Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7318

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
09-060718-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i SrArt. 77x Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak ontploffing en bewezenverklaring diefstal met geweld in vereniging

De rechtbank Den Haag behandelde op 16 maart 2026 de zaak tegen de verdachte, geboren in 2008, die werd verdacht van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing bij restaurant Eazie in Breda op 16 juni 2024 en van het in vereniging plegen van diefstal met geweld op 29 november 2024 in ’s-Gravenhage.

De rechtbank sprak de verdachte vrij van het eerste feit wegens onvoldoende wettig bewijs, ondanks DNA-sporen op voorwerpen bij het restaurant en een screenshot op de telefoon van de verdachte met een tekst die overeenkwam met graffiti op het restaurant. Er waren echter geen aanwijzingen dat de verdachte zelf op de plaats delict was en er was ook DNA van een onbekende man aangetroffen.

Voor het tweede feit oordeelde de rechtbank dat de verdachte samen met een medeverdachte een telefoon, rijbewijs en autosleutel van het slachtoffer had weggenomen met geweld. De verdachte had de aangever bij de keel gegrepen, hem geslagen en in een wurggreep genomen. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte als medepleger handelde.

De verdachte werd veroordeeld tot 80 dagen jeugddetentie, waarvan 35 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden waaronder begeleiding door de jeugdreclassering en een coach. Tevens werd een voorwaardelijke jeugddetentie uit 2022 omgezet in een taakstraf van 90 uur wegens het niet naleven van voorwaarden. De rechtbank benadrukte de kwetsbaarheid van de verdachte en het belang van voortgezette begeleiding en diagnostiek.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van ontploffing en veroordeeld tot deels voorwaardelijke jeugddetentie en taakstraf voor diefstal met geweld in vereniging.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 09-060718-25, 09-046785-22 (tul) en 02-252805-24 (ttz. gev)
Datum uitspraak: 30 maart 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 16 maart 2026.
De officier van justitie in deze zaak is mr. D. Kortekaas en de raadsvrouw van de verdachte is mr. L. van Poucke te Eindhoven. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2.De tenlastelegging

De verdenkingen komen er, kort gezegd, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
Dagvaarding I - 02-252805-24 (hierna: dagvaarding I)
- het op 16 juni 2024 opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing bij restaurant Eazie aan de Houtmarkt 27 in Breda, terwijl daarvan gevaar voor goederen, levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners in de woningen boven en/of rondom het restaurant te duchten was.
Dagvaarding II - 09-060718-25 (hierna: dagvaarding II)
- het in vereniging plegen van diefstal van een telefoon, rijbewijs en/of autosleutel met (bedreiging met) geweld van/jegens [aangever] op 29 november 2024 te ’s-Gravenhage.
De volledige tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding I en dagvaarding II ten laste gelegde.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van het bij dagvaarding I en dagvaarding II ten laste gelegde.
Op specifieke (bewijs)verweren van de raadsvrouw zal hierna - voor zover relevant - nader worden ingegaan.
3.3
Vrijspraak dagvaarding I
De verdachte wordt verdacht van het teweegbrengen van een ontploffing bij restaurant Eazie aan de Houtweg 27 in Breda op 16 juni 2024.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast. In de nacht van 16 juni 2024 heeft een ontploffing plaatsgevonden bij restaurant Eazie in Breda. Op beelden is te zien dat voorafgaand aan de ontploffing een in het zwart gekleed persoon vanuit de Oude Vest richting de Houtmarkt loopt.. Ook is op deze beelden, die de rechtbank op de zitting heeft bekeken, te zien dat deze persoon een witte tas vast heeft en geen handschoenen draagt. De persoon loopt in de richting van restaurant Eazie, staat even met zijn gezicht naar het raam van het restaurant gericht, heeft dan de tas niet meer bij zich, verdwijnt kort uit beeld en komt dan weer in beeld in de nabijheid van de ingang van het restaurant. Vervolgens is er aan de gevel van restaurant Eazie een fel licht te zien en rent de persoon weg in de richting van waar hij eerder vandaan kwam. Op de beelden is ook te zien dat er een ontploffing volgt en er is daarna op die beelden rookontwikkeling zichtbaar.
