ECLI:NL:RBDHA:2026:788

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
NL24.30644
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning op basis van gezinsleven conform artikel 8 EVRM en 1F-gedragingen

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 12 januari 2026 uitspraak gedaan in een geschil over de afwijzing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking 'gezinsleven conform artikel 8 EVRM'. Eiser, een Afghaanse nationaliteit, heeft een lange geschiedenis van asielaanvragen en juridische procedures, waarbij hij in verband is gebracht met ernstige misdrijven onder artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister van Asiel en Migratie de aanvraag van eiser op 12 juni 2023 heeft afgewezen, en dat het bezwaar van eiser tegen deze afwijzing ongegrond is verklaard. De rechtbank heeft de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM beoordeeld en geconcludeerd dat de belangen van de openbare orde zwaarder wegen dan het recht van eiser op gezinsleven. De rechtbank heeft daarbij de ernst van de gedragingen van eiser in Afghanistan meegewogen, evenals het feit dat hij geen oprecht berouw heeft getoond. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, en dat het tijdsverloop sinds de 1(F)-gedragingen niet van doorslaggevende betekenis is. Eiser heeft geen gelijk gekregen in zijn beroep, en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.30644

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A.A. Hardoar),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. C.R. Vink).

Procesverloop

1. Bij besluit van 12 juni 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘gezinsleven conform 8 EVRM’ voor bepaalde tijd afgewezen.
1.1.
Bij besluit van 5 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. T. Mehrian is als tolk verschenen.

Overwegingen

Wat ging aan deze zaak vooraf?
2. Eiser stelt de Afghaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1967. Eiser heeft op 7 oktober 1999 een asielaanvraag ingediend. Op 29 juli 2002 is deze aanvraag afgewezen. Daarbij is de uitsluitingsgrond van artikel 1(F) van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) op eiser van toepassing geacht. Dit besluit staat met de uitspraak van 21 juni 2004 in rechte vast. [1] Bij besluit van
3 december 2009 is eiser ongewenst verklaard op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet. Bij besluit van 4 april 2011 is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 15 maart 2012 is het beroep gegrond verklaard en het besluit van 4 april 2011 vernietigd. [2] Bij besluit van 24 oktober 2012 is aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar. Daarbij is een terugkeerbeletsel op grond van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) aangenomen, vanwege de bekering van eiser tot het Christendom. Het beroep hiertegen is ongegrond verklaard. [3] Op 28 november 2013 is het door eiser ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard waardoor het inreisverbod in rechte vaststaat. [4] Eiser heeft op 11 oktober 2010 een herhaalde asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 20 mei 2011 is deze aanvraag afgewezen. Ook dit besluit staat in rechte vast. Eiser heeft op 29 januari 2021 een tweede opvolgende asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 4 maart 2021 is deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 1 april 2021 is het beroep hiertegen ongegrond verklaard. [5] Deze uitspraak staat in rechte vast.
De onderhavige aanvraag
3. Eiser heeft op 3 april 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘gezinsleven conform 8 EVRM’ voor bepaalde tijd. Eiser beoogt verblijfsrecht op grond van familieleven met zijn gezinsleden. Zijn gezinsleden zijn zijn echtgenote, [naam echtgenote] , zijn zoons, [naam zoon 1] , [naam zoon 2] , [naam zoon 3] en [naam zoon 4] en zijn dochters, [naam dochter 1] en [naam dochter 2] . [naam dochter 2] , [naam zoon 3] en [naam zoon 4] waren ten tijde van de aanvraag minderjarig. Alle gezinsleden wonen in Nederland en hebben de Nederlandse nationaliteit.
