ECLI:NL:RBDHA:2026:7631

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
NL25.30940 V
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 ProcedurerichtlijnArt. 46 ProcedurerichtlijnArt. 43 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:6 Algemene wet bestuursrechtArt. 2 Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen ongegrondverklaring beroep niet tijdig beslissen asielaanvraag afgewezen

Opposant diende op 17 maart 2024 een asielaanvraag in en stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. De rechtbank verklaarde het beroep op 24 september 2025 ongegrond omdat de beslistermijn door het besluit- en vertrekmoratorium was verlengd tot 17 september 2025, waardoor deze nog niet was verstreken bij het indienen van het beroep.

Opposant maakte verzet tegen deze uitspraak en voerde aan dat de rechtbank ten onrechte zonder zitting uitspraak had gedaan en dat het beroep gegrond had moeten worden verklaard omdat de beslistermijn op het moment van uitspraak wel was verstreken. Tevens stelde hij dat er sprake was van divergente jurisprudentie en rechtsongelijkheid door het moratorium, en dat prejudiciële vragen aan het HvJEU gesteld moesten worden.

De rechtbank oordeelde dat het verzet zich beperkt tot de vraag of terecht zonder zitting uitspraak is gedaan en dat de gronden van opposant onvoldoende twijfel wekten over de uitkomst. De rechtbank bevestigde dat de beslistermijn bij het indienen van het beroep nog niet was verstreken en dat het moratorium rechtsgeldig is ingesteld. Prejudiciële vragen werden niet noodzakelijk geacht.

De rechtbank verklaarde het verzet ongegrond en handhaafde de uitspraak van 24 september 2025. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzet tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag is ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.30940 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposant], opposant [1] , V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Khalaf),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 24 september 2025 in het geding tussen
opposant
en

de minister van Asiel en Migratie (hierna: de minister).

Inleiding

Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 24 september 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposant ongegrond heeft verklaard.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 24 september 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van opposant
5. Opposant heeft op 17 maart 2024 asiel aangevraagd. Hij vindt dat de minister te lang doet over het nemen van een beslissing op zijn aanvraag. Hij heeft daarom beroep ingediend tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag.
De uitspraak van 24 september 2025
6. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het oordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep (kennelijk) ongegrond verklaard. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposant weliswaar terecht een ingebrekestelling heeft ingediend op
20 september 2024, maar dat het beroep alsnog ongegrond is omdat de beslistermijn op
14 december 2024 is verlengd met een jaar met de inwerkingtreding van het besluit- en vertrekmoratorium voor Syrië. [2]
De verzetsgronden van opposant
7. Opposant heeft verzet gedaan, omdat hij het niet eens is met de uitspraak van 19 september 2025. Opposant stelt zich op het standpunt dat de rechtbank tot de conclusie had moeten komen dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag gegrond is. Opposant voert hiertoe aan dat uit artikel 46 van Pro de Procedurerichtlijn volgt dat het beroep een volledig en ex nunc onderzoek moet omvatten. De rechtbank had daarom in haar uitspraak moeten meewegen dat de beslistermijn op het moment van de uitspraak was verlopen. Daarnaast is er sprake van divergente jurisprudentie en is met de inwerkingtreding van het besluit- en vertrekmoratorium een situatie gecreëerd waarin sprake is van rechtsongelijkheid. Tot slot voert opposant aan dat hij reden ziet om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) over de uitleg van artikel 31 van Pro de Procedurerichtlijn.
De regels in verzet
8. Verzet gaat over de vraag of de rechtbank ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van - in dit geval - het beroep van opposant. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in verzet beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposant op zitting te horen. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan moet de rechter het verzet gegrond verklaren zodat nader onderzoek kan plaatsvinden.
Het oordeel van de rechtbank
9. De rechtbank is van oordeel dat in de uitspraak van 24 september 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. Er is daarom terecht uitspraak gedaan zonder opposant op zitting te horen. Hiervoor is het volgende van belang.
9.1.
Opposant heeft op 17 maart 2024 zijn asielaanvraag ingediend. De oorspronkelijke beslistermijn liep op 17 september 2024 af. Omdat opposant uit Syrië komt en niet valt onder een van de categorieën die uitgesloten zijn van de werking van het besluit- en vertrekmoratorium [3] , is de beslistermijn op 14 december 2024 opgeschort en verlengd met een jaar, dus tot 17 september 2025. Dat betekent dat de beslistermijn nog niet was verstreken toen opposant op 11 juli 2025 beroep instelde tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Het betoog van opposant in het verzetschrift dat de rechtbank het beroep gegrond had moeten verklaren, omdat de beslistermijn op het moment van de uitspraak op 19 september 2025 wel was verlopen, volgt de rechtbank niet. De rechter beoordeelt bij een beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op een asielaanvraag namelijk of de beslistermijn was verstreken ten tijde van het indienen van het beroepschrift. Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank in de uitspraak van 24 september 2025 terecht geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is.
9.2.
De verzetsgrond dat in de uitspraak van 19 september 2025 geconcludeerd had moeten worden dat het beroep gegrond is omdat er veel divergente jurisprudentie is, slaagt ook niet. In de door opposant ingeroepen uitspraken [4] is namelijk geen sprake van een vergelijkbare situatie. In die zaken was de beslistermijn namelijk verlopen en het beroep tegen het niet tijdig beslissen om die reden gegrond verklaard. Nu in onderhavige zaak de beslistermijn ten tijde van het indienen van het beroepschrift nog niet was verstreken, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat buiten redelijke twijfel het beroep ongegrond is.
9.3. De verzetsgrond dat er door de inwerkingtreding van het besluit- en vertrekmoratorium een situatie is gecreëerd waarin sprake is van rechtsongelijkheid, kan ook niet tot vernietiging van de uitspraak van 19 september 2025 leiden. De bevoegdheid om een besluitmoratorium in te stellen staat in artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn en is geïmplementeerd in artikel 43, eerste lid van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000. Het besluit- en vertrekmoratorium is ingesteld op grond van artikel 43, eerste lid, van de Vw 2000. In artikel 8:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), samen met artikel 2 van Pro de Awb behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, is geregeld dat tegen zo’n besluit beroep in eerste en enige aanleg kan worden ingesteld bij de hoogste bestuursrechter. De rechtbank is dus niet bevoegd een oordeel te geven over de rechtmatigheid van het besluit- en vertrekmoratorium. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen over de uitleg van artikel 31 van Pro de Procedurerichtlijn.

Conclusie en gevolgen

10. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 24 september 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoelde de indiener van het verzetschrift.
2.Staatscourant van 13 december 2024, nr. 41538.
3.Zie artikel 4 van Pro het Besluit tot instelling van het besluitmoratorium.
4.Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 29 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17797, uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 30 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17973 en uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 17 oktober 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:12177 en ECLI:NL:RBROT:2025:12176.