Ter plaatse is, naast de schade aan het restaurant, geconstateerd dat er op een ruit van het restaurant, in het zwart is gespoten: ‘Thelmin Orna doorpakken’. Op de grond bij het getroffen restaurant worden aangetroffen een katoenen Actiontas, een spuitbus in de kleur ‘metallic black’, een plastic dop en een rol transparante tape.
Uit het onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) aan deze goederen blijkt dat op de kartonnen binnenzijde en de gehele buitenzijde van de rol tape, de buitenzijde van de plastic dop en op de hengsels van de Actiontas DNA-materiaal is aangetroffen van de verdachte. Tevens is er op al deze goederen, behalve op de buitenzijde van de rol tape, DNA-materiaal aangetroffen van onbekende man A. Ook is op de spuitdop van de spuitbus DNA aangetroffen van onbekende man A.
In de telefoon van de verdachte wordt een screenshot aangetroffen dat op 14 juni 2024 om 17:48 uur is gemaakt. Op dit screenshot is de tekst ‘THELMIN ORNA DOORPAKKEN !!!’ te zien. Buiten de uitroeptekens is dit exact dezelfde tekst die met zwarte verf op een ruit van het getroffen restaurant is gespoten.
Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat hij niets met de ontploffing te maken heeft. Dat er DNA van de verdachte is aangetroffen op drie verschillende goederen die bij de plaats delict zijn gevonden, kan volgens de verdachte (bijvoorbeeld) komen doordat hij in een winkel is geweest en daar verschillende spullen heeft aangeraakt.
Teweegbrengen ontploffing
De vraag die de rechtbank nu moet beantwoorden is of de verdachte als enkele pleger, want zo is het ten laste gelegd, betrokken is geweest bij dit feit.
De rechtbank vindt de verklaring die de verdachte ter zitting heeft afgelegd, inhoudende dat zijn DNA op de aangetroffen goederen op de plaats delict kan zijn terechtgekomen doordat hij in een winkel producten heeft aangeraakt, onaannemelijk. Het DNA van de verdachte is zowel op het hengsel van de tas, als op de dop van de spuitbus en zowel op de binnen- als de buitenzijde van de rol tape aangetroffen. Het is bepaald onwaarschijnlijk dat bij een winkelbezoek waarbij deze goederen niet zijn aangeschaft door de verdachte, per toeval al deze goederen door de verdachte zijn aangeraakt en vervolgens juist deze goederen worden aangetroffen bij het restaurant waar even daarvoor een ontploffing heeft plaatsgevonden en er een tekst op de ruit is gespoten met een spuitbus zwarte verf.
Ten aanzien van de screenshot met dezelfde tekst als die op een ruit van het getroffen restaurant is gespoten, heeft de verdachte ter zitting verklaard dat hij af en toe andere personen zijn telefoon liet gebruiken, waardoor het zou kunnen dat iemand anders de screenshot met zijn telefoon heeft gemaakt. De enkele, verder niet onderbouwde, suggestie van de verdachte dat er mogelijk iemand anders twee dagen voorafgaand aan de ontploffing op zijn telefoon heeft ingelogd, met zijn telefoon een screenshot heeft gemaakt van exact dezelfde tekst als die op de ruit van het restaurant is gespoten, vindt de rechtbank eveneens niet aannemelijk.
Het aangetroffen DNA-materiaal van de verdachte op drie op de plaats delict aangetroffen goederen, in combinatie met het feit dat met de telefoon van de verdachte twee dagen voorafgaand aan de ontploffing een screenshot is gemaakt met daarop precies dezelfde tekst als die op het restaurant is gespoten, levert dan ook een meer dan stevige verdenking op voor betrokkenheid van de verdachte bij het feit.
