Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7364

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
SGR 25/2742
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.23 Invoeringswet OmgevingswetArt. 3:2 AwbArt. 5:1 AwbArt. 5:11 AwbArt. 5:31d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen last onder dwangsom wegens overschrijding kampeermiddelen op camping

Eiseres exploiteert samen met anderen een camping op een perceel met de bestemming Agrarisch - Bollenteelt - Bollenzone 1, waar maximaal vijftien kampeermiddelen zijn toegestaan van 15 maart tot en met 31 oktober. Op 2 augustus 2024 constateerde een toezichthouder van de Omgevingsdienst West-Holland dat er 32 kampeermiddelen aanwezig waren, wat leidde tot een last onder dwangsom van € 20.000,- opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk.

Eiseres betwistte het aantal kampeermiddelen en stelde dat er slechts zestien waren, onderbouwd met een eigen telling en een plattegrond. De rechtbank oordeelt echter dat het feit van overschrijding vaststaat, ongeacht het precieze aantal, en dat het college bevoegd was om handhavend op te treden. De waarneming van de toezichthouder op het terrein is bepalend, niet alleen de foto's.

Verder is de hoogte van de dwangsom in verhouding tot de ernst van de overtreding, mede omdat het niet de eerste overtreding betrof. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het college in vergelijkbare gevallen ongelijk heeft gehandeld. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, handhaaft het besluit en wijst de proceskosten en griffierecht af.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de last onder dwangsom wegens overschrijding van het maximaal toegestane aantal kampeermiddelen wordt ongegrond verklaard en het besluit wordt gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2742

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk, het college

(gemachtigde: Y.J.H. Assad).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een last onder dwangsom vanwege overschrijding van het maximaal toegestane aantal van vijftien kampeermiddelen op de percelen aan het adres [adres] , waar de camping van eiseres is gevestigd.
1.1.
Het college is in bezwaar niet teruggekomen van het handhavingsbesluit. Aan de hand van de gronden die eiseres in beroep tegen het besluit op bezwaar heeft aangevoerd, beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid daarvan.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
2. Eiseres heeft samen met [naam 1] en [naam 2] een camping op het adres [adres] . Het midden van het terrein wordt gevormd door een langwerpig bollenveld met daaromheen een strook grasveld waarop de kampeermiddelen kunnen worden geplaatst. Op de percelen rust volgens het bestemmingsplan Buitengebied 2015 de bestemming “Agrarisch - Bollenteelt - Bollenzone 1.” De planregels staan in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober maximaal vijftien kampeermiddelen toe. [1]
2.1.
Op 2 augustus 2024 heeft een toezichthouder van de Omgevingsdienst West- Holland (ODWH) onaangekondigd een rondgang over het terrein gemaakt, daarbij een telling verricht en foto’s genomen van de op dat moment aanwezige kampeermiddelen. De toezichthouder heeft op basis hiervan geconstateerd dat het maximaal toegestane aantal kampeermiddelen is overschreden omdat er op dat moment 32 kampeermiddelen op het terrein aanwezig, te weten vijf caravans, 26 campers en één tent. De toezichthouder heeft zijn bevindingen neergelegd in een constateringsrapport van 5 augustus 2024 (het constateringsrapport).
2.2.
Naar aanleiding van de bevindingen van de toezichthouder heeft het college op 6 september 2024 aan eiseres en de mede-eigenaren van de percelen het voornemen kenbaar gemaakt een last onder dwangsom van € 20.000,- ineens op te leggen met een begunstigingstermijn van twee weken. Eiseres heeft op het voornemen gereageerd met een zienswijze.
2.3.
Met het handhavingsbesluit van 27 september 2024 heeft het college de last onder dwangsom opgelegd.
2.4.
Met het bestreden besluit op bezwaar van 6 maart 2025 heeft het college het bezwaar tegen het handhavingsbesluit ongegrond verklaard onder verwijzing naar het advies van de regionale commissie bezwaarschriften van 4 februari 2025.
2.5.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.6.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het college
.Aan de zijde van eiseres is verder verschenen J.H.P. Brama, voornoemd.

