Eiseres uit Iran heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 4 juni 2025 en moest in beginsel binnen zes maanden beslissen. Hoewel de minister aanvankelijk de beslistermijn met negen maanden verlengde, werd deze verlenging ingetrokken, waardoor de standaardtermijn van zes maanden weer geldt.
Op 24 maart 2026 trad een besluitmoratorium in werking voor asielaanvragen uit Iran, waardoor de minister gedurende deze periode niet beslist op dergelijke aanvragen. Dit moratorium verlengt de beslistermijn met maximaal één jaar, waardoor de uiterste beslisdatum voor eiseres op 4 december 2026 ligt. Eiseres stelde de minister op 8 december 2025 in gebreke en diende op 31 december 2025 haar beroep in, beide tijdig en vóór het moratorium.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, maar gelet op het moratorium en de verlengde beslistermijn is het beroep kennelijk ongegrond. Er is geen sprake van een bestuurlijke dwangsom omdat de minister nog binnen de termijn moet beslissen. Wel wordt eiseres een proceskostenvergoeding van € 467,- toegekend vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp.