Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7615

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
05/182124-22
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 SrArt. 232 SrArt. 311 SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor diefstal en gebruik van valse tankpassen bij Ministerie van Defensie

De rechtbank Den Haag heeft op 2 april 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van diefstal van brandstof en het gebruik van valse tankpassen. Het onderzoek startte na een aangifte van het Ministerie van Defensie over onregelmatigheden bij tankbeurten met defensievoertuigen. Uit onderzoek bleek dat verdachte vanaf januari tot december 2022 met valse tankpassen heeft getankt, waarbij het ministerie werd benadeeld voor een bedrag van €4.818,30.

De rechtbank stelde vast dat verdachte zich op de momenten van tanken binnen het bereik van zendmasten bevond en op camerabeelden werd herkend. Verdachte ontkende opzet, maar de rechtbank oordeelde dat hij het oogmerk had zich wederrechtelijk toe te eigenen en dat hij wist dat de tankpassen vals waren. Medeplegen werd niet bewezen.

De rechtbank achtte bewezen dat verdachte meerdere valse tankpassen opzettelijk voorhanden had en gebruikte. Gezien de ernst van de feiten, de omvang van de benadeling en het ontbreken van besef bij verdachte, legde de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden op. Daarbij werd ook rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn van één jaar.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf voor diefstal en gebruik van valse tankpassen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 05/182124-22
Datum uitspraak: 2 april 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 12 maart 2026 en gesloten op de terechtzitting van 23 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Vermeulen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M.R. Mantz naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als
bijlage Iaan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat zij bewezen acht dat de verdachte ‘een hoeveelheid brandstof voor een bepaald geldbedrag’ heeft gestolen en dat hij ‘een aantal’ geskimde passen heeft gebruikt.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte integrale vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde bepleit.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft – omwille van de leesbaarheid – de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden in
bijlage IIbij dit vonnis opgenomen.
3.4.
Bewijsoverwegingen
3.4.1.
Inleiding en vaststelling ten aanzien van alle feiten
Aanleiding voor het onderzoek in deze zaak is een aangifte van diefstal/verduistering namens het Ministerie van Defensie op 15 maart 2022. Er is aangifte gedaan omdat met drie tankpassen die behoorden bij defensievoertuigen stelselmatig veel meer diesel werden getankt dan feitelijk kon gezien de tankinhoud van die voertuigen. Op basis van de transactiegegevens van deze tankpassen heeft de politie zich een beeld gevormd van regulier en afwijkend tankgedrag. Daaruit kon worden vastgesteld dat afwijkend getankt werd bij zes verschillende onbemande tankstations in Utrecht, Rijswijk, De Meern, Benthuizen en Leidschendam.
Er is vervolgonderzoek verricht, waaronder ook onderzoek naar de historische gegevens van andere tankpassen die behoorden bij defensievoertuigen. Tientallen tankbeurten konden worden aangemerkt als afwijkend. Ook bleek uit het verrichte onderzoek dat het afwijkende tankgedrag nog altijd voortduurde. Er is beeldmateriaal van beveiligingscamera’s van diverse locaties uitgekeken en er zijn kentekens nagetrokken en observaties uitgevoerd. Uit dit alles bleek dat er in meerdere periodes vanaf 1 januari 2022 afwijkende tankmomenten hadden plaatsgevonden. Na 22 december 2022 is het afwijkende tankgedrag gestopt.
De uit voornoemde onderzoeken voortvloeiende bevindingen leverden verdenkingen jegens (onder anderen) de verdachte op in verband met (het medeplegen) van het voorhanden hebben en gebruiken van geskimde/valse tankpassen en het (medeplegen van) diefstal van brandstof dan wel gelden door middel van een valse sleutel, te weten met geskimde/valse tankpassen.
Op basis van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat het de verdachte is geweest die in de ten laste gelegde periode een aantal geskimde/valse tankpassen voorhanden heeft gehad en gebruikt en daarmee heeft getankt, terwijl het Ministerie van Defensie voor de brandstof heeft betaald.
