Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7877

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 april 2026
Zaaknummer
C/09/678253 / FA RK 25-118 & C/09/686658 / FA RK 25-4343
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:56 BWArt. 3 Protocol van 23 november 2007Art. 1:93 BWArt. 1:94 BWArt. 5 Verordening huwelijksvermogensstelsels
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met verdeling huwelijksgemeenschap en afwijzing partneralimentatie wegens terugkeer man naar buitenland

Partijen zijn gehuwd in 2022 en hebben de Nederlandse en Peruaanse nationaliteit. De rechtbank heeft op 2 april 2025 voorlopige voorzieningen getroffen waarbij de man exclusief gebruik kreeg van de echtelijke woning. De vrouw verzocht om echtscheiding met nevenvoorzieningen, waaronder verkoop van de woning, verdeling van inboedel en bankrekeningen, en partneralimentatie voor de man.

De rechtbank oordeelt dat de echtscheiding gegrond is omdat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De partneralimentatie wordt afgewezen omdat de man zal terugkeren naar Peru en onvoldoende onderbouwd heeft wat zijn behoefte en inkomen aldaar zullen zijn. De rechtbank kan niet uitgaan van Nederlandse maatstaven voor alimentatie.

De verdeling van de huwelijksgemeenschap vindt plaats volgens de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen. De vrouw heeft een vergoedingsrecht van 29,75% van de taxatiewaarde van de woning wegens investering uit privévermogen. De woning wordt getaxeerd en de vrouw krijgt de mogelijkheid tot overname, anders volgt verkoop. De inboedel wordt verdeeld conform de door de vrouw overgelegde lijst. Bankrekeningen worden per peildatum (7 januari 2025) bij helfte gedeeld. De man mag de woning en inboedel voortgezet gebruiken tot 1 juli 2026. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, partneralimentatie afgewezen, huwelijksgemeenschap verdeeld met vergoedingsrecht vrouw en voortgezet gebruik woning door man tot 1 juli 2026.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummers: FA RK 25-118 (echtscheiding) en FA RK 25-4343 (verdeling)
Zaaknummers: C/09/678253 (echtscheiding) en C/09/686658 (verdeling)
Datum beschikking: 4 maart 2026

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 7 januari 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: voorheen mr. W.J. Vroegindeweij te Katwijk, nu mr. P.F.D.P. de Milliano te Katwijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.A.G. Balkenende te Katwijk.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 15 januari 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlage;
  • het F9-formulier van 27 februari 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlage;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
  • het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
  • het F9-formulier van 6 augustus 2025 van de advocaat van de man;
  • het F9-formulier van 13 januari 2026 van de advocaat van de man, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 16 januari 2026 van de advocaat van de man, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 21 januari 2026 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 28 januari 2026 van de advocaat van de vrouw, met bijlage;
  • het F9-formulier van 30 januari 2026 van de advocaat van de man, met bijlage.
Op 4 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat en tolk A.M. van den Berg-Barrio y Mendez.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2022 te [plaats].
- Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat de vrouw de Nederlandse nationaliteit heeft en de man de Peruaanse nationaliteit heeft.
- Deze rechtbank heeft op 2 april 2025 voorlopige voorzieningen getroffen,
voor zover van belang, inhoudende dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] en is bevolen dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden.

