ECLI:NL:RBDHA:2026:7616

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
NL26.2738 en NL26.2739
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Vw 2000Art. 30b Vw 2000Art. 30c Vw 2000Art. 31 Vw 2000Art. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige bekering en geen reëel risico op ernstige schade

Eiser, een Libische nationaliteit dragende man, diende meerdere asielaanvragen in, waarvan de laatste op 24 december 2025. Hij stelde dat hij vanwege zijn bekering tot het christendom niet naar Libië kon terugkeren. Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat de bekering niet geloofwaardig werd geacht en er geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer was.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de bekering ongeloofwaardig vond, omdat eiser wisselende en tegenstrijdige verklaringen gaf over zijn geloof, geen oprechte inspanning leverde om zijn bekering te staven, en zijn aanvraag niet tijdig indiende. Tevens was er onvoldoende bewijs dat hij kennis had van of zijn religie praktiseerde.

Verder concludeerde de rechtbank dat verweerder voldoende had gemotiveerd dat eiser geen persoonlijk verhoogd risico liep op ernstige schade in Libië, gelet op het relatief lage niveau van willekeurig geweld en het ontbreken van relevante persoonlijke kenmerken.

De rechtbank wees het beroep af en verwierp het verzoek om een voorlopige voorziening, omdat de aanvraag kennelijk ongegrond was en eiser de aanvraag vooral had ingediend om uitzetting te voorkomen. Proceskosten werden niet toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.2738 (beroep) en NL26.2739 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser], [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiser heeft op 24 december 2025 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 15 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. [1]
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Eiser heeft gereageerd op het verweerschrift.
1.4.
Op 9 maart 2026 heeft de rechtbank, met instemming van de partijen, het onderzoek gesloten zonder dat een zitting plaatsvindt.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. Bij brief van 27 januari 2026 heeft de gemachtigde van eiser verzocht om de zitting achterwege te laten en de zaken inhoudelijk op de stukken af te doen. Bij brief van
12 februari 2026 heeft verweerder hiermee ingestemd. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank besloten een zitting achterwege te laten. [2]
Waar gaat deze zaak over?
De vorige asielaanvragen
3. Eiser heeft de Libische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1993. Eiser heeft op 23 juli 2022 een eerste asielaanvraag ingediend. Op 11 september 2023 is deze aanvraag buiten behandeling gesteld. [3] Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld. Eiser heeft op 9 oktober 2023 opnieuw een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 29 januari 2025 is deze aanvraag afgewezen. De rechtbank heeft het hiertegen gerichte beroep ongegrond verklaard. [4] Eiser heeft op 18 juni 2025 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 25 juni 2025 is deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. [5] Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld.
De huidige opvolgende asielaanvraag4. Op 24 december 2025 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. Eiser heeft verklaard dat hij is bekeerd naar het christendom en daarom niet kan terugkeren naar Libië.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
Eisers bekering naar het christendom.
5.1.
Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Verweerder vindt eisers bekering naar het christendom niet geloofwaardig, omdat hij geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven, zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daar geen goede verklaring voor heeft en hij in grote lijnen niet als geloofwaardig wordt beschouwd. [6] Verweerder vindt verder dat eiser bij terugkeer naar Libië geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw.
Wat vindt eiser in beroep?
6. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder gaat van een fundamenteel onjuist juridisch uitgangspunt uit, door te stellen dat eisers verklaringen over zijn bekering tot het christendom geen doorslaggevende betekenis hebben, mede omdat hij heeft aangegeven dat zijn bekering niet de reden was voor het indienen van zijn asielaanvraag. Dat eiser nog zoekende is naar de stroming die het beste bij hem past, kan hem ook niet worden tegengeworpen. Voorts heeft verweerder nagelaten een zelfstandige, actuele en volledige toets te verrichten aan artikel 3 van Pro het EVRM [7] . Tot slot is de asielaanvraag ten onrechte afgedaan als kennelijk ongegrond, omdat de onderhavige procedure evident geen ongegronde aanvraag betreft die zich leent voor een versnelde afdoening.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Mocht verweerder eisers bekering naar het christendom ongeloofwaardig vinden?
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers bekering naar het christendom ongeloofwaardig heeft kunnen vinden en overweegt hiertoe als volgt.
8.1.
