ECLI:NL:RBDHA:2026:7591
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen vrijheidsbeperkende maatregel vreemdeling
Eiseres kreeg op 10 februari 2026 een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd door de minister van Asiel en Migratie, omdat zij geen rechtmatig verblijf had en niet voldeed aan de vertrekplicht. De maatregel verplichtte haar om zich te verblijven in de gemeente Westerwolde. Eiseres stelde beroep in tegen dit besluit, maar verscheen niet op de zitting van 27 maart 2026.
De rechtbank oordeelde dat de maatregel zorgvuldig was voorbereid en dat het ontbreken van een woordelijk verslag van het gehoor niet tot onzorgvuldigheid leidde. Eiseres had onvoldoende onderbouwd op welke wijze zij in haar belangen was geschaad door het verslag of het horen in het Nederlands. De rechtbank stelde vast dat eiseres ten tijde van het opleggen van de maatregel geen rechtmatig verblijf had, mede omdat haar hoger beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag geen schorsende werking had.
Hoewel eiseres een aanvraag op grond van artikel 8 EVRM Pro had ingediend, viel zij niet onder de uitzonderingen die vrijheidsbeperking uitsluiten. De minister had toegelicht dat het verblijf in de vrijheidsbeperkende locatie (VBL) voor een korte periode werd voortgezet omdat de aanvraag geen recht gaf op opvang. Eiseres had ook niet voldoende onderbouwd dat zij over alternatieve opvang beschikte of voldoende middelen van bestaan had. De rechtbank wees het beroep af en zag geen aanleiding voor schadevergoeding of proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel is ongegrond verklaard.