Verzoek en verweer

De vrouw heeft – na wijziging – verzocht om de echtscheiding uit te spreken met nevenvoorzieningen tot vaststelling van de gemeenschap van goederen, in die zin:
- de woning te [plaats] aan de [adres] zal worden verkocht vier weken na de datum van de beschikking, de hypotheeklening wordt afgelost en beide partijen betalen de helft van de kosten die samenhangen met de verkoop via [makelaarskantoor 1] voor een door de makelaar te bepalen vraag- en laatprijs;
- en te bepalen:
primair: dat de vrouw 33,11% van de verkoopwaarde van de woning verkrijgt, als zijnde haar inbreng en rendement in de woning en dat de vrouw dit bedrag eerst van de overwaarde krijgt, waarna de rest van de overwaarde bij helfte gedeeld wordt;
subsidiair: te bepalen dat de vrouw € 90.828,07 verkrijgt van de overwaarde, zijnde haar investering in de woning, waarna de rest van de overwaarde bij helfte wordt gedeeld;
- de inboedelgoederen worden verdeeld overeenkomstig productie 3 bij het verzoekschrift;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De man heeft verzocht om het verzoek van de vrouw om de echtscheiding uit te spreken toe te wijzen. De man heeft voor het overige verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man zelfstandig verzocht:
- de vrouw te veroordelen om aan de man een bedrag van € 600,- bruto per maand te betalen als maandelijkse bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de man, telkens te voldoen bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand;
- te bepalen dat de man jegens de vrouw na de ontbinding van het huwelijk bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats] en het gebruik van de zaken die behoren bij de woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de ontbinding van het huwelijk en de vrouw te bevelen de woning te verlaten en niet meer te betreden;
- de wijze van verdeling van de gemeenschap tussen partijen vast te stellen op de wijze zoals is aandragen onder posita 8 tot en met 10 van het verweerschrift;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de vrouw – aanvullend en in zoverre met wijziging van haar eerdere verzoeken – verzocht:
- productie 3 bij het verzoekschrift aan de beschikking te hechten als zijnde de
verdeling van de inboedelgoederen;
- te bepalen dat het saldo van de bankrekening [rekeningnummer 1] bij helfte
wordt gedeeld;
- te bepalen dat de vrouw binnen drie maanden na de datum van inschrijving van de
echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand de man moet laten weten of zij de
woning over kan nemen voor een door [makelaarskantoor 1] te bepalen vraagprijs;
- te bepalen dat de woning, mocht blijken dat de vrouw in de genoemde periode
moet concluderen dat zij de woning niet over kan nemen, binnen een week nadat de vrouw dit heeft medegedeeld aan de man, in de verkoop wordt gezet bij [makelaarskantoor 1] voor een door de makelaar te bepalen vraag- en laatprijs;
een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

Beoordeling

Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.
Overwegingen rechtbank
De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Partneralimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de man in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek. Op het verzoek tot alimentatie voor de man zal de rechtbank op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Overwegingen rechtbank
De man heeft verzocht om een partneralimentatie van € 600,- per maand vast te stellen. Hij heeft aangegeven dat hij vanwege de echtscheiding zijn verblijfsrecht in Nederland zal verliezen en daardoor moet terugkeren naar [land]. De man zal vanaf 6 juli 2026 geen werk en inkomen meer hebben en kan in [land] niet direct een inkomen uit arbeid verkrijgen, omdat hij geen familie heeft waar hij kan verblijven voordat hij over eigen woonruimte kan beschikken. De man heeft dan ook behoefte aan een door de vrouw te betalen bijdrage in zijn levensonderhoud.
De vrouw heeft zich verzet tegen het verzoek. Zij heeft betwist dat de man zal worden uitgezet. De vrouw heeft gesteld dat de man zijn werkzaamheden in Nederland kan continueren, waardoor hij geen behoefte heeft aan een bijdrage in zijn levensonderhoud. Als de man moet terugkeren naar [land] heeft hij ook geen behoefte aan een bijdrage, omdat hij dan kan interen op het vermogen dat hij zal ontvangen uit de overname door de vrouw van de voormalige echtelijke woning of de verkoop van de woning aan een derde. Daarbij is de man in staat om in [land] snel aan het werk te gaan, omdat hij eerder in [land] heeft gewerkt als monteur van tuktuks en in de beveiliging.
De vrouw heeft aangevoerd dat zij geen draagkracht heeft voor een bijdrage aan de man.
De rechtbank overweegt als volgt. Aangezien de man om een door de vrouw te betalen bijdrage in zijn kosten van levensonderhoud heeft verzocht, ligt primair bij de man de plicht om voldoende onderbouwd te stellen dat sprake is van een behoefte en dient, bij betwisting, deze behoefte nader te worden onderbouwd.
