Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7405

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
09/201189-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 38 SrArt. 38a SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Poging doodslag en bedreiging met oplegging tbs met voorwaarden en gevangenisstraf

De rechtbank Den Haag heeft verdachte vrijgesproken van poging moord, maar veroordeeld voor poging doodslag en bedreiging met een mes. Op 2 juli 2025 stak verdachte het slachtoffer meerdere keren in de borst, wat leidde tot een klaplong en ziekenhuisopname. Daarnaast bedreigde verdachte het slachtoffer op 30 juni 2025 met een mes aan de keel.

De rechtbank oordeelde dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is vanwege schizofrenie, antisociale persoonlijkheidsstoornis en ernstige verslavingen. Psychiatrische rapporten en reclasseringsadviezen wezen op een hoog recidiverisico en noodzaak tot behandeling. Daarom werd tbs met voorwaarden opgelegd, met mogelijkheid tot dwangverpleging bij niet-naleving.

De gevangenisstraf werd vastgesteld op 24 maanden, lager dan gevorderd, rekening houdend met verminderd toerekeningsvatbaarheid en tbs-maatregel. Daarnaast werd een schadevergoeding van €10.038 toegewezen aan het slachtoffer voor materiële en immateriële schade. Voorwerpen zoals het mes werden verbeurd verklaard, terwijl een telefoontoestel werd teruggegeven aan verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf en tbs met voorwaarden wegens poging doodslag en bedreiging.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/201189-25
Datum uitspraak: 31 maart 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1976 te [geboorteplaats 1] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 30 september 2025, 23 december 2025 (beide pro forma) en 17 maart 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.C.M. Beneken genaamd Kolmer en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.M. Vié naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 2 juli 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten [aangever] van het leven te beroven, immers heeft hij die [aangever] meermalen in de borst en/of buik, althans het lichaam gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 juli 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen immers heeft hij die [aangever] meermalen in de borst en/of buik, althans het lichaam gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 juli 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, [aangever] heeft mishandeld, door die [aangever] met een mes in zijn borst, buik en/of bil, althans in het lichaam, te steken;
2
hij op of omstreeks 30 juni 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een mes op keel van die [aangever] te zetten en/of daarbij de woorden te voegen "jij moet dood" althans woorden van gelijke aard en/of strekking.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Partiële vrijspraak en opgave van bewijsmiddelen feit 2
De rechtbank overweegt dat de verdachte heeft ontkend [aangever] (hierna: [aangever] ) woordelijk te hebben bedreigd. Ter terechtzitting heeft de verdachte hierover verklaard dat hij tegen [aangever] heeft gezegd “wil je dood ofzo?”, maar dat dat een waarschuwing was, omdat de hond van de verdachte naar [aangever] aan het grommen was. De rechtbank acht deze verklaring, mede bezien in het licht van wat zich hierover verder in het dossier bevindt, niet onaannemelijk en zal de verdachte hierin volgen. De rechtbank zal de verdachte daarom partieel, voor zover is ten laste gelegd dat hij tegen [aangever] heeft gezegd “jij moet dood”, hiervan vrijspreken.
Voor het overige zal voor feit 2 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering worden volstaan. De verdachte heeft dit bewezen te verklaren feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025219695 van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Zuid, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 122).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 17 maart 2026;
2. het proces-verbaal van aangifte door [aangever] , opgemaakt op 2 juli 2025 (p. 35 tot en met p. 37);
3. het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 4 juli 2025 (p. 93 tot en met p. 96).
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie met betrekking tot feit 1
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak met betrekking tot de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord en heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag.
3.3.
Het standpunt van de verdediging met betrekking tot feit 1
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot de onder 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling op het standpunt gesteld dat dit kan worden bewezen verklaard.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen met betrekking tot feit 1
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025219695 van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Zuid, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 122).
1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , opgemaakt op 2 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 35 tot en met p. 37):
Plaats delict: Coevordenstraat ter hoogte van nummer 301, 2541 TN 's-Gravenhage
Pleegdatum/tijd: Tussen woensdag 2 juli 2025 om 00:45 uur en woensdag 2 juli 2025 om 01:06 uur
Ik heb 2 of 3 dagen bij [verdachte] gewoond. Ik rij naar de benzine om sigaretten te halen. Ik loop terug en zie hem met de hond buiten lopen op de Leyweg. Ik zag dat hij een mes in zijn handen had. Hij begon mij te steken meerdere keren, in totaal 6 keer. 2 keer op mijn borst, links en rechts, mijn buik en links op mijn achterhoofd.