Het bestreden besluit
Artikel 8 van het EVRM
4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag ongegrond verklaard. Hieraan legt verweerder – samengevat – het volgende ten grondslag. Verweerder neemt aan dat sprake is van familieleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen eiser en zijn echtgenote en minderjarige kinderen. Verweerder volgt niet dat sprake is van familieleven tussen eiser en zijn meerderjarige kinderen omdat niet is gebleken van bijzondere afhankelijkheid. De belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM valt in het nadeel van eiser uit. Hierbij weegt verweerder in het nadeel van eiser mee dat aan eiser een zwaar inreisverbod is opgelegd in verband met in rechte vaststaande 1(F)-tegenwerpingen. Eiser vormt dus een gevaar voor de openbare orde. Het tijdsverloop weegt vanwege de ernst van de gedragingen onvoldoende in het voordeel van eiser mee. Eiser heeft bovendien geen inspanning verricht om Nederland te verlaten naar een niet-Schengenland. Verder is niet gebleken dat eisers gezin zich niet zonder hem staande kan houden, nu hij gedurende een langere periode zonder zijn gezin in Duitsland heeft verbleven. Ten slotte is van een gedwongen uitzetting geen sprake, zodat eiser door het bestreden besluit niet zal worden gescheiden van zijn gezin.
Chavez-Vilchez
4.1.
Verweerder heeft verder in het bestreden besluit geconcludeerd dat eiser als verzorgende ouder in beginsel voldoet aan de cumulatieve voorwaarden van het arrest Chavez-Vilchez [6] . Verweerder heeft echter op grond van artikel 8.22 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) rechtmatig verblijf aan eiser ontzegd omdat hij een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging zou vormen voor een fundamenteel belang van de samenleving.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is niet in geschil?
5. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet kan terugkeren naar Afghanistan vanwege een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM. Ter zitting is de beroepsgrond daarover ingetrokken. Ook is de beroepsgrond ingetrokken dat verweerder verklaringen en ingebrachte documenten die zien op de 1F-status niet in aanmerking heeft genomen. Verder is niet in geschil dat sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiser en zijn echtgenote en minderjarige kinderen en dat eiser voldoet aan de cumulatieve voorwaarden voor verblijfsrecht op grond van hat arrest Chavez-Vilchez.
Artikel 8 van het EVRM
Beroepsgrond
6. Eiser voert aan dat de inmenging in zijn familieleven niet gerechtvaardigd is. Eiser verblijft al lange tijd in Nederland en heeft met zijn goede gedrag bewezen dat hij geen gevaar is of vormt voor de openbare orde. Dat eiser is uitgesloten van het Vluchtelingenverdrag vanwege artikel 1(F) betekent niet automatisch dat zijn enkele aanwezigheid een werkelijke, actuele en voldoende serieuze bedreiging oplevert. Verweerder heeft in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd dat voldaan is aan de eisen die daaraan worden gesteld door het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof van Justitie) in het arrest K. en H.F. [7]
Juridisch kader
7. De rechter moet toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. Zo ja, dan toetst de rechter of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een 'fair balance' tussen het belang bij de uitoefening van het familieleven en privéleven van de vreemdeling in Nederland enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. [8] Bij een belangenafweging waarin openbare-ordeaspecten een rol spelen, zoals in dit geval, moeten de criteria benoemd in de arresten Boultif [9] en Üner [10] van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) worden betrokken. Hiertoe behoren onder meer de aard en de ernst van het gepleegde misdrijf, de gedragingen van de betrokken vreemdeling gedurende die tijd en de hechtheid van de sociale, culturele en familiebanden van de betrokken vreemdeling met het gastland en het land van herkomst. De toetsing door de rechter dient enigszins terughoudend te zijn.
Overwegingen vooraf
8. De rechtbank stelt voorop dat de arresten van het Hof van Justitie waar eiser zich op beroept van belang zijn in het kader van het verblijfsrecht dat eiser meent te ontlenen aan het arrest Chavez-Vilchez en ook in dat kader in het bestreden besluit zijn genoemd en betrokken door verweerder. Verweerder heeft daarnaast in het bestreden besluit in het kader van artikel 8 van het EVRM de criteria zoals die volgen uit de arresten Boultif en Üner betrokken. Verweerder heeft in het kader van artikel 8 van het EVRM mede feiten en omstandigheden betrokken die ook betrokken zijn in het kader van Chavez-Vilchez. Verweerder heeft aldus het juiste beoordelingskader toegepast.
8.1.