Verweerder mocht allereerst tegenwerpen dat eiser geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven. Verweerder mocht daarbij betrekken dat eiser tijdens het gehoor opvolgende aanvraag niet heeft aangegeven dat zijn bekering aan zijn aanvraag ten grondslag ligt. Eiser heeft tijdens het gehoor namelijk verklaard dat hij niets heeft toe te voegen aan zijn eerdere verklaringen en dat hij geen nieuwe redenen heeft om asiel aan te vragen. [8] Niet valt in te zien dat eiser pas bij de correcties en aanvullingen op het gehoor aangeeft dat hij is bekeerd naar het christendom. Verweerder heeft ook kunnen betrekken dat uit het rapport van gehoor blijkt dat eiser niet wilde meewerken. Zo wilde eiser op sommige vragen geen antwoord geven en gaf hij meerdere keren aan dat er ‘domme’ vragen aan hem werden gesteld. [9] Eisers betoog dat verweerder van een fundamenteel onjuist juridisch uitgangspunt uitgaat, door te stellen dat zijn verklaringen over zijn bekering tot het christendom geen doorslaggevende betekenis hebben, mede omdat hij heeft aangegeven dat zijn bekering niet de reden was voor het indienen van zijn asielaanvraag, slaagt niet. Verweerder heeft namelijk alle cumulatieve voorwaarden van artikel 31 van Pro de Vw 2000 getoetst en alle feiten en omstandigheden betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Verweerder heeft niet slechts de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder a, van de Vw 2000 tegengeworpen en vervolgens nagelaten de overige voorwaarden te toetsen.
8.2.
Verweerder heeft verder kunnen tegenwerpen dat eisers verklaringen over zijn bekering tot het christendom geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zo heeft eiser wisselend verklaard over zijn bekering. Eiser heeft enerzijds verklaard dat hij sinds 2022 christen is [10] , en anderzijds dat hij sinds 2024 naar de kerk gaat. [11] Ook rijmt eisers verklaring dat hij sinds zijn aankomst in Nederland christen is niet met zijn eerdere verklaringen. Zo heeft eiser tijdens het eerste aanmeldgehoor verklaard dat hij geen religie heeft, tijdens het tweede aanmeldgehoor dat hij moslim is en tijdens het nader gehoor dat hij heen en weer gaat tussen het christendom en de islam en dat hij zich nog aan het oriënteren is op het christendom. Nu eiser drie jaar heeft gestudeerd aan de universiteit en een volwassen man is, mocht verweerder van hem verwachten dat hij hier eenduidig over verklaart. Eisers betoog dat hem niet kan worden tegen geworpen dat hij nog zoekende is naar welke stroming het beste bij hem past, leidt niet tot een ander oordeel. Aan eiser is immers niet tegengeworpen dat hij zoekende is, maar dat hij wisselend heeft verklaard over zijn bekering. Verweerder heeft verder kunnen betrekken dat uit eisers verklaringen niet blijkt dat hij kennis heeft van het christendom of dat hij zijn religie praktiseert.
8.3. Verweerder heeft tot slot kunnen tegenwerpen dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en hier geen goede verklaring voor heeft en hij in grote lijnen niet al geloofwaardig kan worden beschouwd omdat hij meermaals met onbekende bestemming is vertrokken. Dit wordt ook niet betwist in de beroepsgronden.
Mocht verweerder vinden dat eiser geen reëel risico op ernstige schade loopt?
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij een terugkeer naar [land] enkel door zijn aanwezigheid een reëel risico op ernstige schade loopt. Verweerder neemt voor [land] aan dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. [12] Eiser heeft niet onderbouwd dat de algemene situatie in [land] wezenlijk anders is dan in het landgebonden beleid van verweerder is vastgesteld.
9.1.
Uit het voorgaande volgt dat eiser aannemelijk dient te maken dat er voor hem persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan hij bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. Verweerder mocht vinden dat eiser geen relevante persoonlijke kenmerken heeft aangevoerd die maken dat hij een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eisers betoog dat er geen zelfstandige, volledige en actuele beoordeling is gemaakt van het risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM, slaagt gelet op het voorgaande niet. De uitspraak van de hoogste bestuursrechter [13] , waarnaar eiser verwijst, leidt niet tot een ander oordeel.
Mocht verweerder de aanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond?
10. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder eisers asielaanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond, omdat eiser de aanvraag enkel heeft ingediend om zijn uitzetting uit te stellen of te verijdelen en het een opvolgende aanvraag betreft die niet niet-ontvankelijk is verklaard. Eiser heeft in vertrekgesprekken met DT&V aangegeven dat hij niet mee wil werken aan zijn terugkeer naar Libië. Ook was het door toedoen van eiser niet mogelijk om een laissez-passer te regelen. Eiser wilde bovendien op 23 december 2025 het besluit tot verlenging van de vreemdelingenbewaring niet ondertekenen en heeft een dag later zijn opvolgende asielaanvraag ingediend. Eisers betoog dat zijn aanvraag niet als kennelijk ongegrond kan worden afgedaan, omdat zijn aanvraag zich niet leent voor een versnelde afdoening, volgt de rechtbank niet.

Conclusie en gevolgen

11. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag van eiser terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard. Het beroep is ongegrond.
12. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
13. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder f en g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
4.Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 26 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:4894.
5.Artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.
6.Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder a, c, d en e, van de Vw 2000.
7.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
8.Gehoor opvolgende aanvraag van 7 januari 2026, p. 4 en 5.
9.Gehoor opvolgende aanvraag van 7 januari 2026, p.5.
10.Aanvullend gehoor van 10 januari 2026, p. 4.
11.Aanvullend gehoor van 10 januari 2026, p. 8.
12.C7/22.4.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000.
13.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.