Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7662

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
C/09/693417 / FA RK 25-7977
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:204 lid 3 BWArt. 1:212 BWArt. 1:253c lid 1 BWArt. 1:253c lid 2 BWArt. 22 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming erkenning en regeling gezamenlijk gezag en zorg voor minderjarige kinderen

Partijen, die een affectieve relatie hadden en samenwoonden, hebben vier minderjarige kinderen die niet zijn erkend. De moeder oefent het eenhoofdig gezag uit. De man verzoekt vervangende toestemming voor erkenning, gezamenlijk gezag, vaststelling hoofdverblijfplaats en zorgregeling.

De rechtbank wijst het verzoek tot voorlopige voorziening af wegens gebrek aan belang en verleent de man vervangende toestemming voor erkenning van de kinderen, aangezien hij de verwekker is en de moeder geen verweer voert. De bijzondere curator wordt ontslagen.

Gezamenlijk gezag wordt toegewezen omdat het in het belang van de kinderen is en partijen bereid zijn aan ouderschapsbemiddeling deel te nemen om communicatie te verbeteren. De hoofdverblijfplaats wordt bij de moeder vastgesteld om haar te helpen bij het verkrijgen van een geschikte woning voor alle kinderen, ondanks dat twee kinderen feitelijk bij de vader verblijven.

De zorgregeling is weekwisselend met verblijven in het weekend en op woensdag, waarbij de oudste kinderen zelfstandig reizen. Vakantie- en feestdagen worden in onderling overleg gelijk verdeeld. De zaak wordt pro forma aangehouden tot 1 augustus 2026 voor definitieve beslissingen na registratie van erkenning.

Uitkomst: De rechtbank verleent vervangende toestemming voor erkenning, wijst gezamenlijk gezag toe, bepaalt de hoofdverblijfplaats bij de moeder en stelt een zorgregeling vast met weekwisselende verblijven.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-7977 (bodemprocedure) en FA RK 25-9288 (artikel 223 Rv Pro)
Zaaknummer: C/09/693417 (bodemprocedure) en C/09/695842 (artikel 223 Rv Pro)
Datum beschikking: 3 maart 2026

Vervangende toestemming erkenning

Beschikking op het op 17 oktober 2025 ingekomen verzoek van:

[de man],

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C. van der Zalm te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres
advocaat: mr. D. Vurdelja te ’s-Gravenhage.
en

[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1],

[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 1],
[minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2014 te [geboorteplaats 1],
[minderjarige 4], geboren op [geboortedatum 4] 2022 te [geboorteplaats 1],
de minderjarige kinderen, hierna: de kinderen,
in rechte vertegenwoordigd door mr. B.S. van Haeften, advocaat te ’s-Gravenhage,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van:
in de bodemprocedure (C/09/693417)
  • het verzoekschrift;
  • het bericht van 23 oktober 2025, met bijlage, van de man;
  • het verslag van de bijzondere curator;
  • het bericht van 12 januari 2026 van de bijzondere curator;
  • het verweerschrift tevens verzoekschrift;
  • het bericht van 28 januari 2026, met bijlagen, van de man;
  • het bericht van 2 februari 2026, met bijlagen, van de moeder;
  • het bericht van 2 februari 2026, met bijlage, van de man.
bij wijze van voorlopige voorziening (C/09/695842)
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift;
- het bericht van 28 januari 2026, met bijlagen, van de man;
- het bericht van 2 februari 2026, met bijlagen, van de moeder;
- het bericht van 2 februari 2026, met bijlage, van de man.
Op 3 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie gehad en hebben samengeleefd.
  • De kinderen zijn niet erkend.
  • De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over de kinderen.
  • Beide partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 4 november 2025 is mr. B.S. van Haeften voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde de kinderen op grond van artikel 1:212 BW Pro te vertegenwoordigen.

Verzoek en verweer

Bij wijze van voorlopige voorziening (C/09/695842)
De man verzoekt:
- te bepalen dat de kinderen aan de man zullen worden toevertrouwd, danwel hun voorlopige verblijfplaats bij de man zullen hebben,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
In de bodemprocedure (C/09/693417)
De man verzoekt:
- de man vervangende toestemming te verlenen om te komen tot erkenning van de kinderen;
- te bepalen dat, met ingang van de datum van deze beschikking, de man samen met de moeder belast zal zijn met het ouderlijk gezag over de kinderen;
- te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de man zullen hebben,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder heeft – onder referte ten aanzien van de erkenning – verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de moeder zelfstandig:
- indien het verzoek van de man om gezamenlijk gezag wordt toegewezen, te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder zal zijn;
- een omgangs- c.q. zorgregeling te bepalen, inhoudende dat:
-
primairindien de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder wordt bepaald, de kinderen bij de man zullen verblijven een weekend in de twee weken, tevens een vaste doordeweekse dag, tevens de vakanties en de feestdagen bij helfte te verdelen in
onderling overleg;
-
subsidiair: indien de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man wordt bepaald,
de kinderen bij de ouders zullen verblijven conform een co-ouderschapsregeling van week op week af en een verdeling van de vakanties en de feestdagen bij helft,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De bijzondere curator adviseert het verzoek van de man om aan hem vervangende toestemming tot erkenning van de kinderen te verlenen, toe te wijzen.
De moeder voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv Pro
Op grond van het eerste lid van artikel 223 Wetboek Pro van Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Zoals hierna wordt overwogen, zal de rechtbank in de bodemprocedure een beslissing nemen over de hoofdverblijfplaats van de kinderen. Gelet daarop zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv Pro afwijzen bij gebrek aan belang.
Bodemprocedure
Vervangende toestemming erkenning
Artikel 1:204 lid 3 BW Pro bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker van de kinderen is.
De bijzondere curator adviseert het verzoek van de man ten aanzien van de vervangende toestemming voor de erkenning van de kinderen toe te wijzen.
De moeder voert geen verweer tegen het verzoek van de man om de kinderen te erkennen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de man om aan hem vervangende toestemming te verlenen om de kinderen te erkennen, toewijzen. Aldus zal worden beslist.
Volledigheidshalve overweegt de rechtbank dat de te verlenen vervangende toestemming niet betekent dat de erkenning hiermee een feit is. Hiervoor zal de man, nadat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, naar de gemeente moeten gaan.
Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van de kinderen door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator op dit moment als beëindigd.
Ouderschapsbemiddeling
Beide partijen hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject Ouderschapsbemiddeling om te gaan werken aan de verbetering van hun onderlinge communicatie. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Zij kunnen gedurende de Ouderschapsbemiddeling proberen het verleden een plek te geven en te bespreken op welke wijze zij samen vorm willen geven aan het ouderschap.
Het proces-verbaal is reeds per e-mail verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal een kennisgeving van deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
Gezamenlijk gezag
De rechtbank kan pas definitief op het verzoek tot gezamenlijk gezag beslissen nadat de erkenning tot stand is gebracht. De man kan niet eerder dan drie maanden na deze beslissing de erkenning bij de gemeente laten registreren, omdat deze beslissing eerst in kracht van gewijsde moet zijn gegaan. De rechtbank geeft de man dan ook een termijn van vijf maanden om de erkenning van de kinderen bij de gemeente te laten registreren. De rechtbank verzoekt de advocaat van de man om de akte van erkenning aan de rechtbank te sturen. Na ontvangst van de akte van erkenning zal de definitieve beslissing op het verzoek tot gezamenlijk gezag worden gegeven. Hieronder volgen wel al de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de later te nemen definitieve beslissing.
De man wil mede met het gezag over de kinderen worden belast, omdat dit in het belang van de kinderen is. Hiertoe voert hij aan dat gezamenlijk gezag het wettelijk uitgangspunt is en bovendien in overeenstemming met de feitelijke situatie, nu [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op dit moment feitelijk bij de man verblijven en [minderjarige 3] en [minderjarige 4] bij de moeder. Het enkele feit dat de communicatie tussen partijen niet optimaal is, is volgens de man onvoldoende om het verzoek af te wijzen, temeer omdat beide partijen bereid zijn deel te nemen aan een hulpverleningstraject om de onderlinge communicatie te verbeteren.
De moeder verzet zich tegen gezamenlijk gezag. Volgens de moeder zijn partijen niet in staat om met elkaar te communiceren. Bovendien hebben partijen geen vertrouwen in elkaar als ouders. Om deze reden ontstaat er volgens de moeder een onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem of verloren zullen raken tussen partijen, indien de man mede met het gezag over de kinderen zal worden belast. De moeder stelt dat de situatie zodanig is dat er niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Het is volgens de moeder dan ook van belang dat partijen eerst hun onderlinge communicatie en verstandhouding verbeteren, voordat zij gezamenlijk gezag over de kinderen kunnen uitoefenen.