Uit het dossier volgen echter geen indicaties die de verdachte op de datum van de ontploffing op de plaats delict in Breda plaatsen; zo zijn bij het uitlezen van zijn OV-kaart geen reisbewegingen richting Breda aangetroffen en straalde zijn telefoon ook niet aan in Breda. Er kan op basis van het dossier ook niet worden vastgesteld dat de verdachte de persoon is die te zien is op de camerabeelden. Daarnaast is uit het onderzoek aan de telefoon van de verdachte niet gebleken dat er sprake is geweest van enig berichtenverkeer of zoektermen over de ontploffing. Van relevante transacties op zijn bankrekening is ook niet gebleken. Tevens leveren de uitslagen van het DNA-onderzoek ook sterke aanwijzingen op voor een andere pleger, te weten onbekende man A. Gelet op het voorgaande betekent dit dat er onvoldoende wettig bewijs voorhanden is dat verdachte zelf de ontploffing heeft veroorzaakt
De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het bij dagvaarding I ten laste gelegde.
3.4
Gebruikte bewijsmiddelen dagvaarding II
De rechtbank heeft in bijlage II de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
3.5
Bewijsoverwegingen dagvaarding II
De verdachte wordt ervan verdacht dat hij op 29 november 2024 te ’s-Gravenhage in vereniging een telefoon, rijbewijs en/of autosleutel van aangever [aangever] heeft weggenomen en daarbij geweld heeft gebruikt dan wel met geweld heeft gedreigd.
Feiten en omstandigheden
Uit het dossier leidt de rechtbank af dat de aangever via Snapchat met een persoon een afspraak heeft gemaakt om op 29 november 2024 seksuele handelingen te verrichten en een ‘wallet’ voor de handel in ‘coins’ te openen. Toen de aangever op de afgesproken plek in ’s-Gravenhage aankwam, zag hij twee jongens staan die hij niet (her)kende. De aangever heeft zijn auto geparkeerd en deed de deuren van het slot. De ene jongen (de onbekend gebleven medeverdachte) stapte in de auto en nam plaats op de passagiersstoel naast de aangever. De andere jongen stapte ook direct in de auto en ging achter de aangever zitten. Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat hij degene is geweest die in de auto achter de aangever is gaan zitten.
Volgens de aangever, en de verdachte heeft dit ook verklaard, zei de jongen die voorin de auto zat tegen hem: ‘Dus jij wil mijn neefje neuken’. Het liep hierna volgens de verdachte snel uit de hand en hij heeft, zo heeft hij verklaard, de aangever vastgepakt om zijn nek. De aangever heeft verder verklaard dat beide jongens tegen hem begonnen te schreeuwen dat hij zijn bankrekening moest laten zien en zijn bankpas moest geven. Hierop heeft de aangever zijn bankrekening laten zien waar € 112,- op bleek te staan. Volgens de aangever wilden de beide jongens vervolgens zijn portemonnee. Toen bleek dat hij deze niet bij zich had, zeiden ze dat hij zijn autosleutel moest geven. De aangever heeft dit geweigerd en werd vervolgens meerdere keren door de jongen naast hem met vuisten tegen zijn gezicht geslagen. Deze jongen heeft de aangever vervolgens vastgepakt in een wurggreep. De aangever wist uiteindelijk los te komen en is uit de auto gevlucht. De jongen die in de auto op de passagiersstoel zat, rende direct achter de aangever aan en heeft hem bij zijn t-shirt vastgepakt. Uiteindelijk wist de aangever te ontkomen en is weggerend. De jongens zijn in een andere richting weggerend.
Later is de aangever nog terug naar zijn auto gelopen. Hij miste zijn autosleutel, telefoon en rijbewijs.
Juridisch kader
Dat de verdachte en zijn medeverdachte geweld hebben gebruikt richting de aangever, kan naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de aangifte en de verklaring van de verdachte, wettig en overtuigend worden bewezen. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, nu op dit punt verweer is gevoerd, is of er ook sprake is geweest van een voltooide diefstal en of verdachte daarbij als medepleger een rol heeft gespeeld.