Hieronder zal de rechtbank de overwegingen die zij (verder) per feit ten grondslag legt aan haar oordeel bespreken.
3.4.2.
Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde
De verdachte heeft verklaard dat hij meermaals heeft getankt met witte tankpasjes die hij had gekregen van zijn schoonvader – de broer van medeverdachte [medeverdachte] . Hij ontkent echter dat hij aldus zoveel heeft getankt dat daarmee het in de tenlastelegging vermelde aantal liters brandstof en bedrag gemoeid was.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte zich in de periode van 1 januari 2022 tot 23 december 2022, op de tijdstippen waarop er met valse tankpassen werd getankt bij het hiervoor onder 3.4.1. bedoelde onbemande tankstation in Rijswijk, bevond binnen het theoretische bereik van de zendmasten waarin ook het betreffende tankstation is gelegen. Zij baseert zich daarvoor op de geanalyseerde printlijsten en mastlocaties van de telefoon van de verdachte.
De verdachte is ook op verschillende van die tankmomenten herkend op de daarvan veiliggestelde camerabeelden.
Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat het de verdachte is geweest die op de betreffende momenten bij de betreffende tankstations met een valse tankpas heeft getankt.
Op grond van de hiervoor bedoelde bewijsmiddelen (die staan opgesomd in het bewijsmiddelenoverzicht in Bijlage II) stelt de rechtbank dan ook vast dat de verdachte met de valse tankpassen in totaal 2.502,23 liter diesel heeft getankt waarvoor in totaal € 4.818,30 euro werd afgerekend.
De rechtbank kan op basis van het dossier echter niet vaststellen dat het ook de verdachte is geweest die op de andere (in de tenlastelegging verdisconteerde) tankmomenten heeft getankt met gebruikmaking van valse tankpassen en dus of hij degene is geweest die de voor de brandstof betaalde geldbedragen van het Ministerie van Defensie heeft weggenomen.
De raadsman en de verdachte hebben zich verder op het standpunt gesteld dat de verdachte geen opzet heeft gehad op de hem verweten handelingen, omdat hij niet wist dat de door hem gebruikte tankpassen waren geskimd.
De rechtbank stelt voorop dat voor bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde niet vereist is dat de verdachte ‘opzettelijk’ heeft gehandeld. Wel is vereist dat de verdachte het oogmerk had om zich een goed wederrechtelijk toe te eigenen.
De verdachte heeft verklaard dat hij meermaals tankpassen heeft gekregen van zijn schoonvader met de mededeling “Hé, moet je tanken? Hier heb je een pasje, tank maar”, en dat hij daarmee op meerdere momenten in de tenlastegelegde periode heeft getankt. De tankpassen waren wit en blanco en een pincode was vereist om daarmee betalingen te kunnen verrichten. Volgens de verdachte heeft hij aan zijn schoonvader gevraagd of hij de bedragen waarvoor hij tankte terug moest betalen, maar die antwoordde dan steeds “komt nog wel”.
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte het oogmerk op wederrechtelijke toe-eigening had. De verklaring waarmee de verdachte kennelijk dit oogmerk bestrijdt, acht zij niet geloofwaardig. Niet valt in te zien waarom de verdachte tankpasjes van zijn schoonvader zou aannemen als hij daadwerkelijk in de veronderstelling verkeerde dat hij de tankkosten aan hem zou moeten terugbetalen. Immers, het zou dan meer voor de hand liggen dat de verdachte de brandstof met zijn eigen persoonlijke betaalkaart zou hebben afgerekend in plaats van steeds een nieuwe schuld bij zijn schoonvader aan te gaan die hij vervolgens weer moest terugbetalen. Behalve dat het in de redenering van de verdachte onnodig omslachtig is om te betalen met de door zijn schoonvader verstrekte tankpasjes, had de verdachte ook geen reden om een schuld aan te gaan: de verdachte had destijds al een goedlopend bedrijf en zat niet om geld verlegen. Desgevraagd ter terechtzitting heeft de verdachte hiervoor geen (plausibele) uitleg gegeven.