Op grond van artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken partijen met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Conform het tweede lid van dit artikel wordt een verzoek om partijen met het gezamenlijk gezag te belasten indien de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt slechts afgewezen, indien: a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen partijen en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders samen het gezag over hun kinderen uitoefenen, omdat dit in het belang van het kind wordt geacht. Hiervoor is wel vereist dat partijen daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijk overleg over zaken die de kinderen aangaan en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond de kinderen (kunnen) voordoen. Hoewel de communicatie tussen partijen en het onderlinge vertrouwen nog verstoord zijn, zijn er naar het oordeel van de rechtbank geen feiten of omstandigheden komen vast te staan waaruit blijkt dat gezamenlijke gezagsuitoefening tot situaties leidt waarin de kinderen klem of verloren raken of anderszins in hun belangen worden geschaad. Daartoe heeft de moeder onvoldoende gesteld en onderbouwd. Daar komt bij dat partijen, zoals hiervoor overwogen, worden doorverwezen naar het traject Ouderschapsbemiddeling, onder meer om hun onderlinge communicatie in het belang van de kinderen te verbeteren en om te leren om hun ouderschap over de kinderen samen vorm te geven. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat partijen deze gesprekken op basis van gelijkwaardigheid met elkaar aan kunnen gaan. De rechtbank zal het verzoek van de man om hem mede met het gezag over de kinderen te belasten daarom toewijzen.
De rechtbank zal de zaak in afwachting van de akte van erkenning pro forma aanhouden tot 1 augustus 2026. De rechtbank overweegt dat indien de man aan het hiervoor bepaalde niet voldoet de zaak met toepassing van artikel 22 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden afgedaan.
Vanwege deze beslissing wordt in het vervolg van deze beschikking voor wat betreft de kinderen gesproken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de zorgregeling.
Hoofdverblijfplaats
Op de zitting is gebleken dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] feitelijk bij de man verblijven en [minderjarige 3] en [minderjarige 4] bij de moeder. Omdat de moeder op dit moment van rechtswege het eenhoofdig gezag over de kinderen uitoefent, volgen de kinderen van rechtswege de hoofdverblijfplaats van de moeder. In onderhavig geval hebben alle kinderen derhalve hun hoofdverblijf bij de moeder, ook al verblijven twee van de kinderen feitelijk bij de vader. Deze situatie zal in de toekomst echter veranderen, nu – zoals hiervoor overwogen – het verzoek van de man om samen met de moeder te worden belast met het ouderlijk gezag over de kinderen, zal worden toegewezen. Immers moet er dan een keuze tussen partijen gemaakt worden ten aanzien van het hoofdverblijf.
De definitieve beslissing omtrent de vaststellen van de hoofdverblijfplaats kan pas aan de orde komen vanaf het moment dat de erkenning tot stand is gebracht en sprake is van gezamenlijk gezag. Hieronder volgen wel al de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de later te nemen definitieve beslissing.
De man verzoekt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen. Volgens de man zijn de kinderen gewend aan de feitelijke situatie en dient deze dan ook niet te worden gewijzigd. Daarentegen acht de man het niet wenselijk dat de kinderen gescheiden van elkaar opgroeien. Om deze reden verzoekt de man de hoofdverblijfplaats van alle vier de kinderen bij hem te bepalen. De man geeft hierbij aan dat hij de kinderen, anders dan de moeder, een stabiele leefomgeving kan bieden.
De moeder voert verweer en stelt dat zij altijd de hoofdverzorger van de kinderen is geweest. Bovendien hebben de kinderen altijd de hoofdverblijfplaats bij haar gehad, nu zij van rechtswege met het eenhoofdig gezag over de kinderen belast is. Daarnaast voert de moeder aan dat zij op dit moment niet over eigen woning beschikt en sneller in aanmerking zal komen voor een urgentieverklaring zolang de kinderen bij haar staan ingeschreven.
De rechtbank zal bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder zal zijn. De rechtbank acht het namelijk van belang dat de moeder zo snel mogelijk een woning kan vinden, waar zij alle vier de kinderen kan ontvangen. De rechtbank acht het niet wenselijk om – conform de feitelijke situatie – de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de man te bepalen en van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] bij de moeder, omdat de moeder dan niet in aanmerking zal komen voor een woning waar voldoende ruimte is om alle kinderen te ontvangen. De rechtbank merkt hierbij op dat hoewel de juridische situatie inhoudt dat de kinderen de hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben, de werkelijke situatie niet zal veranderen en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vooralsnog het grootste gedeelte van de tijd bij de man zullen verblijven. Het gaat dan ook slechts om een administratieve kwestie.
De rechtbank zal de zaak in afwachting van de akte van erkenning pro forma aanhouden tot 1 augustus 2026. De rechtbank overweegt dat indien de man aan het hiervoor bepaalde niet voldoet de zaak met toepassing van artikel 22 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden afgedaan.
Zorgregeling
Reguliere zorgregeling
Partijen hebben op de zitting overeenstemming bereikt ten aanzien van de zorgregeling. Hierbij hebben zij afgesproken dat alle kinderen het ene weekend van vrijdag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur bij de moeder zullen zijn en het andere weekend bij de man. Hierbij geldt dat de partij waar de kinderen niet zullen verblijven, verantwoordelijk is voor het brengen en halen van de kinderen naar en van de andere partij. Verder hebben partijen afgesproken dat alle vier de kinderen de ene week op woensdag van 15:00 uur tot 18:30 uur bij de moeder zullen zijn en de andere week op woensdag bij de man. Hierbij geldt dat de oudste drie kinderen zelfstandig naar de betreffende ouder zullen reizen. [minderjarige 4] zal daarentegen op de woensdag dat de kinderen bij de man verblijven door de moeder naar de man worden gebracht en vervolgens door de man naar de moeder worden teruggebracht. De rechtbank geeft partijen mee dat als blijkt dat de oudste drie kinderen ook in het weekend zelfstandig tussen de ouders reizen, de regeling ten aanzien van het halen en brengen van [minderjarige 4] op de woensdagmiddag ook in het weekend zal gelden.
Op dit moment zal de omgang tussen de moeder en de kinderen plaatsvinden bij de oma (moederszijde). De rechtbank verwacht van partijen dat zij met elkaar in overleg zullen treden over de haalbaarheid van voornoemde regeling op het moment dat de moeder over een eigen woonruimte beschikt. Partijen kunnen hier eventueel bij Ouderschapsbemiddeling over in gesprek gaan.
Verdeling vakantie- en feestdagen
De moeder heeft verzocht te bepalen dat partijen de vakantie- en feestdagen bij helfte in onderling overleg zullen verdelen. Hiertegen heeft de man geen verweer gevoerd, zodat dit verzoek als onweersproken, op de wet gegrond en in het belang van de kinderen kan worden toegewezen.

