ECLI:NL:RBDHA:2026:7337
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring beroep tegen niet tijdig besluit op aanvraag machtiging voorlopig verblijf
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf voor zijn ouders en broers en zussen. De rechtbank had eerder op 19 maart 2025 het beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen, met een dwangsom van € 100 per dag tot maximaal € 15.000.
Ondanks deze uitspraak heeft de minister nog steeds geen besluit genomen en hanteert hij het 'first-in first-out' principe, waarbij de aanvraag pas in januari 2027 aan de beurt zou zijn. De rechtbank oordeelt dat dit onaanvaardbaar is en stelt een nieuwe termijn van twee weken voor het nemen van een besluit, met een verhoogde dwangsom van € 200 per dag tot maximaal € 15.000.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht en de proceskosten. De uitspraak benadrukt dat de minister de dwangsom niet mag verlagen omdat dit het doel van de dwangsom ondermijnt. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt de minister op binnen de gestelde termijn alsnog te beslissen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de minister op binnen twee weken een besluit te nemen onder oplegging van een dwangsom.