Voor een veroordeling voor (voltooide) diefstal van een aan een ander toebehorend goed – een en ander als bedoeld in artikel 310 Wetboek Pro van Strafrecht (Sr) – is onder meer vereist dat de dader zich een zodanige feitelijke heerschappij over dat goed heeft verschaft dan wel dit zodanig aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende heeft onttrokken dat de wegneming van het goed als voltooid kan gelden. Voorts is van belang of de gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn te beschouwen als gericht op voltooiing van een diefstal.
Door de verdachte is ter zitting verklaard dat hij met een vriend naar de afgesproken plek met de aangever is gegaan met de bedoeling om de aangever aan te spreken op het feit dat hij met een minderjarige zou hebben afgesproken om seksuele handelingen te verrichten. Wat er ook zij van de intentie waarmee de verdachte naar de ontmoeting met de aangever is gegaan, vanaf het moment dat de verdachte en zijn medeverdachte in de auto bij de aangever zijn gestapt, zij hem vastpakten en tegen hem begonnen te schreeuwen dat hij zijn bankpas, portemonnee en tot slot zijn autosleutel moest afgeven, is naar het oordeel van de rechtbank het oogmerk van de verdachte en zijn medeverdachte gericht geweest op het wederrechtelijk toe-eigenen van deze goederen. Want op het moment dat bleek dat er te weinig geld stond op de bankrekening van de aangever, hij zijn portemonnee niet bij zich had en hij weigerde zijn autosleutel af te geven, werd er geweld gebruikt tegen de aangever. De rechtbank is van oordeel dat naar uiterlijke verschijningsvormen de verdachte en zijn medeverdachte het oogmerk hadden om zich deze goederen van de aangever toe te eigenen en daartoe geweld te gebruiken.
De rechtbank stelt vast dat de telefoon, het rijbewijs en de autosleutel van de aangever aanwezig waren in de auto voordat de verdachte en de andere jongen instapten. Toen de aangever bij zijn auto terugkeerde, nadat hij uit de auto was gevlucht, bleken zijn telefoon (met in het hoesje zijn rijbewijs) en autosleutel weg te zijn. Deze werden door de politie ook niet meer aangetroffen in of in de buurt van de auto. Uit het dossier blijkt dat de verdachte en zijn medeverdachte in de auto hebben geroepen dat de aangever zijn autosleutel moest afgeven. Het is juist de autosleutel die vervolgens ontbreekt uit de auto van de aangever. De goederen die na het incident niet meer in de auto aanwezig waren, zijn daarmee aan de feitelijke heerschappij van de aangever onttrokken, terwijl uit de omstandigheden en geweldshandelingen blijkt dat de verdachte en zijn medeverdachte het oogmerk hebben gehad zich deze goederen wederrechtelijk toe te eigenen. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een voltooide diefstal. De omstandigheid dat de weggenomen goederen niet zijn aangetroffen bij de verdachte, doet daar niet aan af.
De rechtbank gaat daarbij uit van de verklaringen van de aangever en ziet geen redenen om hieraan te twijfelen. Dat de aangever op een aantal (niet cruciale) punten wisselt in zijn verklaringen, is niet onbegrijpelijk, gelet op de chaotische situatie waarin hij verkeerde en het feit dat twee personen geweldshandelingen tegen hem verrichtten, waardoor hij letsel heeft opgelopen.
Nauwe en bewuste samenwerking
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte als medepleger bij de diefstal met geweld op de aangever betrokken is geweest. Hoewel de verdachte heeft verklaard dat het aanvankelijk de bedoeling was om naar de aangever te gaan om hem aan te spreken op het feit dat hij met een minderjarige had afgesproken om seksuele handelingen te verrichten, is het op het moment dat de verdachte de aangever bij zijn nek vastpakt en hij en zijn medeverdachte roepen dat de aangever goederen moet afgeven, duidelijk dat het gaat om een diefstal. De verdachte en zijn medeverdachte hebben naar het oordeel van de rechtbank gezamenlijk uitvoering gegeven aan de diefstal en de geweldshandelingen tegen de aangever verricht en elkaar versterkt in hun handelen. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte in een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte heeft gehandeld.
Conclusie
De rechtbank is daarom van oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen.
