ECLI:NL:RBDHA:2026:7736
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing verzoek proceskostenvergoeding wegens niet tijdig beslissen verblijfsvergunning
Verzoeker diende een beroep in tegen de minister van Asiel en Migratie omdat de minister niet tijdig had beslist op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning. Op 16 december 2025 nam de minister alsnog een besluit op de aanvraag, waarna verzoeker zijn beroep introk en een verzoek tot proceskostenvergoeding indiende.
De rechtbank oordeelde dat het niet nodig was partijen uit te nodigen voor een zitting. Gezien het feit dat de minister tegemoet was gekomen aan het beroep door alsnog een besluit te nemen, was het verzoek om proceskostenvergoeding kennelijk gegrond. De rechtbank wees het verzoek toe en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten.
De vergoeding werd vastgesteld op €467,-, gebaseerd op een wegingsfactor van 0,5 vanwege het lichte gewicht van de zaak en het inschakelen van een professionele juridische hulpverlener. De door de minister aangeboden lagere vergoeding werd niet gevolgd. De uitspraak werd gedaan door rechter A. Skerka in aanwezigheid van griffier J.B. Thépass.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van €467,- aan proceskosten wegens niet tijdig beslissen op de verblijfsvergunningaanvraag.