De rechtbank zal eerst beoordelen of verweerder genoegzaam heeft gemotiveerd dat eiser geen recht heeft op een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM en daarna ingaan op het mogelijke verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez. De arresten van het EHRM en het daaruit voortvloeiende toetsingskader zullen worden besproken bij eisers beroep op artikel 8 van het EVRM en de arresten van het Hof van Justitie en het daaruit voortvloeiende toetsingskader zullen worden besproken bij de beoordeling van de door verweerder verrichte ambtshalve toets aan het arrest Chavez-Vilchez.
Overwegingen ten aanzien van artikel 8 van het EVRM
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eiser uitvalt. Zij overweegt hiertoe als volgt.
9.1.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM kenbaar heeft verricht aan de hand van de criteria zoals opgenomen in de arresten Boultif en Üner. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank alle relevante belangen onderkend en tegen elkaar afgewogen. Hierbij heeft verweerder ten eerste in eisers nadeel kunnen meewegen dat in rechte vaststaat dat artikel 1(F) op eiser van toepassing is omdat hij in Afghanistan betrokken is geweest bij het mishandelen en doden van krijgsgevangenen en burgers in de periode van 1987 tot 1998 tijdens zijn dienstjaren en rangen bij het Afghaanse leger. Eiser heeft hierbij verklaard dat hij continu betrokken is geweest bij gevechten gedurende zijn militaire carrière en dat hij in mei 1997 heeft deelgenomen aan de gevechten in en bij Mazar-i-Sharif. Verweerder heeft terecht overwogen dat het hier gaat om zeer ernstige misdrijven van uitzonderlijk gewelddadige aard, die voor zwaar en langdurig leed hebben gezorgd voor de slachtoffers, en zowel nationaal als internationaal worden beschouwd als een uitzonderlijk ernstige inbreuk op de rechtsorde. Op grond van die 1(F)-tegenwerpingen is aan eiser een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd. Eiser is op 7 oktober 1997 naar Nederland gekomen en verblijft dus al lange tijd onrechtmatig in Nederland. Verweerder heeft verder niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij niet heeft voldaan aan zijn vertrekplicht. Dat hij in verband met een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM niet kan worden uitgezet naar Afghanistan, laat immers onverlet dat op eiser nog altijd de verplichting rust uit Nederland en het Schengengebied te vertrekken. Verder heeft verweerder mogen betrekken dat eiser weliswaar stelt dat zijn kinderen volledig van hem afhankelijk zijn en niet zonder hem kunnen, maar dat hij wel kort voor het indienen van de onderhavige aanvraag zestien maanden in Duitsland heeft verbleven zonder zijn gezin. Dat dit een zeer zware tijd voor het gezin was, kan zo zijn (verweerder ontkent immers niet dat sprake is van gezinsleven), maar dat laat onverlet dat verweerder wel heeft kunnen tegenwerpen dat dit afbreuk doet aan de door eiser gestelde volledige afhankelijkheid. Dit heeft verweerder vervolgens kunnen meewegen bij de belangenafweging. Verweerder heeft daarbij bovendien kunnen betrekken dat eiser niet met uitzetting wordt bedreigd en daardoor feitelijk in de gelegenheid is in Nederland te verblijven en het gezinsleven uit te oefenen. Aan de banden die eiser met de Nederlandse samenleving heeft opgebouwd heeft verweerder minder gewicht hoeven toekennen, nu deze zijn gevormd gedurende het onrechtmatige verblijf van eiser.
9.2.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder niet ten onrechte het aanzienlijk lange tijdsverloop sinds de 1(F) gedragingen en het feit dat eiser sindsdien geen strafbare feiten heeft gepleegd niet van doorslaggevende betekenis geacht in de belangenafweging. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez
Beroepsgrond
10. Eiser voert aan dat verweerder in het bestreden besluit ook onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser een werkelijke, actuele en voldoende serieuze bedreiging vormt voor de openbare orde. Niet in geschil is dat eiser voldoet aan alle vier de cumulatieve criteria van verweerders beleid inzake Chavez-Vilchez. Eiser heeft tijdens de hoorzitting van 4 januari 2024 wel degelijk berouw getoond. Hij heeft toen duidelijk aangegeven dat hij een integer persoon is en dat hij zijn werk naar eer en geweten heeft verricht in Afghanistan. Verweerder heeft dit ten onrechte gekwalificeerd als een ontkenning van het dragen van verantwoordelijkheid voor de misdrijven en het bagatelliseren van de situatie.