Op de zitting heeft de man desgevraagd bevestigd dat hij dit jaar terug zal keren naar [land]. Gelet hierop kan de rechtbank in het kader van een berekening van de partneralimentatie niet uitgaan van Nederlandse maatstaven. De man heeft verschillende notities ingebracht, waaruit zou volgen wat het gemiddelde inkomen zou zijn van een taxi/tuktuk-chauffeur in [land] en wat de behoefte van de man in [land] zou zijn op basis van de levensstandaard aldaar. Ook heeft de man advertenties van te huur staande appartementen in [land] overgelegd. Op basis van de stukken en dat wat op de zitting is besproken kan de rechtbank echter niet vaststellen wat het inkomen en de woonlasten van de man in [land] zullen zijn. Daarbij overweegt de rechtbank dat zij hierbij niet kan uitgaan van het inkomen en de woonlasten van een gemiddelde inwoner in [land], omdat onvoldoende vaststaat dat deze gemiddelden in [land] ook op de man van toepassing zullen zijn. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man zijn behoefte, aanvullende behoefte en het verzoek tot partneralimentatie onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank zal het verzoek van de man daarom afwijzen.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).
Op het huwelijksvermogensstelsel van partijen is de Verordening huwelijksvermogensstelsels van toepassing. Niet is gesteld of gebleken dat partijen ten aanzien van het huwelijksvermogensstelsel een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht.
Krachtens artikel 26, eerste lid, onder a van de Verordening wordt het huwelijksvermogensstelsel beheerst door het Nederlandse recht, nu partijen na de huwelijkssluiting hun eerste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats hebben gevestigd in Nederland.
Wettelijke beperkte gemeenschap van goederen
Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Zij zijn op of na 1 januari 2018 met elkaar gehuwd, zodat gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW moet worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen bestond.
De rechtbank overweegt dat nu de echtgenoten gehuwd zijn in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen, de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:94, lid 2 en lid 7 BW bestaat uit de goederen en schulden die voor het huwelijk reeds gemeenschappelijk waren en uit de goederen die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn verkregen dan wel schulden die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn aangegaan, voor zover deze niet betrekking hebben op goederen die buiten de wettelijke beperkte gemeenschap vallen.
Bij de verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat de echtgenoten in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen.
Peildatum
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum
7 januari 2025, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling. De rechtbank zal, zoals te doen gebruikelijk bij bankrekeningen en nu partijen niet anders zijn overeengekomen, als peildatum hanteren de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 7 januari 2025.
Omvang
Door partijen zijn de volgende bestanddelen en schulden van de gemeenschap naar voren gebracht:
het woonhuis aan de [adres] met de daaraan verbonden hypothecaire geldlening met leningnummer [nummer];
de inboedel;
de bankrekeningen;
1. ING Oranje spaarrekening [rekeningnummer 2] op naam van de vrouw;
2. ING Oranje spaarrekening [rekeningnummer 3] op naam van de vrouw;
3. bankrekening [rekeningnummer 4] op naam van de vrouw;
4. SNS spaarrekening [rekeningnummer 5] op naam van de vrouw;
5. ING Oranje spaarrekening [rekeningnummer 6] op naam van de man;
6. ING bankrekening [rekeningnummer 1] op naam van de man;
7. ING bankrekening [rekeningnummer 7] op naam van partijen;
8. ING spaarrekening [rekeningnummer 8] op naam van partijen;
9. ING spaarrekening [rekeningnummer 9] op naam van partijen;
10. ING spaarrekening [rekeningnummer 10] op naam van partijen;
11. ING spaarrekening [rekeningnummer 11] op naam van partijen;
een geldbedrag van € 8.400,- bij de ouders van de vrouw;
een geldbedrag van € 4.500,- bij de zus van de man.
Ad a. het woonhuis
De vrouw heeft aangegeven dat zij de echtelijke woning wil overnemen. Op de zitting is besproken dat de vrouw de gelegenheid krijgt om te bezien of zij de man kan uitkopen. Mocht dat niet lukken, dan moet de woning worden verkocht. De man heeft hiermee ingestemd. Op de zitting heeft de rechtbank begrepen dat de woning zal worden getaxeerd door [makelaarskantoor 2] te [plaats] en uitgangspunt zal zijn dat de levering van de woning aan de vrouw dan wel een derde uiterlijk op 1 juli 2026 zal plaatsvinden. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen en in het dictum een ‘spoorboekje’ opnemen, waarin is opgenomen hoe invulling moet worden gegeven aan een eventuele overname van de echtelijke woning door de vrouw en, in het geval de vrouw daartoe niet in staat is, aan de verkoop van de echtelijke woning en verdeling van de overwaarde.