2. Het geschrift, te weten een brief van de Intensive Care betreffende [aangever] , voor zover inhoudende:
Betreft: Dhr. [aangever]
Geb. datum: [geboortedatum 2] 1993
Bovengenoemde patiënt was opgenomen op 2 juli 2025 van 03.00 op de afdeling Intensive Care van het ziekenhuis.
Bovengenoemde patiënt werd kortdurende opgenomen op de Intensive Care i.v.m. agitatie en thoraxdrain in situ. Deze was geplaatst voor een pneumothorax rechts bij penetrerend thoraxletsel. Daarnaast waren er twee oppervlakkige steekverwondingen.
3. Het geschrift, te weten een rapport forensisch geneeskundig onderzoek d.d. 5-1-2026, voor zover inhoudende:
Verdachte: [verdachte] , geboren [geboortedatum 1] 1976 te [geboorteplaats 1]
Slachtoffer: [aangever] , geboren [geboortedatum 2] 1993 te [geboorteplaats 2] , [land]
Blijkens de beschikbare medische gegevens was [aangever] opgenomen in het HMC Westeinde in verband met een ‘pneumothorax’ (‘klaplong’) rechts ten gevolge van ‘penetrerend thoraxletsel’ oftewel een perforatie in de borstkas, waarvoor hij werd behandeld door middel van een drain. In verband met ‘agitatie’ oftewel onrust bij de drain in zijn borstkas werd hij tevens kortdurend opgenomen op de intensive care. In onderhavig geval was er blijkens de medische gegevens perforatie van de borstkas met een pneumothorax (‘klaplong’) hetgeen, indien geen tijdige en adequate behandeling plaatsvindt, zonder meer kan worden aangemerkt als levensbedreigend.
4. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , opgemaakt op 2 juli 2025, voor zover inhoudende (p.27 tot en met p. 33):
Ik ging mijn hond uitlaten. Hij kwam mij intersepten. Toen heb ik een oestermesje gepakt. Ik heb hem een paar keer geprikt aan de overkant van de avondwinkel aan de andere kant van het water bij de Steenwijklaan daarzo bij een grote boom.
3.5.
Bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 1
Vrijspraak poging moord
De rechtbank stelt vast dat noch uit de inhoud van het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte op 2 juli 2025 heeft gehandeld na kalm beraad en rustig overleg. Met de raadsvrouw en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat van voorbedachte raad geen sprake is, zodat de verdachte zal worden vrijgesproken van de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord.
Bewezenverklaring poging doodslag
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het handelen van de verdachte kan worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag.
Om tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag te komen, moet kunnen worden bewezen dat de verdachte opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad, al dan niet in voorwaardelijke zin.
De rechtbank ziet geen aanwijzingen in het dossier en het verhandelde op de terechtzitting dat de verdachte ‘vol’ opzet heeft gehad op de dood van [aangever] . Van voorwaardelijk opzet op de dood is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [aangever] als gevolg van zijn handelen zou kunnen komen te overlijden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte met een oestermes meermalen heeft gestoken in de borst van [aangever] . Het is een feit van algemene bekendheid dat in de borstkas vitale organen zitten, dat de kans groot is dat bij het steken in de borst een vitaal orgaan wordt geraakt en dat dit tot de dood kan leiden. Hiermee levert het steken in het bovenlichaam een aanmerkelijke kans op de dood op. Ook de forensisch arts bevestigt dat in dit geval het letsel, een zogenoemde klaplong, indien geen tijdige en adequate behandeling plaatsvindt, potentieel dodelijk letsel was. De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar betoog dat de forensisch arts niet beschikte over voldoende informatie om hierover een oordeel te vormen, aangezien in het rapport staat dat de arts beschikte over foto’s van het mes en twee letselbeschrijvingen uit het strafdossier. Door het met een oestermes steken in de borstkas heeft de verdachte dan ook de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood bewust aanvaard. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de verdachte in voorwaardelijke zin opzet had op de dood van [aangever] .
Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde poging tot doodslag.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 impliciet subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 2 juli 2025 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [aangever] van het leven te beroven, die [aangever] meermalen in de borst
heeftgestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op 30 juni 2025 te 's-Gravenhage [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door een mes op keel van die [aangever] te zetten.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.Oplegging van de straf en maatregel

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en dat aan hem daarnaast de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met een bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: dwangverpleging) wordt opgelegd. Verder heeft de officier van justitie gevorderd de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: GVM) aan de verdachte op te leggen.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om te komen tot oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarden opname in een kliniek, ambulante behandeling, begeleid wonen en een verbod op het gebruik van verdovende middelen te controleren door middel van urinecontroles.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging door een mes op de keel van het slachtoffer te zetten. Drie dagen later heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door het slachtoffer daadwerkelijk op straat met een mes in (onder meer) zijn borst te steken, waardoor het slachtoffer een klaplong heeft opgelopen. Dat het slachtoffer niet dodelijk is geraakt, is een gelukkige omstandigheid die niet is te danken aan het handelen van de verdachte. Met zijn handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer gemaakt en heeft hij hem ook gevoelens van schrik en angst aangejaagd.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 18 september 2025, waaruit blijkt dat de verdachte in het verleden veelvuldig is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder ook voor bedreiging en geweldsdelicten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op de bevindingen van [naam 1] , psychiater, en drs. [naam 2] , klinisch psycholoog, zoals neergelegd in hun Pro Justitia rapporten van respectievelijk 14 en 7 november 2025.
De psychiater concludeert dat bij de verdachte sprake is van schizofrenie, een antisociale persoonlijkheidsstoornis, een ernstige verslaving aan cocaïne en in mindere mate een verslaving aan cannabis en amfetamine. Deze stoornissen waren alle van kracht op het moment van het plegen van het tenlastegelegde. De verdachte was niet floride en ernstig psychotisch in de weken rondom het tenlastegelegde. Wel speelde intoxicatie door cocaïnegebruik een rol tijdens beide incidenten, hetgeen een sterkere paranoïde kleuring aan zijn gedachten en gevoelens kon geven. De stoornissen beïnvloedden zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde. De psychiater adviseert beide ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
De psychiater schat het recidiverisico als hoog in. Zijn impulsiviteit, gebrek aan empathisch vermogen en de neiging tot persoonlijke behoeftebevrediging (door middel van met name drugs) maken het ingewikkeld om de verdachte in een voorwaardelijk kader te kunnen behandelen. Bij een dergelijk langdurige en ernstige harddrugsverslaving is het bereiken van langdurige abstinentie, zonder dat iemand ook zelf echt gemotiveerd is, niet kansrijk. Indien de verdachte gemotiveerd kan raken voor het langdurig gebruik van depotmedicatie en het grote belang van het bereiken en behouden van abstinentie van middelen in gaat zien, zou een traject van tbs met voorwaarden volgens de psychiater het onderzoeken waard zijn geweest. Echter met de overtuigingen, meningen en plannen van de verdachte zoals geuit in het onderzoek, en de eerdere resultaten van vrijwilligheid en voorwaardelijkheid, acht de psychiater dat op dit moment geen realistisch scenario.
De psychiater adviseert daarom de tbs-maatregel met dwangverpleging aan de verdachte op te leggen met oplegging van een GVM indien sprake is van een gemaximeerde tbs-maatregel.
Ook de psycholoog concludeert dat bij de verdachte sprake is van een psychotische stoornis in het kader van schizofrenie, een antisociale persoonlijkheidsstoornis, een stoornis in cocaïnegebruik en (in mindere mate) van een stoornis in cannabisgebruik. Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde bestonden bovengenoemde stoornissen. De psychotische stoornis, de antisociale persoonlijkheidsstoornis en (met name) de stoornis in cocaïnegebruik hebben de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van de ten laste gelegde feiten beïnvloed. Daarom adviseert de psycholoog de verdachte het tenlastegelegde in een verminderde mate toe te rekenen.
