ECLI:NL:RBDHA:2026:7850
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroep na bezwaar
In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 3 april 2026 uitspraak gedaan over een verzoek om voorlopige voorziening van een verzoekster van Nigeriaanse nationaliteit tegen de afwijzing van haar aanvraag door de minister van Asiel en Migratie.
De minister had op 13 februari 2026 een beslissing genomen op het bezwaarschrift van verzoekster. Verzoekster heeft echter geen beroep ingesteld tegen deze beslissing op bezwaar. Volgens artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een verzoek om voorlopige voorziening alleen ontvankelijk indien er een beroepsprocedure tegen het besluit op bezwaar loopt.
Omdat dit niet het geval was, verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk en heeft het verzoek niet inhoudelijk beoordeeld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een beroep tegen de beslissing op bezwaar.