3.6
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 29 november 2024 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander, een telefoon, een rijbewijs en autosleutels, die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen die [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [aangever] bij de keel te grijpen en
- te schreeuwen dat die [aangever] zijn portemonnee en zijn bankpas en zijn autosleutels moest geven en
- die [aangever] één of meerdere malen tegen het gezicht te slaan
enstompen en
- die [aangever] in een wurggreep te nemen en
- die [aangever] bij zijn shirt te grijpen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De op te leggen straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 87 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Daarvan heeft de officier van justitie gevorderd een gedeelte van 42 dagen voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren met bijzondere voorwaarden zoals deze door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) zijn geadviseerd. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast heeft de officier van justitie een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, van 120 uren, subsidiair 60 dagen jeugddetentie gevorderd.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen over de op te leggen straf ingeval van een bewezenverklaring. Door de verdediging is naar voren gebracht dat de verdachte niet meer in aanraking is gekomen met de politie. Hoewel de verdachte op dit moment niet naar school gaat, zal hij na de zomervakantie weer zijn opleiding oppakken. De verdachte heeft op dit moment nog geen dagbesteding, maar kan misschien bij zijn broer in de bouw gaan werken. Er is een coach betrokken bij de verdachte en dit verloopt goed. De verdachte heeft vaker contact met zijn coach dan met de jeugdreclassering.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich, samen met de onbekend gebleven medeverdachte, schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld, waarbij het slachtoffer in zijn eigen auto is beroofd van diverse spullen. Het slachtoffer is naar de afgesproken plek gekomen met het idee dat er seksuele handelingen zouden worden verricht en een online ‘wallet’ voor ‘coins’ zou worden geopend. Eenmaal aangekomen op de afgesproken plek, stapten er twee jongens in de auto van het slachtoffer. Vrijwel direct daarna, werd het slachtoffer vastgepakt en werd er geroepen dat hij verschillende spullen moest afgeven. Toen het slachtoffer dit weigerde, werd hij meerdere malen in zijn gezicht geslagen, waardoor hij letsel heeft opgelopen. Dergelijke feiten brengen een slachtoffer niet alleen materiële schade toe, maar maken ook een grote inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Het feit dat de diefstal met geweld heeft plaatsgevonden in de auto van het slachtoffer, draagt hier ook aan bij. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij geen rekening heeft gehouden met de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer en hij alleen maar heeft gedacht aan materieel gewin.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 9 februari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte, voordat hij het bewezenverklaarde feit pleegde, een geldboete heeft gekregen voor het opgeven van valse identiteitsgegevens en een strafbeschikking voor het rijden zonder rijbewijs. Nadat hij het bewezenverklaarde feit pleegde, is hij veroordeeld voor het rijden zonder rijbewijs, reden waarom artikel 63 Sr Pro van toepassing is. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij in 2022 is veroordeeld voor twee diefstallen met geweld, waardoor er sprake is van recidive.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het psychologisch rapport van [naam] (GZ-psycholoog) van 21 augustus 2025. Daaruit volgt dat de verdachte heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan het onderzoek. De psycholoog heeft de gestelde vragen daarom niet kunnen beantwoorden, maar heeft in het rapport wel opgenomen op basis van het dossier de indruk te hebben gekregen dat de verdachte een kwetsbare en beïnvloedbare jongen is. Gelet daarop is de begeleiding die hij krijgt van een coach, volgens de psycholoog, wenselijk.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het rapport van de Raad van 12 maart 2026 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat de verdachte al langere tijd bekend is bij de hulpverlening en de jeugdreclassering. Sinds de huidige zaak zijn er geen nieuwe verdenkingen meer geweest. In april 2025 is de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst onder verschillende voorwaarden en hij werkt hier goed aan mee. De grootste zorg is de schoolgang van de verdachte. Hoewel er veel met de verdachte is meegedacht en meebewogen om zijn schoolgang mogelijk te maken, is begin maart 2026 besloten dat de verdachte de rest van het schooljaar niet meer naar school toe zal gaan omdat hem dit te veel druk geeft. Het is belangrijk dat er aandacht voor blijft. Tussen de coach en de verdachte is sprake van een positieve samenwerking. Hoewel de verdachte op dit moment geen vorm van dagbesteding heeft, helpt de coach hem bij het zoeken naar een nuttige invulling van zijn dag. De verdachte heeft baat bij de sturing die hij krijgt vanuit een verplicht kader. Gelet daarop vindt de Raad het van belang dat – in geval van een bewezenverklaring – de jeugdreclassering betrokken blijft. Daarnaast is het belangrijk dat de begeleiding van de coach wordt voortgezet, zodat de verdachte wordt ondersteund in het vinden van een dagbesteding. Ook is het van belang dat er diagnostiek wordt uitgevoerd, zodat onderzocht kan worden welke hulpverlening passend is voor de verdachte om hem verder tot ontwikkeling te laten komen. Gelet op het voorgaande, adviseert de Raad oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie – gelijk aan het voorarrest – en een voorwaardelijke taakstraf met bijzondere voorwaarden. Om ervoor te zorgen dat de begeleiding vanuit de jeugdreclassering en coach blijven doorlopen, wordt ook dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden en het uit te oefenen toezicht geadviseerd.
