Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 25 april 2025 en moest binnen zes maanden beslissen. Eiseres stelde de minister op 12 november 2025 schriftelijk in gebreke en diende daarna beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn heeft beslist. De minister had aanvankelijk de beslistermijn met negen maanden verlengd, maar deze verlenging is ingetrokken, waardoor de termijn weer zes maanden bedraagt. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet afnemen over de asielmotieven van eiseres en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Ook veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiseres van € 467,- vanwege de inschakeling van professionele juridische hulp. De uitspraak is gedaan door rechter A. Skerka en griffier J.B. Thépass op 4 maart 2026.