Beoordeling door de rechtbank

Toepasselijk recht
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als voor die datum een overtreding is aangevangen en een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding, blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing. Nu het handhavingsbesluit dateert van 27 september 2024, is in deze zaak de Omgevingswet van toepassing.
Toetsingskader
4. De voor de beoordeling van deze beroepen relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage is onderdeel van deze uitspraak.
Is sprake van een overtreding?
5. De rechtbank moet eerst beoordelen of sprake is van een overtreding.
5.1.
Het geschil spitst zich toe op het door de toezichthouder waargenomen aantal kampeermiddelen. Eiseres betoogt dat dit aantal niet juist kan zijn. Ter onderbouwing van haar betoog heeft zij een plattegrond van het terrein getekend onder verwijzing naar de foto’s uit het constateringsrapport. De kampeermiddelen die op deze foto’s zijn te zien, heeft zij met nummers aangeduid om duidelijk te maken dat sommige kampeermiddelen meerdere malen vanuit verschillende hoeken zijn gefotografeerd en volgens haar ten onrechte meerdere keren zijn meegeteld. Eiseres komt op basis van een eigen telling tot zestien kampeermiddelen.
5.2.
De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat op dag waarop de toezichthouder het kampeerterrein heeft bezocht, het aantal kampeermiddelen hoger was dan het maximale aantal dat de planregels toelaat. Daarmee staat de overtreding vast. Het precieze aantal kampeermiddelen, of dat er nu zestien waren zoals eiseres stelt of 32 zoals de toezichthouder stelt, kan daarom in het midden worden gelaten. Het college was aldus bevoegd – en ook gehouden – om tegen die overtreding handhavend op te treden. Het uitgangspunt is immers dat het algemeen belang is gediend met handhaving en dat daarom in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. [2]
5.3.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat op basis van de acht ongenummerde kleurenfoto’s in het constateringsrapport het aantal van 32 kampeermiddelen niet is vast te stellen, zoals het college ter zitting ook heeft erkend. De basis van de constatering van de toezichthouder is echter niet – althans niet alleen – het aantal kampeermiddelen dat op de foto’s is te zien, maar ook de telling die hij op het kampeerterrein heeft verricht. In een e-mail van 23 september 2024 heeft de toezichthouder toegelicht dat hij een rondje over het terrein heeft gelopen en daarbij eerst alle kampeermiddelen aan de linkerzijde heeft geteld en teruglopend de kampeermiddelen aan de rechterzijde. Niet de foto’s zijn dus de voornaamste basis van de bevindingen van de toezichthouder, maar zijn eigen waarneming op 2 augustus 2024.
Staat de hoogte van de dwangsom in verhouding tot de ernst van de overtreding?
6. Eiseres betoogt dat de hoogte van de dwangsom niet in verhouding staat tot de ernst van de overtreding, die volgens haar gering is.
6.1.
De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de dwangsom niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de overtreding en het met de ongedaanmaking daarvan te dienen belang. Daarbij is van belang dat van de dwangsom een zodanige prikkel moet uitgaan, dat de oplegde last wordt nagekomen en verbeurte van de dwangsom wordt voorkomen. [3]
6.2.
Verder kan niet worden geoordeeld dat de aan eiseres geboden begunstigingstermijn van twee weken in redelijkheid niet toereikend was om aan de last te kunnen voldoen en het aantal kampeermiddelen binnen de begunstigingstermijn weer in overeenstemming te brengen met het maximaal toegestane aantal. Dat geldt te meer als het klopt dat er in totaal 16 kampeermiddelen aanwezig waren, zoals eiseres stelt. Het college heeft bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom ook kunnen betrekken dat het niet de eerste keer is geweest dat voor een vergelijkbare overtreding op hetzelfde kampeerterrein een last onder dwangsom is opgelegd. [4]
6.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Beroep op het gelijkheidsbeginsel
7. Ter zitting heeft eiseres zich beroepen op het gelijkheidsbeginsel. Zij stelt dat algemeen bekend is dat op de paardenweide van de naastgelegen camping al jarenlang 25 campers staan, maar dat daartegen niet handhavend wordt opgetreden. Er is volgens eiseres bij die camping maar één keer gecontroleerd, en dat was na Pasen, op een moment dat er nog maar één camper stond.
7.1.
Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient sprake te zijn van een (in feitelijke en juridische zin) gelijk geval dat ongelijk wordt behandeld, zonder dat er een objectieve rechtvaardiging bestaat voor het verschil in handelwijze. Het gelijkheidsbeginsel vergt dat in gevallen waarin door verschillende overtreders een reeks van vergelijkbare overtredingen plaatsvindt, een consistent en doordacht bestuursbeleid gevoerd wordt. Het veronderstelt dat het bestuur welbewust richting geeft en derhalve een algemene gedragslijn volgt ten aanzien van handhavend optreden in rechtens gelijke gevallen.
7.2.
Van schending van het gelijkheidsbeginsel is in dit geval geen sprake. Dat op een paardenweide behorende bij een kampeerterrein dat grenst aan dat van eiseres al jarenlang stelselmatig meer kampeermiddelen staan dan is toegestaan, maar dat het college daartegen niet handhavend optreedt, is door eiseres niet aannemelijk gemaakt. Uit haar enkele stelling dat er één keer is gecontroleerd blijkt niet van onwil van het college om handhavend op te treden, als daartoe aanleiding zou zijn geweest. Dat tijdens die controle maar één camper op dat terrein zou hebben gestaan, doet hieraan niet af. Omdat met die ene camper het maximaal toegestane aantal kampeermiddelen op dat terrein niet was overschreden terwijl dat tijdens de controle op het kampeerterrein van eiseres wel het geval was, is van gelijke gevallen reeds daarom geen sprake.
7.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft, evenals de last onder dwangsom die bij dat besluit is gehandhaafd. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026.
de griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 5:1
1. In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het
bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
(…)
Artikel 5:11
Onder toezichthouder wordt verstaan: een persoon, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
Artikel 5:31d
Onder last onder dwangsom wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:
een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en
de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.
Artikel 5:32a
1. De last onder dwangsom omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.
2 Bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.
Artikel 5:32b
1. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last.
2 Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.
3 De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.
Artikel 5:37
1. Alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, beslist het bestuursorgaan bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom.
(…)
Artikel 5:39
1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
2 De bestuursrechter kan de beslissing op het beroep of hoger beroep tegen de beschikking tot invordering echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is.
(…)
Omgevingswet
Artikel 1.6. (zorgplicht voor een ieder)
Een ieder draagt voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving.
Artikel 1.7. (activiteit met nadelige gevolgen)
Een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan
hebben voor de fysieke leefomgeving, is verplicht:
a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen,
b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken,
c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd.
Artikel 5.1. (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
(…)
tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
2 Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een bouwactiviteit,
(…)
voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Artikel 5.6. (verbod in stand laten zonder vergunning gebouwd bouwwerk)
Het is verboden een bouwwerk of deel daarvan dat is gebouwd zonder de daarvoor vereiste
omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in stand te laten.
Artikel 22.1. (tijdelijk deel omgevingsplan)
In deze afdeling wordt onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan verstaan het deel van
het omgevingsplan dat bestaat uit:
a. de besluiten, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet,
Besluit bouwwerken leefomgeving
Artikel 2.25. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwactiviteit: bouwwerken met een
dak)
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning
een bouwactiviteit te verrichten, geldt voor een bouwactiviteit, voor zover die betrekking
heeft op een gebouw of ander bouwwerk met een dak en dat gebouw of andere bouwwerk:
(…)
Artikel 2.26. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwactiviteit: bouwwerken zonder
dak)
1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten, geldt voor een bouwactiviteit, voor zover die betrekking heeft op een bouwwerk zonder dak en dat bouwwerk:
§ 2.3.3. Vergunningvrije gevallen omgevingsplanactiviteiten met betrekking tot
bouwwerken
Artikel 2.28. (toepassingsbereik)
Deze paragraaf is van toepassing op omgevingsplanactiviteiten bestaande uit een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk.
Artikel 2.29. (vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten met betrekking tot bouwwerken)
Onverminderd regels in het omgevingsplan over het in stand houden van een bouwwerk die
betrekking hebben op de ernstige ontsiering van het uiterlijk van dat bouwwerk, geldt het
verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een
omgevingsplanactiviteit te verrichten, niet voor een omgevingsplanactiviteit voor zover de
activiteit betrekking heeft op een van de volgende bouwwerken:
(…)
Omgevingsplan gemeente Noordwijk
Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te
bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Bestemmingsplan Buitengebied 2015
Artikel 1 Begrippen Pro
(…)
1.9
agrarisch bedrijf
een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van
gewassen en/of het houden van dieren, nader te onderscheiden in:
(…)
bollenteelt:
(…)
Artikel 3 Agrarisch Pro - Bollenteelt - Bollenzone 1
3.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Agrarisch - Bollenteelt - Bollenzone 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
(…)
a. de uitoefening van een bollenteeltbedrijf zoals genoemd in artikel 1, lid 1.9 met dien verstande dat bollenteelt door middel van kweektunnels uitsluitend is toegestaan:
1. binnen de bouwvlakken;
2. buiten de bouwvlakken, uitsluitend in de periode van oktober tot en met maart;
(…)
en tevens voor:
b. (…)
(…)
met daaraan ondergeschikt:
(…)
k. de in tabel 3.1 genoemde toegestane nevenfuncties met bijbehorend maximaal aantal m² aan bebouwing en gronden, die in gebruik mogen worden genomen ten dienste van de nevenfunctie.
Tabel 3.1
nevenfunctie
(…)
opslag en stalling van agrarische producten in de bestaande bebouwing
Artikel 36 Algemene Pro gebruiksregels
36.1
Strijdig gebruik
a. Onder gebruik in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan onbebouwde gronden te gebruiken of te laten gebruiken:
(…)
3. als uitstallings-, opslag-, stand- of ligplaats voor kampeer- en verblijfsmiddelen;
(…)
36.2
Geen strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik als bedoeld in de lid 36.1 wordt niet verstaan:
(…)
e. het plaatsen of geplaatst houden van maximaal 15 kampeermiddelen gedurende de periode van 15 maart tot en met 31 oktober binnen bouwvlakken met de bestemming Agrarisch -Grondgebonden veehouderij - Waardevolle graslanden, Agrarisch - Bollenteelt - Bollenzone 1 en 'Agrarisch - Bollenteelt - Bollenzone 2.

Voetnoten

1.Artikel 36.2, aanhef en onder e, van de planregels.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:469.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:772.