volgens de vrouw eveneens niet in overleg tot stand gekomen, maar is eenzijdig door de man gemaakt omdat hij hierdoor in een hogere salarisschaal terecht zou komen. De vrouw merkt op dat de prestation compensatoire niet bedoeld is voor de situatie waarin een partner een netto inkomen heeft van 11.000 dollar per maand, gedurende het huwelijk altijd fulltime heeft kunnen werken zonder dat hij de volledige zorg over [minderjarige] heeft gehad en een aanzienlijk vermogen heeft kunnen opbouwen. De vrouw verzoekt dan ook de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, dan wel zijn verzoek af te wijzen. Ter (nadere) onderbouwing van haar verweer heeft de vrouw een legal opinion overgelegd van [naam 3] , eveneens advocaat in [plaats 1] .
Bij de beoordeling van de door partijen ingenomen stellingen en de door hen overgelegde stukken stelt de rechtbank voorop dat zij uit de overgelegde legal opinions afleidt dat met betaling van de prestation compensatoire wordt beoogd het verschil in levensstandaard bij het einde van het huwelijk tussen de (ex)echtgenoten te compenseren. Daarmee wordt de eventuele economische ongelijkheid die door het eindigen van het huwelijk is ontstaan gecorrigeerd. De rechtbank leidt ook uit de stukken af dat de prestation compensatoire met name is bedoeld voor gevallen waarin evident sprake is van inkomensongelijkheid die is opgebouwd tijdens het huwelijk. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan in dit geval geen sprake. Daarbij acht de rechtbank de volgende omstandigheden van belang. Het is duidelijk dat de carrière van de man een ander verloop kent dan de carrière van de vrouw. Het is de rechtbank echter, mede gelet op gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende duidelijk geworden dat dit het carrièreverloop het gevolg is van keuzes die door partijen tijdens het huwelijk gezamenlijk zijn genomen. De man heeft immers al voorafgaand aan het huwelijk de keuze gemaakt om zijn aanstelling bij [organisatie 1] niet voort te zetten, maar te opteren voor een functie bij [organisatie 2] in [plaats 5] . Gedurende het huwelijk is de man vervolgens meerdere keren van baan gewisseld, maar de man heeft onvoldoende onderbouwd dat deze wisselingen enkel zijn terug te voeren op gezamenlijke keuzes van partijen ten behoeve van het gezin. Daar komt bij dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat hij daadwerkelijk in een economisch onvoordeliger positie is terechtgekomen door (het verloop van zijn carrière tijdens) het huwelijk. Dit volgt in ieder geval niet uit de jaarinkomens van partijen in 2024. Het inkomen van de man lijkt – gelet op de door hem overgelegde salarisstrook van januari 2026 – wel te zijn gewijzigd door zijn nieuwe functie, maar deze wijziging is naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig dat die de toekenning van een prestation compensatoire rechtvaardigt. Daar komt bij dat de rechtbank onvoldoende zicht heeft op de bezittingen/vermogens van partijen om ook die te kunnen betrekken bij de beoordeling van de eventuele economische ongelijkheid tussen partijen. De duur van het huwelijk, de leeftijd en gezondheid van partijen, het opleidingsniveau en de arbeidsomstandigheden van partijen geven naar het oordeel van de rechtbank eveneens geen aanleiding tot het toekennen van een prestation compensatoire.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding voor toekenning van de door de man verzochte prestation compensatoire. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man daartoe afwijzen.
Afwikkeling huwelijkse voorwaarden
Partijen zijn het erover eens dat zij met betrekking tot de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden over en weer niets meer van elkaar te vorderen dan wel te verrekenen hebben. De rechtbank zal dit vastleggen in het dictum.
Proceskosten
Gelet op het feit dat hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2017 te [plaats 1] , [land] ;
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te
[geboorteplaats] de hoofdverblijfplaats bij de vrouw zal hebben;
*
bepaalt dat [minderjarige] bij de man zal zijn de ene week van woensdag uit school tot zondag 15:00 uur en de andere week van woensdag uit school tot donderdag naar school;
*
bepaalt ten aanzien van de vakantie- en feestdagen dat:
- de herfstvakantie, voorjaarsvakantie en meivakantie in onderling overleg bij helfte worden verdeeld;
- de zomervakantie in onderling overleg bij helfte wordt verdeeld, waarbij iedere ouder maximaal twee weken in totaal met [minderjarige] in het buitenland mag verblijven;
- [minderjarige] gedurende de kerstvakantie in de even jaren bij de man zal zijn en in de oneven jaren bij de vrouw;
- de feestdagen jaarlijks in onderling overleg bij helfte worden verdeeld;
- Vaderdag en de verjaardag van de man bij de man worden doorgebracht en Moederdag en de verjaardag van de vrouw bij de vrouw, waarbij geldt dat als de verjaardag van één van de ouders op een doordeweekse dag valt, deze ouder in het voorafgaande of daaropvolgende weekend een vervangende dag toekomt om de verjaardag te vieren,
waarbij geldt dat [minderjarige] bij een vakantie langer dan zeven dagen in staat zal worden gesteld om eenmaal per week met de andere ouder te bellen;
*
bepaalt de door de man met ingang van 1 januari 2026 te betalen alimentatie voor [minderjarige] op € 859,98 per maand;
*
stelt vast dat partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen dan wel te verrekenen hebben;
*
verklaart deze beschikking – tot zover en met uitzondering van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J.A. Olthoff als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 5 maart 2026.