Vergoedingsrecht vrouw in verband met aanwending privévermogen bij aankoop echtelijke woning
De vrouw heeft gesteld dat zij vanuit haar privévermogen een bedrag van € 90.828,07 heeft geïnvesteerd in de echtelijke woning. Volgens de vrouw moet bij de berekening van het vergoedingsrecht rekening worden gehouden met de beleggingsleer, omdat er sprake is van een investering uit privévermogen gedaan na 1 januari 2012. De aankoopprijs van de echtelijke woning was € 292.000,-.
De investering van de vrouw bedroeg aldus 31,11% van de aankoopprijs. De vrouw heeft primair verzocht te bepalen dat zij 33,11% (de rechtbank begrijpt: 31,11%) van de verkoopwaarde van de woning verkrijgt. Subsidiair heeft de vrouw verzocht te bepalen dat zij € 90.828,07 verkrijgt van de overwaarde van de woning.
De man heeft betwist dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft en dat zij vanuit haar privévermogen een bedrag van € 90.828,07 in de echtelijke woning heeft geïnvesteerd. Beide partijen hebben geldbedragen op de gezamenlijke bankrekening gestort. Zij hebben met gezamenlijk vermogen dat per 1 maart 2022 op de gezamenlijke bankrekening stond geïnvesteerd in de woning. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de beleggingsleer daarom niet van toepassing is. Subsidiair heeft de man gesteld dat de vrouw niet meer dan € 86.888,20 in de woning heeft geïnvesteerd. Een gedeelte van € 3.940,87 van het bedrag € 90.828,07, zoals door de vrouw aangevoerd, betrof geen investering in de woning, maar een andere betalingsverplichting van partijen.
De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting heeft de man niet betwist dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft. Tussen partijen is wel in geschil hoe hoog het vergoedingsrecht van de vrouw is en of de beleggingsleer daarop van toepassing is. De rechtbank overweegt dat uit de nota van afrekening van 23 maart 2022 zoals overgelegd bij het verzoekschrift van 7 januari 2025 blijkt dat een bedrag van € 86.888,20 (de waarborgsom van € 29.200,- en het bedrag per saldo te voldoen van € 57.688,20) is voldaan. De rechtbank is van oordeel dat mede gelet op het verhandelde ter zitting voldoende aannemelijk is dat dit bedrag behoorde tot privévermogen van de vrouw. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de vrouw uit hoofde van een vergoedingsrecht een vordering op de gemeenschap heeft van € 86.888,20. Anders dan de man is de rechtbank van oordeel dat, conform de wettelijke uitgangspunten, de beleggingsleer van toepassing is. Voor de berekening van het vergoedingsrecht van de vrouw moet aan de hand van de beleggingsleer de volgende formule worden toegepast:
totale investering / totale koopsom woning x taxatiewaarde woning.
De totale investering van de vrouw bedroeg € 86.888,20. De aankoopprijs van de woning was € 292.000,-. Het voorgaande brengt met zich dat de formule die toegepast moet worden om het vergoedingsrecht van de vrouw te berekenen er als volgt uit ziet:
86.888,20 (totale investering) / 292.000 (aankoopbedrag woning) x taxatiewaarde woning, ofwel, 29,75% van de taxatiewaarde.
Het bedrag dat hieruit zal voortvloeien, nadat de taxatie van de echtelijke woning heeft plaatsgevonden, komt de vrouw eerst toe bij de verdeling van de overwaarde van de echtelijke woning, waarna het resterende bedrag aan overwaarde bij helfte tussen partijen zal worden verdeeld. De rechtbank zal in het dictum van deze beschikking bepalen dat bij de overdracht van de echtelijke woning aan de vrouw of een derde rekening gehouden moet worden met dit vergoedingsrecht.
Ad b. de inboedel
De vrouw heeft aangegeven dat zij de inboedel wil verdelen conform de door haar overgelegde inboedellijst, te weten productie 3 bij het verzoekschrift van 7 januari 2025.
