Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Procesverloop
Totstandkoming van het besluit
Beoordeling door de rechtbank
waaromverweerder zich ten onrechte op het standpunt zou hebben gesteld dat eiser wisselend, vaag en summier heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid en zijn relatie met de man uit Weert of uit welke concrete verklaringen blijkt dat eiser wel inzicht heeft gegeven in zijn persoonlijke beleving rondom de ontdekking van zijn seksuele gerichtheid. Ook uit eisers stelling dat verweerder geen rekening heeft gehouden met zijn referentiekader blijkt dit niet. Eiser heeft ook hier niet concreet gemaakt waaruit blijkt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Verweerder heeft er in dit kader op kunnen wijzen dat eiser tijdens het gehoor meermaals de kans heeft gekregen om te verklaren over zijn gerichtheid en dat de hoormedewerker op meerdere momenten in het gehoor de vraag over eisers gevoelens heeft herhaald of op een andere manier heeft gevraagd. Ook heeft de hoormedewerker een aantal keer aan eiser uitgelegd waarom een vraag werd gesteld. Verweerder heeft met deze manier van handelen naar het oordeel van de rechtbank voldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat het voor eiser mogelijk moeilijk is om over zijn seksuele gerichtheid te praten. Verder stelt verweerder niet ten onrechte dat van eiser mag worden verwacht dat hij in grote lijnen inzicht geeft in zijn gevoelswereld en dat hij consistent verklaart over het moment dat hij besefte biseksueel te zijn. Verweerder stelt, gelet op de niet concreet betwiste tegenwerpingen, niet ten onrechte dat eiser hier niet in is geslaagd. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers biseksualiteit niet geloofwaardig is. De beroepsgrond slaagt niet.