De psycholoog schat het risico op recidive als hoog in. Om het recidiverisico terug te dringen, is het van belang dat de verdachte na detentie verder wordt behandeld ten behoeve van de psychotische stoornis en de stoornis in middelengebruik. De behandeling zal moeten starten met een klinische fase en dient plaats te vinden in een beveiligde, gesloten setting met toezicht op de afdeling, aanbod van therapie- en behandelfaciliteiten onder begeleiding en een gecontroleerde in- en uitgang. Aansluitend kan de behandeling op poliklinische basis worden voortgezet met monitoring van het psychiatrische toestandsbeeld, het middelengebruik en risicomanagement. Het juridische kader van tbs met dwangverpleging is volgens de psycholoog vanuit gedragsdeskundig oogpunt het meest passend om recidive te voorkomen en de maatschappelijke veiligheid te waarborgen.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsrapport van 19 december 2025 over de verdachte. De rapporteur concludeert dat het recidiverisico hoog is. De ten laste gelegde feiten zijn onder invloed van cocaïne gepleegd. De verdachte heeft te kampen met een forse verslavingsproblematiek, waardoor hij vooral omgaat met medegebruikers (zoals ook het slachtoffer) en personen die zich begeven in het criminele circuit. Het ontbreekt de verdachte aan beschermende factoren, die de kans op recidive en geweld kunnen verlagen.
Vanwege de eigen ideeën en wensen van de verdachte is het de reclassering van Fivoor en Leger des Heils eerder niet gelukt om hem te motiveren voor verlenging van
bewindvoering en het aanvragen van een begeleide woonvorm. Gedurende het huidige onderzoek is de verdachte van gedachten veranderd. Hij wil bewindvoering voortzetten, is gemotiveerd voor depotmedicatie en wil zich klinisch laten behandelen.
Depotmedicatie is een belangrijk aspect binnen de behandeling en begeleiding en lijkt behoorlijk effectief. Abstinentie van middelen, opbouw van een leven met zingeving en dagbesteding, accepteren van meer toezicht en zorg en het opbouwen van een pro sociaal netwerk zijn noodzakelijk om de hoge kans op recidive en geweld te verkleinen. De verdachte wijst deze zaken minder resoluut van de hand dan aan het begin van het reclasseringsonderzoek. Hij heeft zich echter de afgelopen jaren beperkt begeleidbaar opgesteld. De impulsiviteit van de verdachte, het gebrek aan empathisch vermogen en de neiging tot persoonlijke behoeftebevrediging (door middel van met name drugs) maken het volgens de reclassering vrijwel onmogelijk om hem in een voorwaardelijk kader te kunnen begeleiden en behandelen. De reclassering acht het kader van een tbs maatregel met voorwaarden daarom niet haalbaar. De kans op onttrekking aan voorwaarden wordt door de reclassering als hoog ingeschat. Bij een veroordeling tot een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf of tbs-maatregel adviseert de reclassering een GVM op te leggen.
Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij sinds zijn verblijf in de PI abstinent is van cocaïne, hetgeen verhelderend werkt. De verdachte zou om oplegging van een tbs-maatregel te voorkomen, graag willen meewerken aan bijzondere voorwaarden zoals een klinische opname of het meewerken aan urinecontroles ter voorkoming van het gebruik van harddrugs.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank onderschrijft de gestelde diagnose en de conclusies van de onderzoekers, in die zin dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar wordt geacht. Ook ziet de rechtbank, met de onderzoekers, de noodzaak van behandeling van de verdachte.
De rechtbank acht het – ter voorkoming van recidive – van groot belang dat de verdachte wordt behandeld voor zijn problematiek. Behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden die worden verbonden aan een voorwaardelijk strafdeel, zoals bepleit door de raadsvrouw, acht de rechtbank niet passend, omdat dit een te kleine ‘stok achter de deur’ geeft en de rechtbank er geen vertrouwen in heeft dat de verdachte zich in dat geval zal conformeren aan op te leggen bijzondere voorwaarden.
De rechtbank stelt vast dat het onder 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, zoals bedoeld in artikel 37a lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is en dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.
Voorts beschikt de rechtbank over een rapportage van ten minste twee gedragskundigen, onder wie een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht.
Aan de eisen voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling is daarmee voldaan.
De rechtbank ziet, zoals hiervoor overwogen, noodzaak tot langdurige en intensieve behandeling van de verdachte om te trachten de kans op recidive in de toekomst te verminderen en zo de veiligheid in de maatschappij te waarborgen.