De man heeft ingestemd met de inboedellijst van de vrouw, met de kanttekening dat een aantal zaken volgens hem niet kunnen worden verdeeld.
De rechtbank overweegt dat partijen grotendeels overeenstemming hebben over de verdeling van de inboedel, met dien verstande dat een aantal zaken volgens de man ofwel niet te verdelen zijn dan wel niet tot de inboedel behoren. De rechtbank zal hieraan voorbijgaan, nu niet is gebleken dat dit een relevante en substantiële wijziging van het voorstel van de vrouw inhoudt. De rechtbank zal aldus bepalen dat de inboedel conform de inboedellijst, te weten productie 3 bij het verzoekschrift van 7 januari 2025 van de vrouw, zal worden verdeeld.
Ad c. de bankrekeningen
De man heeft verzocht te bepalen dat de saldi op de bankrekeningen worden toebedeeld aan degene op wiens naam de bankrekeningen zijn gesteld met de verplichting om de helft van de saldi aan de ander te betalen.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat het saldo op [rekeningnummer 1] op naam van de man bij helfte tussen partijen wordt gedeeld.
De rechtbank zal bepalen dat partijen de saldi van de bankrekeningen per peildatum bij helfte met elkaar moeten delen, waarna de bankrekeningen worden toegedeeld aan de partij op wiens naam de bankrekening is gesteld. De rechtbank begrijpt dat de gezamenlijke rekening van partijen waarvan de hypotheeklasten worden afgeschreven na verrekening door de vrouw zal worden voortgezet en de overige gezamenlijke rekeningen na verrekening zullen worden opgeheven. Dit leent zich niet voor opname in het dictum, maar de rechtbank gaat ervan uit dat beide partijen dit zullen nakomen.
Ad d en e. de geldbedragen bij familie van partijen
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de ouders van de vrouw een bedrag van € 8.400,- van partijen onder zich houden, de zus van de man een bedrag van € 4.500,- van partijen onder zich heeft en deze beide geldbedragen tot de gemeenschap behoren. Op de zitting zijn partijen overeengekomen dat de vrouw afstand doet van het geldbedrag dat zich bevindt bij de zus van de man en de man afstand doet van het geldbedrag dat zich bevindt bij de ouders van de vrouw. Zij zullen deze bedragen met elkaar verrekenen, in die zin dat de vrouw een bedrag van € 1.950,- aan de man zal voldoen. De rechtbank zal aldus beslissen.
Voortgezet gebruik
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek ter zake van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en wordt dit volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst.
Overwegingen rechtbank
De man heeft verzocht om het voortgezet gebruik van de woning en de inboedel voor de duur van zes maanden na de inschrijving van de echtscheiding. De rechtbank overweegt dat de man momenteel in de woning verblijft en de vrouw bij haar ouders woont. De man gaat ervan uit dat hij in juli 2026 naar [land] zal terugkeren. Daarbij zal de woning uiterlijk 1 juli 2026 aan de vrouw dan wel een derde worden geleverd. Gelet hierop zal de rechtbank in zoverre het mindere toewijzen en bepalen dat aan de man het voortgezet gebruik toekomt vanaf de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand tot 1 juli 2026. Het meer of anders verzochte te dien aanzien zal worden afgewezen.
