ECLI:NL:RBDHA:2026:788
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- L.E.M. Wilbers-Taselaar
- G.A. Bouter - Rijksen
- E.C. Harting
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning op basis van gezinsleven conform artikel 8 EVRM en 1F-gedragingen
In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 12 januari 2026 uitspraak gedaan in een geschil over de afwijzing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking 'gezinsleven conform artikel 8 EVRM'. Eiser, een Afghaanse nationaliteit, heeft een lange geschiedenis van asielaanvragen en juridische procedures, waarbij hij in verband is gebracht met ernstige misdrijven onder artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister van Asiel en Migratie de aanvraag van eiser op 12 juni 2023 heeft afgewezen, en dat het bezwaar van eiser tegen deze afwijzing ongegrond is verklaard. De rechtbank heeft de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM beoordeeld en geconcludeerd dat de belangen van de openbare orde zwaarder wegen dan het recht van eiser op gezinsleven. De rechtbank heeft daarbij de ernst van de gedragingen van eiser in Afghanistan meegewogen, evenals het feit dat hij geen oprecht berouw heeft getoond. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, en dat het tijdsverloop sinds de 1(F)-gedragingen niet van doorslaggevende betekenis is. Eiser heeft geen gelijk gekregen in zijn beroep, en het bestreden besluit blijft in stand.