Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7739

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
NL 26 12133
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 13 Verordening (EU) Nr. 604/2013Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser, een Nigeriaanse asielzoeker, diende op 21 september 2025 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Spanje verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening, aangezien uit het Eurodac-systeem bleek dat eiser eerder via Spanje de EU was binnengekomen.

Eiser voerde aan dat hij medische beperkingen en psychische problemen heeft, waaronder suïcidale gedachten, en dat hij onvoldoende zorg zou ontvangen bij overdracht aan Spanje. Hij beriep zich op het arrest CK tegen Slovenië van het Hof van Justitie van de EU, dat stelt dat overdracht niet mag leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de medische situatie.

De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in Spanje sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of opvang, noch dat zijn medische situatie objectief is onderbouwd. Daarom kan worden aangenomen dat Spanje de noodzakelijke zorg zal bieden conform het EVRM en het Handvest van de grondrechten van de EU.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het bestreden besluit. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter J.F.I. Sinack en openbaar gemaakt op 2 april 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.12133

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Šimičević),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

In het besluit van 3 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Spanje daarvoor verantwoordelijk is.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2002 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 21 september 2025 asiel aangevraagd in Nederland.
2. In het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 omdat Spanje daarvoor verantwoordelijk is. Uit het Eurodac-systeem is namelijk gebleken dat eiser eerder via Spanje illegaal het grondgebied van de Europese Unie is ingereisd. In het Eurodac-systeem registreren de lidstaten van de Europese Unie aan de hand van vingerafdrukken onder meer waar en wanneer een asielzoeker inreist. Op 9 december 2025 hebben de Spaanse autoriteiten het verzoek om eiser over te nemen geaccepteerd op grond van artikel 13, eerste lid, van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening).
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat hij medische beperkingen heeft en medicatie gebruikt die hij op tijd moet innemen. In het aanmeldgehoor heeft hij verklaard over suïcidale gedachten en psychische problemen. Volgens eiser heeft verweerder hier onvoldoende onderzoek naar gedaan en dienen er garanties te worden verkregen dat hij bij overdracht de juiste zorg zal krijgen. Anders bestaat er volgens hem een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Eiser beroept zich hierbij op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017 in de zaak CK tegen Slovenië, ECLI:EU:C:2017:127.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Binnen de Europese Unie geldt het uitgangspunt dat de lidstaten er over en weer op kunnen vertrouwen dat het Europese recht wordt nageleefd. Bij het beantwoorden van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor het behandelen van een asielaanvraag, kan alleen van dit uitgangspunt worden afgeweken als een asielzoeker aannemelijk maakt dat er in de verantwoordelijke lidstaat sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen. Dit staat in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening.
5. In het door eiser aangehaalde CK-arrest is geoordeeld dat overdracht naar een andere lidstaat niet mag leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de medische situatie. Het ligt op de weg van de vreemdeling die stelt dat daarvan sprake is om dat te onderbouwen met objectieve medische gegevens.
6. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er in Spanje sprake is van systematische tekortkomingen. Ook heeft hij zijn gestelde medische problemen niet onderbouwd met objectieve medische stukken. Dit brengt mee dat er vanuit moet worden gegaan dat eiser na overdracht aan Spanje in overeenstemming met het Europese recht zal worden behandeld. In dat kader zijn de Spaanse autoriteiten gebonden aan de verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 3 van het EVRM en 4 van het Handvest. Dit omvat ook de verplichting om eiser de noodzakelijke medische zorg te geven.
7. De conclusie is dat het beroep kennelijk ongegrond is. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand. Eiser krijgt dan ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 2 april 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.