Beslissing
De rechtbank:
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2022 te [plaats];
stelt vast dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft op de man ter zake van aanwending van privévermogen bij de aankoop van de echtelijke woning te weten 29,75% van de taxatiewaarde woning;
stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres] met de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening met leningnummer [nummer]:
1. de woning wordt toegedeeld aan de vrouw op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen verstrekken binnen één week een gezamenlijke opdracht aan [makelaarskantoor 2] te [plaats] tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de vrouw de woning zal overnemen;
b) de vrouw dient binnen twee maanden na de taxatie aan de man aan te tonen dat zij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening,
c) de vrouw dient de man de helft van de overwaarde te vergoeden;
d) de overwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde, minus het in dit dictum berekende vergoedingsrecht, de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
e) de kosten van de notariële overdracht worden door de vrouw, als kosten koper, voldaan;
f) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning, waarbij uitgangspunt zal zijn dat de levering van de woning uiterlijk op 1 juli 2026 zal plaatsvinden;
2) indien de vrouw de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de vrouw kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1) genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, minus het in dit dictum berekende vergoedingsrecht dat aan de vrouw toekomt, de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning, waarbij uitgangspunt zal zijn dat de levering van de woning uiterlijk op 1 juli 2026 zal plaatsvinden;
aan de man worden toegedeeld:
- de inboedelgoederen conform productie 3 bij het verzoekschrift van
7 januari 2025 van de vrouw;
- de helft van het saldo op de peildatum (7 januari 2025) van de
bankrekening [rekeningnummer 2] op naam van de vrouw;
- de helft van het saldo op de peildatum (7 januari 2025) van de
bankrekening [rekeningnummer 3] op naam van de vrouw;
- de helft van het saldo op de peildatum (7 januari 2025) van de
bankrekening [rekeningnummer 4] op naam van de vrouw;
- de helft van het saldo op de peildatum (7 januari 2025) van de
bankrekening [rekeningnummer 5] op naam van de vrouw;
- de bankrekening [rekeningnummer 6] op naam van de man, waarbij het saldo op de peildatum (7 januari 2025) bij helfte met de vrouw moet worden gedeeld;
de bankrekening [rekeningnummer 1] op naam van de man, waarbij het saldo op de peildatum (7 januari 2025) bij helfte met de vrouw moet worden gedeeld;
- de helft van het saldo op de peildatum (7 januari 2025) van de
bankrekening [rekeningnummer 7] op naam van partijen;
- de helft van het saldo op de peildatum (7 januari 2025) van de
bankrekening [rekeningnummer 8] op naam van partijen;
- de helft van het saldo op de peildatum (7 januari 2025) van de
bankrekening [rekeningnummer 9] op naam van partijen;
- de helft van het saldo op de peildatum (7 januari 2025) van de
bankrekening [rekeningnummer 10] op naam van partijen;
- de helft van het saldo op de peildatum (7 januari 2025) van de
bankrekening [rekeningnummer 11] op naam van partijen;
aan de vrouw worden toegedeeld:
- de inboedelgoederen conform productie 3 bij het verzoekschrift van
7 januari 2025 van de vrouw;
- de bankrekening [rekeningnummer 2] op naam van de vrouw, waarbij het saldo op de peildatum (7 januari 2025) bij helfte met de man moet worden gedeeld;
- de bankrekening [rekeningnummer 3] op naam van de vrouw, waarbij het saldo op de peildatum (7 januari 2025) bij helfte met de man moet worden gedeeld;
- de bankrekening [rekeningnummer 4] op naam van de vrouw, waarbij het saldo op de peildatum (7 januari 2025) bij helfte met de man moet worden gedeeld;
- de bankrekening [rekeningnummer 5] op naam van de vrouw, waarbij het saldo op de peildatum (7 januari 2025) bij helfte met de man moet worden gedeeld;
- de helft van het saldo op de peildatum (7 januari 2025) van de
bankrekening [rekeningnummer 6] op naam van de man;
- de helft van het saldo op de peildatum (7 januari 2025) van de
bankrekening [rekeningnummer 1] op naam van de man;
- de helft van het saldo op de peildatum (7 januari 2025) van de
bankrekening [rekeningnummer 7] op naam van partijen;
- de helft van het saldo op de peildatum (7 januari 2025) van de
bankrekening [rekeningnummer 8] op naam van partijen;
- de helft van het saldo op de peildatum (7 januari 2025) van de
bankrekening [rekeningnummer 9] op naam van partijen;
- de helft van het saldo op de peildatum (7 januari 2025) van de
bankrekening [rekeningnummer 10] op naam van partijen;
- de helft van het saldo op de peildatum (7 januari 2025) van de
bankrekening [rekeningnummer 11] op naam van partijen;
bepaalt dat de vrouw in het kader van de verrekening van de geldbedragen bij de ouders van de vrouw en de zus van de man een bedrag van € 1.950,- aan de man moet voldoen;
bepaalt dat de man jegens de vrouw bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning aan de [adres] en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten na de inschrijving van deze beschikking tot 1 juli 2026, onder de voorwaarde dat de man deze woning op het moment van die inschrijving bewoont en aan de vrouw uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt;
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 4 maart 2026.