ECLI:NL:RBDHA:2026:7391

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
NL25.49599
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielprocedure na definitieve uitspraak rechtbank

Verzoeker heeft op 23 augustus 2025 asiel aangevraagd. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag bij besluit van 3 oktober 2025 af als kennelijk ongegrond. Verzoeker stelde hiertegen beroep in en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter besloot, na toestemming van partijen, de zaak zonder zitting te behandelen en sloot het onderzoek. Op 4 februari 2026 deed de rechtbank Den Haag uitspraak op het beroep, waarbij het verzoek om asiel werd afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

Omdat de definitieve uitspraak onherroepelijk is, achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer nodig en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is openbaar en er staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtbank reeds een definitieve uitspraak heeft gedaan waartegen geen hoger beroep is ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.49599

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [v-nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

1. Verzoeker heeft op 23 augustus 2025 asiel aangevraagd. Bij besluit van 3 oktober 2025 heeft de minister de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. De voorzieningenrechter heeft, na hiervoor toestemming te hebben gekregen van partijen, bepaald dat een zitting achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3
.Bij uitspraak van 4 februari 2026 (ECLI:RBDHA:2026:1856), heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.
Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Derks, griffier en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.