De rechtbank heeft overwogen of het opleggen van een tbs-maatregel met dwangverpleging noodzakelijk is. De rechtbank ziet in de rapporten van de deskundigen aanknopingspunten hiervoor en heeft daarbij ook de door de reclassering naar voren gebrachte twijfel over de haalbaarheid van een tbs met voorwaarden mee laten wegen.
De rechtbank heeft echter ook geconstateerd dat de verdachte al in zijn gesprekken met de reclassering en hierop volgend ook ter terechtzitting, blijk heeft gegeven van een meer gemotiveerde houding ten opzichte van op te leggen voorwaarden, waaronder een klinische opname, ambulante behandeling, begeleid wonen en een verbod op het gebruik van verdovende middelen te controleren door middel van urinecontroles.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte daarom toch de kans moet worden gegeven om te laten zien dat hij zich inzet voor zijn noodzakelijke behandeling en in staat is zich aan op te leggen voorwaarden te houden.
Alles overwegende, zal de rechtbank de maatregel tbs met voorwaarden opleggen. De op te leggen voorwaarden worden hierna onder het kopje ‘beslissing’ opgesomd.
Mochten een of meer van de gestelde voorwaarden niet door de verdachte worden nageleefd, dan kan de rechtbank, op vordering van de officier van justitie, bevelen dat de maatregel alsnog wordt omgezet naar tbs met dwangverpleging. In dat geval zal de duur van de maatregel niet gemaximeerd zijn, aangezien de maatregel wordt opgelegd wegens een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer anderen.
Gelet op het feit dat er sprake is van een hoog recidiverisico, ziet de rechtbank aanleiding om conform artikel 38, zesde lid Sr te bevelen dat de tbs-maatregel met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.
De rechtbank ziet onvoldoende reden om, naast de tbs met een groot pakket aan voorwaarden, een GVM aan de verdachte op te leggen.
Tevens ziet de rechtbank met inachtneming van de op te leggen tbs met voorwaarden, geen noodzaak tot oplegging van een contactverbod, zoals verzocht door mr. De Klerk, de advocaat van het slachtoffer. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een doorlopend conflict tussen de verdachte en het slachtoffer, waarbij ervoor moet worden gevreesd dat de verdachte contact zal opnemen met het slachtoffer.
Wel zal de rechtbank, naast de tbs-maatregel, de verdachte ook een gevangenisstraf opleggen. Gelet op de aard en de ernst van de feiten, alsmede op de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, is naar het oordeel van de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Bij het bepalen van de duur van deze gevangenisstraf houdt de rechtbank er rekening mee dat de bewezen verklaarde feiten de verdachte verminderd kunnen worden toegerekend en dat aan hem de tbs-maatregel met voorwaarden zal worden opgelegd. Dit heeft een matigende werking op de op te leggen straf. De rechtbank zal daarom aan de verdachte een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.
Een en ander brengt de rechtbank tot de conclusie dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden is, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank zal de voorlopige hechtenis van de verdachte schorsen vanaf het moment dat de verdachte klinisch is opgenomen in een zorginstelling en aan de schorsing dezelfde voorwaarden verbinden als aan de tbs-maatregel. De schorsing van de voorlopige hechtenis en de daaraan te verbinden voorwaarden houden verband met de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden. Zou de verdachte de in dat kader te stellen voorwaarden niet naleven, terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, dan bestaat de mogelijkheid om de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen. Op die manier wordt de algemene veiligheid van personen gewaarborgd.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 13.163,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 38,00 aan materiële schade en € 13.125,00 aan immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hij een terughoudende rol heeft, omdat de vordering is ingediend met behulp van een advocaat en daarmee sprake is van een discussiepunt tussen twee civiele partijen. De officier van justitie heeft verzocht om, indien de rechtbank tot enige toewijzing komt, hierbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en de wettelijke rente te bepalen vanaf de pleegdatum.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de gevorderde € 38,00 aan ziekenhuisdaggeldvergoeding niet betwist en heeft verzocht het toe te wijzen bedrag aan immateriële schade aanzienlijk te matigen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post ‘ziekenhuis daggeldvergoeding’, is namens de verdachte niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 38,00 dan ook toewijzen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 BW Pro (onder meer) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat hij lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in de persoon is aangetast. Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade tot een bedrag van € 1.500,00 wegens de onder 2 bewezen verklaarde bedreiging, acht de rechtbank de vordering onvoldoende onderbouwd. De rechtbank overweegt hiertoe dat de onderbouwing van het verzoek om schadevergoeding volledig ziet op de onder feit 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde poging tot doodslag. De rechtbank zal de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij door het onder 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde feit schade heeft geleden binnen de categorie ‘lichamelijk letsel’ (voor zover het betreft het steekletsel aan borst en de ten gevolge daarvan opgelopen klaplong).
