ECLI:NL:RBDHA:2026:7353
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring beroep tegen niet tijdig besluit op aanvraag machtiging voorlopig verblijf
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf voor nareis en gezinshereniging. De rechtbank had eerder een termijn gesteld waarbinnen de minister een besluit moest nemen, maar deze heeft nog steeds niet besloten.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is. De minister hanteert het fifo-principe en verwacht de aanvraag in april 2026 te behandelen, maar de rechtbank acht deze termijn onredelijk en stelt een nieuwe termijn van twee weken na verzending van deze uitspraak.
De rechtbank legt een dwangsom van € 200 per dag op met een maximum van € 15.000 om de minister te bewegen tot tijdig besluit. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.
De uitspraak is gedaan door rechter A.C.J. van Dooijeweert en openbaar gemaakt op 31 maart 2026.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de minister op binnen twee weken een besluit te nemen onder oplegging van een dwangsom.