De deskundige van Jeugdbescherming west heeft ter zitting naar voren gebracht dat de verdachte zich goed aan de schorsende voorwaarden heeft gehouden. Er zijn zorgen over het feit dat hij inhoudelijk nooit iets heeft verklaard, waardoor de begeleiding daar niet verder op in kon gaan en onduidelijk is waar dit vandaan kwam. De verdachte heeft veel meegemaakt in het verleden en hij zit hiermee. Dit zit mogelijk in de weg om goede stappen in de schoolgang te zetten. Het is van belang dat hiervoor diagnostiek plaatsvindt en passende hulpverlening wordt ingezet.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Daarin is als uitgangspunt voor een diefstal met geweld een werkstraf van 60 uren dan wel (dienovereenkomstige) jeugddetentie vermeld. In dit geval acht de rechtbank strafverhogend dat de verdachte eerder voor twee diefstallen met geweld is veroordeeld, er sprake is van medeplegen en dat het slachtoffer naar een afgelegen plek is geleid, waarna de diefstal met geweld heeft plaatsgevonden in de auto van het slachtoffer. Dit moet voor de aangever bijzonder beangstigend zijn geweest. In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat de verdachte sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis goed heeft meegewerkt aan de aan hem opgelegde voorwaarden.
Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank oplegging van een jeugddetentie voor de duur van 80 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht (45 dagen), waarvan 35 dagen voorwaardelijk passend en geboden. Aan het voorwaardelijke deel van de jeugddetentie zal de rechtbank een proeftijd van twee jaren verbinden en daarbij de bijzondere voorwaarden opleggen die de Raad adviseert. De rechtbank ziet dat de verdachte baat heeft bij de begeleiding vanuit de jeugdreclassering en de coach in een verplicht kader en is van oordeel dat dit voortgezet moet worden. Daarnaast vindt de rechtbank het van belang dat de verdachte zich zo gunstig mogelijk verder kan ontwikkelen en zal daarom ook het meewerken aan diagnostiek en eventuele hulpverlening/behandeling (indien dit nodig wordt geacht door de jeugdreclassering) opnemen als bijzondere voorwaarden.
Dadelijke uitvoerbaarheidDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten een diefstal met geweld. Uit de rapportages van de psycholoog en de Raad volgt dat de begeleiding van de jeugdreclassering en coach vanuit een verplicht kader een positief effect heeft op de verdachte en, gelet op zijn kwetsbaarheid, het voortzetten hiervan wordt geadviseerd. Ter zitting is daarom door de Raad de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden en het uit te oefenen toezicht geadviseerd. Naar het oordeel van de rechtbank moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan, nu de verdachte eerder is veroordeeld voor twee diefstallen met geweld en er nog onvoldoende zicht is op zijn belevingswereld. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 77z Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van dit wetboek uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

7.De vordering tot tenuitvoerlegging

7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de bij parketnummer 09-046785-22 door de meervoudige kamer van deze rechtbank op 15 december 2022 voorwaardelijke opgelegde straf, te weten een jeugddetentie voor de duur van 45 dagen, ten uitvoer wordt gelegd wegens het niet naleven van de algemene voorwaarde, inhoudende dat de verdachte geen nieuwe strafbare feiten mag plegen. De officier van justitie heeft ter zitting gevorderd dat de voorwaardelijk opgelegde straf, ten uitvoer wordt gelegd en deze wordt omgezet in een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 90 uren.