Voor de begroting van de schade die hieruit voortvloeit, heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de bedragen zoals opgenomen in de zogenoemde Rotterdamse schaal. Hierbij heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de bandbreedte van smartengeldbedragen in het geval dat bij de benadeelde partij relatief mild borstletsel is geconstateerd.
De rechtbank wijst – met inachtneming van de Rotterdamse Schaal – de vordering tot vergoeding van immateriële schade dan ook toe tot een bedrag van € 10.000,00.
De rechtbank ziet geen reden voor het, zoals verzocht namens de benadeelde partij, ophogen van dit bedrag met 25% wegens ernstige verwijtbaarheid.
Het overige deel van de vordering dat betrekking heeft op vergoeding van immateriële schade zal de rechtbank niet-ontvankelijk verklaren.
Conclusie
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van €10.038,00, bestaande uit € 38,00 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade en zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 2 juli 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Aangezien de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De verdachte zal voor het onder 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 10.038,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 juli 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever] .

8.De in beslag genomen voorwerpen

8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de lijst van in beslag genomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage aan dit vonnis is gehecht) onder 1 genoemde voorwerp zal worden teruggegeven aan de verdachte en dat de onder 2 en 3 genoemde voorwerpen zullen worden verbeurd verklaard.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om teruggave aan de verdachte van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
Omdat het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp.
De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 2 en 3 genoemde voorwerpen, verbeurd verklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en met behulp van deze voorwerpen het onder 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde feit is begaan.
Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
33, 33a, 38, 38a, 45, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals die ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 impliciet subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1 impliciet subsidiair:
poging tot doodslag;
ten aanzien van feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
24 (vierentwintig) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast
de terbeschikkingstellingvan de verdachte;
stelt daarbij de navolgende voorwaarden betreffende het gedrag van de terbeschikkinggestelde:
dat de terbeschikkinggestelde:
- zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- meewerkt aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
• de terbeschikkinggestelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
• de terbeschikkinggestelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om zijn identiteit vast te stellen;
• de terbeschikkinggestelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de terbeschikkinggestelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
• de terbeschikkinggestelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;
• de terbeschikkinggestelde werkt mee aan huisbezoeken;
• de terbeschikkinggestelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
• de terbeschikkinggestelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
• de terbeschikkinggestelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met betrokkene, als dat van belang is voor het toezicht;
- zich laat opnemen in een nader te bepalen zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de terbeschikkinggestelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
- zich laat behandelen door een nader te bepalen zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
- verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
- als de terbeschikkinggestelde dat nodig vindt en daarmee instemt, kan de terbeschikkinggestelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;
- geen drugs gebruikt en meewerkt aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd;
- geen alcohol gebruikt en meewerkt aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland de ter beschikking gestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;
beveelt dat bovengenoemde maatregel van tbs met voorwaarden
dadelijk uitvoerbaaris;
schorst de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het moment dat de verdachte in een kliniek kan worden opgenomen, onder de hierboven genoemde voorwaarden betreffende het gedrag van de terbeschikkinggestelde en onder de voorwaarden:
- als de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt opgeheven, hij zich niet aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis zal onttrekken;
- als hij voor het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, wordt veroordeeld tot andere dan vervangende vrijheidsstraf, zich niet aan de tenuitvoerlegging daarvan zal onttrekken;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 10.038,00 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 2 juli 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 10.038,00 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 juli 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;
gelast de teruggave aan de verdachte van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: 1 stk telefoontoestel;
verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 2 en 3 genoemde voorwerpen, te weten: 1 stk mes en 1 stk handschoen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Schaaf, voorzitter,
mr. V.J. de Haan, rechter,
mr. J.L.E. Bakels, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. N. de Jong, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 maart 2026.