Beslissing

De rechtbank:
inzake C/09/695842
wijst af het verzoek van de man;
inzake C/09/693417
*
verleent de man, [de man], geboren op [geboortedatum 5] 1988 te [geboorteplaats 2], [geboorteland], toestemming, die de toestemming van de moeder, [de moeder], geboren op [geboortedatum 6] 1987 te [geboorteplaats 2], [geboorteland], vervangt, tot erkenning van de minderjarigen:
- [minderjarige 1]geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1],
- [minderjarige 2]geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 1],
- [minderjarige 3]geboren op [geboortedatum 3] 2014 te [geboorteplaats 1],
- [minderjarige 4]geboren op [geboortedatum 4] 2022 te [geboorteplaats 1];
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
*
stelt vast dat partijen, te weten:
[de man],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
en
[de moeder],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het hulpverleningstraject Ouderschapsbemiddeling, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van de kennisgeving van deze beschikking te zenden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
stelt vast dat partijen bij eindbeslissing zijn verwezen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject;
*
bepaalt in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dat de kinderen:
  • het ene weekend van vrijdag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur bij de moeder zullen zijn en het andere weekend bij de man;
  • de ene week op woensdag van 15:00 uur tot 18:30 uur bij de moeder zullen zijn en de andere week op woensdag bij de man;
*
bepaalt dat de vakantie- en feestdagen in onderling overleg bij helfte zullen worden verdeeld;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;
*
houdt iedere verdere beslissing over
het gezag, de hoofdverblijfplaats en de proceskostenaan tot
1 augustus 2026 pro forma;
*
bepaalt dat als de man aan het hiervoor bepaalde niet of gedeeltelijk voldoet, de zaak met toepassing van artikel 22 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J.A. Olthoff als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2026.