Ter terechtzitting heeft de verdachte gesuggereerd dat hij ervan uitging dat hij de brandstof van zijn schoonvader cadeau kreeg, omdat zij ook wel eens uiteten gaan en dat dan de ene keer zijn schoonvader betaalt en de andere keer hijzelf. Nog afgezien van het feit dat deze verklaring niet te rijmen valt met de eerder door hem afgelegde verklaring dat hij ervan uitging dat hij de brandstof aan zijn schoonvader moest terugbetalen, staat het totaalbedrag waarvoor hij met de geskimde tankpassen heeft getankt (€ 4.818,30, zie hieronder) niet in verhouding tot de kosten van een paar etentjes. Onduidelijk is gebleven waarom de verdachte ervan uit dacht te kunnen gaan dat hij deze bedragen van zijn schoonvader zou krijgen.
Bovendien moet het de verdachte duidelijk zijn geweest dat de tankpassen vals waren, nu het witte, blanco tankpassen betrof waarop niet de naam van de houder vermeld stond, zoals gebruikelijk is bij betaalpassen.
Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte wist dat hij met het gebruik van de door zijn schoonvader verstrekte valse tankpassen een ander (niet zijn schoonvader) zou benadelen. Het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening acht zij daarmee bewezen.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte geldbedragen van in totaal € 4.818,30 van het Ministerie van Defensie heeft weggenomen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.
De rechtbank komt niet tot het oordeel dat er sprake is van medeplegen, nu het dossier daarvoor onvoldoende aanknopingspunten bevat.
Gelet hierop acht de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde feit, met uitzondering van het bedrag boven € 4.818,30 en het medeplegen, wettig en overtuigend bewezen.
3.4.3.
Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde
Op basis van wat hiervoor al is overwogen, komt de rechtbank ook tot de conclusie dat de verdachte meerdere valse tankpassen opzettelijk voorhanden heeft gehad en gebruikt, terwijl hij redelijkerwijs moet hebben vermoed dat het om valse tankpassen ging.
Ook ten aanzien van dit feit heeft de raadsman van de verdachte zich op het standpunt gesteld dat het voor een bewezenverklaring vereiste opzet ontbreekt. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe dat de verdachte heeft verklaard dat hij de tankpassen kreeg van zijn schoonvader. De verdachte heeft de tankpassen van zijn schoonvader aangenomen, onder zich gehouden en heeft daarmee later meermaals betalingen verricht. Het opzet op het voorhanden hebben van de tankpassen en het gebruiken daarvan zijn daarmee naar het oordeel van de rechtbank gegeven.
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte dit feit in vereniging met een (of meerdere) ander(en) heeft gepleegd, nu daarvoor onvoldoende aanknopingspunten in het dossier aanwezig zijn.
