Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7835

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
NL25.64085
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 42 VwArt. 43 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op asielaanvraag Iran tijdens besluitmoratorium

Eiseres uit Iran heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 4 juni 2025 en moest in beginsel binnen zes maanden beslissen. Hoewel de minister aanvankelijk de beslistermijn met negen maanden verlengde, werd deze verlenging ingetrokken, waardoor de standaardtermijn van zes maanden weer geldt.

Op 24 maart 2026 trad een besluitmoratorium in werking voor asielaanvragen uit Iran, waardoor de minister gedurende deze periode niet beslist op dergelijke aanvragen. Dit moratorium verlengt de beslistermijn met maximaal één jaar, waardoor de uiterste beslisdatum voor eiseres op 4 december 2026 ligt. Eiseres stelde de minister op 8 december 2025 in gebreke en diende op 31 december 2025 haar beroep in, beide tijdig en vóór het moratorium.

De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, maar gelet op het moratorium en de verlengde beslistermijn is het beroep kennelijk ongegrond. Er is geen sprake van een bestuurlijke dwangsom omdat de minister nog binnen de termijn moet beslissen. Wel wordt eiseres een proceskostenvergoeding van € 467,- toegekend vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege het besluitmoratorium, met toekenning van een proceskostenvergoeding.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.64085
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. S.R. Nohar),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend, omdat de minister volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2

Is het beroep van eiseres ontvankelijk?

3. De minister heeft de aanvraag op 4 juni 2025 ontvangen. De minister moet in beginsel uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen.3
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Aanvankelijk heeft de minister de beslistermijn onder toepassing van WBV 2025/4 met negen maanden verlengd. De minister heeft deze WBV echter weer ingetrokken (IB 2025/28). Als gevolg hiervan geldt voor alle asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2025 weer een beslistermijn van zes maanden.
4. Eiseres komt uit Iran. Met ingang van 24 maart 2026 geldt voor Iran een besluitmoratorium.4 Gedurende de tijd dat het besluitmoratorium van kracht is, beslist de minister niet op asielaanvragen van vreemdelingen uit dat land. De beslistermijn voor asielaanvragen die vóór of tijdens de werking van het besluitmoratorium werden ontvangen, is verlengd met één jaar tot ten hoogste 21 maanden.5
5. Eiseres heeft de minister op 8 december 2025 in gebreke gesteld. Eiseres heeft op
31 december 2025, meer dan twee weken na de ingebrekestelling, beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. De rechtbank stelt vast dat het besluitmoratorium nog niet van kracht was toen eiseres de ingebrekestelling en het beroep instelde. De ingebrekestelling en het beroep zijn tijdig ingediend. Het beroep is dus ontvankelijk.
6. Het moratorium is mede van toepassing op asielaanvragen waarvan de beslistermijn van zes maanden is verstreken op het moment van de inwerkingtreding van het moratorium.6 De aanvraag van eiseres valt onder deze situatie en daarmee dus onder het toepassingsbereik van het moratorium.
7. De minister dient uiterlijk op 4 december 2026 te beslissen op de aanvraag (4 juni 2025 + zes maanden + één jaar, tot in totaal ten hoogste 21 maanden). De
beslistermijn is derhalve nog niet verstreken. Hieruit vloeit voort dat het beroep kennelijk ongegrond is.
Heeft de minister een bestuurlijke dwangsom verbeurd?
8. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om “te bepalen dat verweerder de wettelijke dwangsommen is verschuldigd”. De rechtbank vat dit op als een verzoek tot het vaststellen van de hoogte van de bestuurlijke dwangsom.
9. Aangezien zich geen situatie voordoet waarin de minister te laat op de aanvraag heeft beslist, is er hoe dan ook geen aanleiding om te oordelen dat de minister een bestuurlijke dwangsom verbeurt.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is kennelijk ongegrond. Eiseres heeft haar beroep aanvankelijk terecht ingesteld. Toen zij dat deed, was het moratorium immers nog niet van kracht. Om die reden krijgt eiseres een vergoeding voor haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
4 Stcrt 2026, 11864.
5 Artikel 43, eerste lid, van de Vw en artikel 2 van Pro het Besluit tot het instellen van een besluitmoratorium en vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Iran.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
01 april 2026

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.