ECLI:NL:RBDHA:2026:7727

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
NL25.25238
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroep tegen bezwaar

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen een beslissing van de minister van Asiel en Migratie van 12 mei 2025. Tijdens de bezwaarprocedure heeft verzoeker op 5 juni 2025 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter. Op 3 februari 2026 heeft de minister een beslissing op het bezwaar genomen. Verzoeker heeft echter geen beroep ingesteld tegen deze beslissing.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het ontbreken van een beroep tegen de beslissing op bezwaar betekent dat niet is voldaan aan het connexiteitsvereiste, dat vereist dat een verzoek om voorlopige voorziening verbonden moet zijn aan een beroep. Hierdoor is het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk en kan de zaak niet inhoudelijk worden behandeld.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor proceskostenvergoeding en nodigt partijen niet uit voor een zitting. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier J.B. Thépass op 18 maart 2026. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een beroep tegen de beslissing op bezwaar.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.25238
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S. Wortel) en
de minister van Asiel en Migratie, de minister

Procesverloop

De minister heeft op 12 mei 2025 een beslissing genomen op de aanvraag van verzoeker. Tegen deze beslissing heeft verzoeker bezwaar ingediend bij de minister. Hangende de beslissing op dat bezwaar heeft verzoeker de voorzieningenrechter op 5 juni 2025 verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen.
Op 3 februari 2026 heeft de minister een beslissing op bezwaar van verzoeker genomen. Verzoeker heeft geen beroep ingesteld tegen deze beslissing.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Het verzoek om een voorlopige voorziening is namelijk kennelijk niet-ontvankelijk, waardoor de voorzieningenrechter de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. De reden is als volgt.
Indien een belanghebbende hangende de beslissing op een bezwaar een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en nadien beroep heeft ingesteld tegen de beslissing op dat bezwaar, dan wordt het reeds ingediende verzoek om een voorlopige voorziening gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan dat aan het ingediende beroep hangt bij de rechtbank.1 Het verzoek om een voorlopige voorziening is daarom verbonden aan het beroep.
3. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker geen beroep heeft ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 22 januari 2026. Er is aldus niet voldaan aan het connexiteitsvereiste. Dit maakt dat het verzoek om een voorlopige voorziening daarom niet inhoudelijk behandelen. Voor proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
1. Zie artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
18 maart 2026

Documentcode: [Documentcode]

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.