7.2
Het standpunt van de verdediging
Gelet op de bepleite algehele vrijspraak, heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De verdachte werd bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer in deze rechtbank van 15 december 2022 veroordeeld tot een jeugddetentie. Daarvan werd een gedeelte voorwaardelijk opgelegd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. Hij heeft zich voor het einde van de proeftijd immers wederom schuldig gemaakt aan een soortgelijk feit als waarvoor hij veroordeeld was. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie dan ook toewijzen en bepalen dat de voorwaardelijk opgelegde straf voor de duur 45 dagen jeugddetentie ten uitvoer wordt gelegd en wordt omgezet in een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 90 uren.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
63, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I (parketnummer 02-252805-24) ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding II (parketnummer 09-060718-25) ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.6 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straf
veroordeelt de verdachte tot:
een
jeugddetentievoor de duur van
80 (TACHTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd (45 dagen), door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, groot
35 (VIJFENDERTIG) DAGENniet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
twee jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen meldt bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken;
2. gedurende de proeftijd meewerkt aan de begeleiding van een coach, en zich houdt aan de afspraken die daarbij met hem worden gemaakt;
3. zich gedurende de proeftijd inzet voor het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding en zich zal houden aan het in dat verband geldende rooster, alles in overleg met de jeugdreclassering;
4. meewerkt aan diagnostiek vanuit de Waag of een soortgelijke instantie;
5. gedurende de proeftijd meewerkt aan hulpverlening/behandeling voortkomend uit de diagnostiek, als de jeugdreclassering dit nodig acht;
geeft opdracht aan Jeugdbescherming west, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,
daaronder begrepen.
beveelt dat de bovengenoemde voorwaarden en het – op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht – uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
de vordering tenuitvoerlegging
gelast dat de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 45 dagen, opgelegd bij voormeld vonnis van 15 december 2022 in de zaak met parketnummer 09-046785-22, ten uitvoer wordt gelegd en wordt omgezet in een taakstraf in de vorm van een werkstraf van
90 (NEGENTIG) UREN;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.E. Bierling, kinderrechter, voorzitter,
mr. S. van der Harg, kinderrechter,
en mr. M.J. Bouwman, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.B.M.A. Roozen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 maart 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
Dagvaarding I (02-252805-24)
hij op of omstreeks 16 juni 2024 te Breda, nabij/aan een bedrijfspand te weten Restaurant Eazie, gelegen aan de Houtmarkt 27, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een Cobra, in ieder geval een stuk knalvuurwerk, aan te steken en/of die Cobra, in ieder geval dat knalvuurwerk, in of nabij de toegangsdeur van het betreffende restaurant te plaatsen, waardoor die Cobra, in ieder geval dat knalvuurwerk tot ontploffing is gekomen/gebracht, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten het bedrijfspand en/of omliggende bedrijfspanden te duchten was, en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten bewoners in de woning gelegen boven Restaurant Eazie en/of bewoners in omliggende (boven)woningen te duchten was.
Dagvaarding II (09-060718-25)
hij op of omstreeks 29 november 2024 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een telefoon, een rijbewijs en/of autosleutels, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [aangever] bij de keel te grijpen en/of
- te schreeuwen dat die [aangever] zijn portemonnee en/of zijn bankpas en/of zijn autosleutels moest geven en/of
- die [aangever] één of meerdere malen in/op/tegen het gezicht te slaan/stompen en/of
- die [aangever] in een wurggreep te nemen en/of
- die [aangever] bij zijn shirt te grijpen.