Gelet op het voormelde acht de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde feit, met uitzondering van het medeplegen, wettig en overtuigend bewezen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
ten aanzien van feit 1:
hij op meer tijdstippen in de periode van 01 januari 2022 tot 23 december 2022 in de gemeente Rijswijk, meermalen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen meerdere geldbedragen (ter waarde van
intotaal
€ 4.818,30), toebehorende aan het Ministerie van Defensie, waarbij verdachte de weg te nemen geldbedragen telkens onder zijn bereik heeft gebracht door middel van onbevoegd gebruik en zonder toestemming gebruik te maken van één of meer valse tankpas(sen), in elk geval door middel van een valse sleutel tot het gebruik waarvan hij, verdachte niet was gerechtigd;
ten aanzien van feit 2:
hij op meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2022 tot
23 december 2022 in ’s-Gravenhage meermalen, telkens opzettelijk één of meer door misdrijf verkregen vals niet-contant betaalinstrument(en), te weten een aantal valse,
tankpassen, bedoeld voor het verrichten van betalingen langs geautomatiseerde
weg, als ware die tankpassen echt en onvervalst, (telkens) voorhanden heeft gehad, zulks (telkens) terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die
tankpassen (telkens) bestemd waren voor zodanig gebruik en (vervolgens) (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van één of meer door misdrijf verkregen vals niet-contant betaalinstrument(en), te weten een aantal, valse tankpassen, bedoeld voor het verrichten van betalingen langs geautomatiseerde weg, als ware die tankpassen echt en onvervalst, door met voornoemde tankpassen bij één (onbemand) tankstation (Argos Rijswijk) betalingen middels geautomatiseerde weg voor de getankte of afgenomen brandstof (diesel) te verrichten.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte – gelet op zijn rol in het geheel en de overschrijding van de redelijke termijn met één jaar – wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft geen standpunt naar voren gebracht met betrekking tot de strafoplegging.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft opzettelijk valse tankpassen voorhanden gehad en gebruikt. Hij heeft daarmee stelselmatig getankt, terwijl hij wist dat het om valse tankpassen ging en het niet zijn schoonvader was die voor de door hem getankte diesel betaalde. Door deze handelwijze van de verdachte is het ministerie van Defensie benadeeld.
De rechtbank kent zwaarwegende betekenis toe aan de omstandigheid dat de verdachte zich op geen enkel moment rekenschap heeft gegeven van de gevolgen van zijn handelen. Hij heeft ‘gratis’ getankt en heeft zich er niet om bekommerd dat hij hiermee een ander benadeelde. Die benadeling is fors geweest. De (dag)limieten van de gebruikte tankpassen dreigden te worden overschreden. Daardoor dreigden blijkens het dossier operationele inzetten van het Ministerie van Defensie in gevaar te komen. Er zijn geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de verdachte wist dat hij het Ministerie van Defensie benadeelde en dat dit (mogelijk) niet alleen financieel zou zijn. Dat hij die wetenschap niet had, is niet relevant. Het laat de zwaarwegendheid van het ontbreken van besef en verantwoordelijkheid bij de verdachte voor de mogelijk ernstige en niet enkel financiële gevolgen van zijn handelen voor benadeelde derden onverlet.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 27 januari 2026 en stelt vast dat de verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die tijdens het onderzoek ter terechtzitting aan de orde zijn gekomen.
De verdachte heeft kort gezegd verklaard dat hij last heeft van zware paniek- en angstaanvallen. Verder woont de verdachte in een huurwoning en heeft hij geen schulden.
De rechtbank betrekt deze persoonlijke omstandigheden in haar afweging. Zij kent hieraan, mede in aanmerking genomen de ernst van het feit, geen strafverminderende betekenis toe.
Uitgangspunt
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting als uitgangspunt genomen. Daarin is als uitgangspunt voor het gebruik maken van een valse pas met geskimde gegevens een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden vermeld.
De bewezenverklaarde diefstal met behulp van valse tankpassen is daarin niet verdisconteerd. Het gaat om een groot aantal tankmomenten, waarbij de verdachte steeds opnieuw de keus heeft gehad om met zijn eigen betaalpas te betalen in plaats van met de door zijn schoonvader verstrekte tankpassen. De rechtbank neemt dat in strafverzwarende zin mee.
Overschrijding van de redelijke termijn
De officier van justitie heeft betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als een zodanige handeling te gelden. Wel moeten de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de dagvaarding als zo’n handeling worden aangemerkt.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
Overschrijding van de redelijke termijn wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden – waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – kan echter in bepaalde gevallen worden volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden.
De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak dat de verdachte op 16 maart 2023 werd aangehouden en op diezelfde dag weer in vrijheid is gesteld. Vervolgens heeft het tot 12 maart 2026 geduurd alvorens de zaak van de verdachte inhoudelijk werd behandeld en dat op 2 april 2026 vonnis werd gewezen.
Daarmee is de redelijke termijn met één jaar overschreden.