Juridisch kader
11. Het Hof van Justitie heeft in het eerder genoemde arrest in de zaken K. en H.F uiteengezet hoe met het Unierechtelijke openbare orde-begrip moet worden omgegaan in relatie tot vreemdelingen op wie artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is. In dit arrest is geoordeeld dat de enkele aanwezigheid van een persoon op wie artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is niet automatisch voldoende is om een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging aan te nemen. Er dient rekening te worden gehouden met de aspecten die bij de 1(F)-tegenwerping zijn betrokken, in het bijzonder de aard en de ernst van de verweten gedragingen, de mate van persoonlijke betrokkenheid en het eventuele bestaan van strafuitsluitingsgronden. Dit geldt eens temeer als een strafrechtelijke veroordeling ontbreekt. Verder is relevant het tijdsverloop sinds de verweten gedragingen. Beoordeeld dient te worden of van het persoonlijke gedrag nog steeds een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving uitgaat, waarbij rekening moet worden gehouden met de specifieke historische en maatschappelijke context waarin de verweten gedragingen zich hebben afgespeeld en met het eventuele recidiverisico. Het bestaan van een bedreiging zoals bedoeld in het Unierechtelijke openbare orde-criterium moet worden vastgesteld op basis van een beoordeling door de bevoegde instanties van het gastland van het persoonlijke gedrag van de betrokken persoon, waarbij rekening moet worden gehouden met alle voornoemde aspecten, met name om uit te maken of uit het gedrag van de betrokkene blijkt dat hij nog steeds een houding aanneemt die de in de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie bedoelde fundamentele waarden aantast en dat daardoor de gemoedsrust en de fysieke veiligheid van de bevolking zouden kunnen worden verstoord. Daarnaast heeft het Hof van Justitie overwogen dat een maatregel waarbij het recht op vrij verkeer wordt beperkt slechts gerechtvaardigd kan zijn indien het evenredigheidsbeginsel is geëerbiedigd.
Overwegingen
12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit aan de hand van het hiervoor weergegeven juridische kader zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat van eisers gedragingen in Afghanistan nog steeds een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging uitgaat, die een fundamenteel belang van de samenleving aantast en dat het tijdsverloop van onvoldoende gewicht is om hier verandering in te brengen. Verweerder heeft in het bestreden besluit alle omstandigheden die volgens het arrest K. en H.F. van belang zijn expliciet en puntsgewijs betrokken en gemotiveerd waarom deze in het voordeel of juist nadeel van eiser dienen mee te wegen.
12.1.
Zo heeft verweerder in dat kader terecht overwogen dat in rechte vaststaat dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid in de zin van artikel 1F, aanhef en onder a, van het Vluchtelingenverdrag. Het gaat daarbij om ernstige misdrijven die naar hun aard zeer lang actueel blijven. Bovendien heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in eisers nadeel kunnen meewegen dat hij geen oprecht berouw heeft getoond voor de door hem als militair begane misdrijven in Afghanistan. Ook tijdens de ambtelijke hoorzitting van 4 januari 2024 in de onderhavige procedure blijft eiser herhalen dat hij gewoon een baan had in Afghanistan en zijn werk naar eer en geweten heeft gedaan. [11] Eiser heeft toen verder gesteld dat hij een integer persoon is en zich gewoon aan de regels heeft gehouden. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser hiermee zijn aandeel en verantwoordelijkheid bij de grove mensenrechtenschendingen bagatelliseert. Ter zitting van de rechtbank heeft eiser desgevraagd verklaard dat hij spijt heeft van wat er destijds in Afghanistan is gebeurd, maar dat het niet mogelijk was de bevelen niet uit te voeren en dat hij niet ‘tegen de wet en de mensenrechten’ heeft gehandeld. Ook daarmee heeft eiser geen blijk gegeven van verantwoordelijkheidsbesef noch oprecht berouw getoond maar opnieuw benadrukt dat hij heeft gedaan wat van hem werd verwacht. Vanwege de ernst van de misdrijven en het gebrek aan zelfreflectie en berouw bij eiser heeft verweerder niet ten onrechte geen doorslaggevende betekenis toegekend aan het tijdsverloop sinds de 1(F)-gedragingen, aan de omstandigheid dat eiser voldoet aan de cumulatieve voorwaarden van het arrest Chavez-Vilchez en aan het goede gedrag van eiser sinds zijn verblijf in Nederland.
