ECLI:NL:RBDHA:2026:7733
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk na intrekking besluit tijdelijke bescherming
Eiser had beroep ingesteld tegen het besluit van 21 februari 2024 waarin werd bepaald dat hij na 4 maart 2024 geen recht meer had op tijdelijke bescherming en moest terugkeren naar Marokko. De rechtbank had het beroep aanvankelijk aangehouden in afwachting van prejudiciële vragen aan het HvJ EU.
Op 4 december 2025 trok de minister het bestreden besluit in. Hierdoor verloor eiser het procesbelang bij het beroep. De rechtbank oordeelde dat het beroep daarom niet-ontvankelijk was. Eiser had nog aangevoerd dat een ander besluit van 16 juli 2025 geen terugkeerbesluit was, maar de rechtbank ging hier niet op in omdat dat niet onderwerp van deze procedure was.
De rechtbank verwees naar een arrest van het HvJ EU van 19 december 2024 waarin werd vastgesteld dat het bestreden besluit ten tijde van het beroep onrechtmatig was. Ondanks een aanbod van de minister om proceskosten te vergoeden, had eiser het formulier hiervoor nog niet ingevuld. Daarom veroordeelde de rechtbank de minister in de proceskosten van € 934.
De uitspraak werd gedaan door rechter W.H. Bel op 1 april 2026 en openbaar gemaakt zonder zitting. Partijen hadden niet gereageerd op het voornemen om zonder zitting te beslissen.
Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens intrekking van het bestreden besluit en de minister is veroordeeld in de proceskosten van eiser.