De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding een matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.
Strafoplegging
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Voor de oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding. Na onderhavige feiten is de verdachte immers niet opnieuw met politie en justitie in aanraking gekomen.
Alles afwegende en in aanmerking nemende de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden passend en geboden.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 232 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5. bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels;
ten aanzien van feit 2:
opzettelijk gebruik maken van een vals niet-contant betaalinstrument, als bedoeld in artikel 232, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware deze echt en onvervalst;
en;
opzettelijk een vals niet-contant betaalinstrument, als bedoeld in artikel 232, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het niet-contante betaalinstrument bestemd is voor gebruik als ware deze echt en onvervalst;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
DRIE (3) MAANDEN.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, voorzitter,
mr. I.C. Kranenburg, rechter,
mr. H.G. Egter van Wissekerke, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. D.D. Jongen, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 april 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
1
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2022 tot
en met 23 december 2022 in de gemeente(n) Leidschendam en/of Utrecht en/of
Benthuizen en/of De Meern en/of Rijswijk, althans in Nederland, tezamen en in
vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,
(telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben
weggenomen (telkens) een hoeveelheid brandstof (diesel: in totaal ongeveer
17604,90 liter) en/of meerdere geldbedragen (ter waarde van totaal ongeveer
€34054,88), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het
Ministerie van Defensie en/of Leaseplan N.V. en/of één of meer (on)bemande
tankstations (vestigingen: OK Utrecht en/of Argos Rijswijk en/of Hooijmans
Leidschendam en/of Elan De Meern/Utrecht en/of Tamoil Benthuizen en/of Total
Energies De Meern/Utrecht), in elk geval aan een ander of anderen dan aan
verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s)
de/het weg te nemen geldbedrag(en) en/of de/het weg te nemen goed(eren)
(telkens) onder zijn/hun bereik heeft gebracht door middel van onbevoegd gebruik
en/of zonder toestemming gebruik te maken van één of meer geskimde en/of
gestolen en/of verduisterde en/of valse en/of vervalste tankpas(sen), in elk geval
door middel van een valse sleutel tot het gebruik waarvan hij, verdachte en/of zijn
mededader(s) niet was/waren gerechtigd;
2
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2022 tot
en met 23 december 2022 in ’s-Gravenhage en/of Rotterdam, althans (elders) in
Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
(telkens) opzettelijk één of meer door misdrijf verkregen vals en/of vervalst
niet-contant betaalinstrument(en) en/of van een door misdrijf verkregen valse of
vervalste kaart(en), te weten een aantal, althans een of meer, valse of vervalste,
tankpas(sen), bedoeld voor het verrichten van betalingen langs geautomatiseerde
weg, als ware die tankpas(sen) echt en onvervalst, (telkens) heeft/hebben afgeleverd
en/of ontvangen en/of zich verschaft en/of vervoerd en/of overgedragen en/of
voorhanden heeft/hebben gehad, zulks (telkens) terwijl hij, verdachte en/of zijn
mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat die
tankpas(sen) (telkens) bestemd waren/was voor zodanig gebruik
en/of
(vervolgens) (telkens) opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt van één of meer
door misdrijf verkregen vals en/of vervalst niet-contant betaalinstrument(en) en/of
van een door misdrijf verkregen valse of vervalste kaart(en), te weten een aantal,
althans één of meer, valse of vervalste, tankpas(sen), bedoeld voor het verrichten
van betalingen langs geautomatiseerde weg, als ware die tankpas(sen) echt en
onvervalst, door met voornoemde tankpassen bij één of meer (onbemande)
tankstations (vestigingen: OK Utrecht en/of Argos Rijswijk en/of Hooijmans
Leidschendam en/of Elan De Meern/Utrecht en/of Tamoil Benthuizen en/of Total
Energies De Meern/Utrecht) betalingen middels geautomatiseerde weg voor de getankte of afgenomen brandstof(fen) (diesel) te verrichten.