12.2.
Nu eiser verder geen inhoudelijke beroepsgronden heeft gericht tegen de door verweerder verrichte toets aan het Unierechtelijke openbare orde-criterium en de in dat kader genoemde omstandigheden, slaagt deze beroepsgrond niet. Verweerder heeft dus eiser rechtmatig verblijf kunnen ontzeggen op grond van artikel 8.22, eerste lid, van het Vb.
Rechten van het kind
Beroepsgrond
13. Eiser voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind (IVRK). Door het bestreden besluit ontneemt verweerder eisers kinderen hun recht om te wonen en op te groeien met hun (beide) ouders.
Overweging
14. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank merkt ten eerste op dat eiser in zijn beroepsgronden voornamelijk een opsomming heeft gegeven van enkele artikelen uit het IVRK zonder te onderbouwen waarom het bestreden besluit in strijd is met die artikelen. Verweerder heeft in het bestreden besluit verder voldoende rekening gehouden met de rechten van eisers kinderen. Zo heeft verweerder betrokken dat eisers minderjarige kinderen medische problemen hebben waarvoor eiser zorgtaken verricht. In het bestreden besluit heeft verweerder ook terecht opgemerkt dat niet is gebleken dat het onmogelijk is voor eiser om zich samen met zijn gezin buiten Nederland te vestigen. Overigens heeft verweerder niet ten onrechte in het bestreden besluit opgemerkt dat van een gedwongen uitzetting naar Afghanistan geen sprake is, zodat in die zin geen sprake zal zijn van een gedwongen scheiding. Deze rechten waar eiser een beroep op doet zijn ten slotte niet absoluut en eiser heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het bestreden besluit een onrechtmatige inbreuk op die rechten zou maken.
Evenredigheidsbeginsel
Beroepsgrond
15. Volgens eiser weegt het belang van de Nederlandse staat niet op tegen het belang van eiser en zijn gezin om samen rechtmatig in Nederland te mogen verblijven. Er zijn geen zwaarwegende belangen die het bestreden besluit rechtvaardigen. Verweerder heeft geen deugdelijke belangenafweging gemaakt.
Overweging
16. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit een evenredigheidsbeoordeling heeft gemaakt. Gesteld noch gebleken is dat bepaalde belangen van eiser hierin niet zijn meegewogen. Bij deze evenredigheidsbeoordeling heeft verweerder nogmaals de persoonlijke belangen van eiser afgewogen tegen de algemene belangen van de Nederlandse staat. Hierbij heeft verweerder ook de belangen van eisers kinderen meegewogen. Dit heeft verweerder ook gedaan in het kader van de belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank heeft hiervoor (onder rechtsoverweging 9-9.2) al overwogen dat verweerder die belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiser heeft laten uitvallen. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert in beroep geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder desondanks een ondeugdelijke evenredigheidsbeoordeling heeft gemaakt. Eiser heeft in beroep namelijk enkel gesteld dat van zwaarwegende belangen van de zijde van verweerder niet is gebleken. Dat is geen inhoudelijke betwisting van de uitkomst van de verrichte evenredigheidstoets of van de wijze waarop verweerder die heeft verricht.

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand.
18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, voorzitter, en
mr. G.A. Bouter - Rijksen en mr. E.C. Harting, leden, in aanwezigheid van
mr. L.D. Osborne, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.AWB 02/47962.
2.AWB 11/11916.
3.AWB 12/36158.
4.201309220/1/V2.
5.NL21.3223.
6.Arrest van het Hof van Justitie van 10 mei 2027, ECLI:EU:C:2017:354.
7.Arrest van het Hof van Justitie van 2 mei 2018, ECLI:EU:C:2018:296 (K. en H.F.).
8.Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 29 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1722.
9.Arrest van het EHRM van 2 augustus 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0802JUD005427300.
10.Arrest van het EHRM van 18 oktober 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:1018JUD004641099.
11.Gehoor ambtelijke commissie, pagina 7.