Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7312

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
696193
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwikkeling nalatenschap en verdeling banksaldi tussen broers

Twee broers zijn gezamenlijk erfgenaam van hun moeder en hebben een geschil over de afwikkeling van haar nalatenschap, met name de verdeling van banksaldi en andere zaken. De rechtbank had eerder bij onherroepelijk vonnis de partiële verdeling van de banksaldi vastgesteld.

Na dit vonnis lukte het partijen niet om de verdeling tot stand te brengen vanwege onderlinge wantrouwen. De eiser vordert in kort geding onder meer machtiging om namens de gedaagde banken opdracht te geven tot uitbetaling van de banksaldi, medewerking aan werkzaamheden aan de grafsteen en verkoop of toedeling van een perceel grond.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de gedaagde zijn medewerking moet verlenen aan de uitbetaling van de banksaldi conform het eerdere vonnis, met oplegging van een dwangsom. De vordering tot afgifte van belastingaangiften wordt afgewezen vanwege gezag van gewijsde. De werkzaamheden aan de grafsteen worden toegestaan tot een bedrag van €1.750,-. De vordering tot verkoop of toedeling van het perceel grond wordt afgewezen wegens gebrek aan taxatie en onderbouwing.

Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten. Het vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en op 29 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot medewerking aan uitbetaling banksaldi en werkzaamheden grafsteen, met afwijzing van overige vorderingen.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/696193 / KG ZA 25/1241
Vonnis in kort geding van 29 januari 2026
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats 1],
eiser,
advocaat mr. B.J. de Deugd te Nieuwekerk aan den IJssel,
tegen:
[gedaagde]te [woonplaats 2],
gedaagde,
advocaat mr. J.P.A. Hoogstad te Rotterdam.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de door gedaagde overgelegde producties;
- de op 22 januari 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door [gedaagde] een pleitnota is overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Partijen zijn broers, gezamenlijk erfgenaam van hun vader en moeder en als zodanig gerechtigd tot hun beider nalatenschap.
2.2.
Tussen partijen is een geschil ontstaan over de afwikkeling van de nalatenschap van hun moeder. Zij hebben hierover een procedure gevoerd bij deze rechtbank. De rechtbank heeft bij (onherroepelijk) vonnis van 11 december 2024 de partiële verdeling van de tot de nalatenschap behorende banksaldi als volgt vastgesteld:
- een bedrag van € 20.000,- blijft op de ervenrekening staan ten behoeve van
schuldeisers van de nalatenschap;
  • aan [eiser] komt een bedrag toe van € 109.209,38, te vermeerderen met de helft van € 1.093,- indien [gedaagde] de betreffende belastingaanslag (de aanslag inkomstenbelasting 2022, toevoeging voorzieningenrechter) niet aan [eiser] kan tonen;
  • het resterende saldo op de ervenrekeningen komt toe aan [gedaagde];
  • indien na voldoening van alle schulden van de nalatenschap van het bedrag van
€ 20.000,- nog iets resteert, dient dit bedrag bij helfte tussen partijen te worden
verdeeld:
2.3.
Na dit vonnis hebben partijen via hun advocaten tevergeefs geprobeerd om de vastgestelde (partiële) verdeling tot stand te brengen en ook enkele andere met de nalatenschap verband houdende zaken af te wikkelen.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
I. [eiser] machtigt om mede namens [gedaagde] de ING Bank en Rabobank (hierna ook: de banken) opdracht te geven tot uitbetaling van de banksaldi overeenkomstig het vonnis van 11 december 2024, dan wel [gedaagde] veroordeelt zijn medewerking te verlenen aan een dergelijke opdracht aan de genoemde banken op straffe van een dwangsom;
II. [gedaagde] veroordeelt om de aangifte inkomstenbelasting 2022 en 2023 aan [eiser] af te geven op straffe van een dwangsom;
III. [eiser] machtigt om mede namens [gedaagde] een steenhouwer opdracht te geven om werkzaamheden aan de grafsteen van hun ouders te verrichten ten laste van de nalatenschap tot een bedrag van € 1.750,-, dan wel [gedaagde] veroordeelt om zijn medewerking te verlenen aan een dergelijke opdracht op straffe van een dwangsom;
IV. [eiser] machtigt om mede namens [gedaagde] over te gaan tot verkoop en levering van het perceel grond in [land] tegen een koopprijs van € 60.000,-, waartoe partijen bij helfte gerechtigd zijn, dan wel [gedaagde] veroordeelt tot medewerking aan een zodanige verkoop en levering op straffe van een dwangsom;
Althans [gedaagde] veroordeelt tot notariële toedeling van het perceel grond in [land] aan hem, indien hij daar aanspraak op wenst te maken, onder de gehoudenheid om aan [eiser] voor of bij het verlijden van de akte daartoe een bedrag van € 30.000 te voldoen, op straffe van een dwangsom;
kosten rechtens.
3.2.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. [gedaagde] werkt ondanks de heldere sommaties die aan hem zijn gedaan niet mee aan de afwikkeling van de nalatenschap. Toezeggingen die zijn gedaan worden niet nagekomen. Daarom ziet [eiser] zich genoodzaakt medewerking, dan wel machtiging te vorderen om tot afwikkeling te komen. Hij heeft een spoedeisend belang bij en gevraagde voorzieningen omdat per dag rente wordt opgebouwd over het saldo op de bankrekeningen, waarvan de hoofdsom gelet op het vonnis van 11 december 2024 in overwegende mate aan hem toekomt, maar de rente daarover aan [gedaagde].
3.3.
[gedaagde] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
De voorzieningenrechter zal de verschillende vorderingen van [eiser] hierna afzonderlijk beoordelen.
uitbetaling banksaldi
4.2.
Gebleken is dat partijen na het vonnis in de bodemprocedure met de verdeling van de banksaldi (en andere zaken) aan de slag zijn gegaan, maar dat het tot uitvoering daarvan nog niet is gekomen. Op basis van de stukken en het verloop van de zitting, stelt de voorzieningenrechter vast dat dit vooral lijkt te komen door de slechte onderlinge verstandhouding tussen partijen die zich in dit geval uit in wederzijds wantrouwen. Er bestaat bij beide partijen bereidheid om tot afwikkeling van de nalatenschap te komen, maar dan wel op hun eigen voorwaarden. Hierdoor zijn partijen ondanks het vonnis in de bodemprocedure nog niet veel verder gekomen. Daar moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor zover mogelijk spoedig verandering in komen. Geen van partijen is erbij gebaat als er opnieuw een bodemprocedure moet worden gevoerd om tot afwikkeling van de banksaldi te komen. De voorzieningenrechter gaat daarom voorbij aan het verweer van [gedaagde] dat [eiser] geen spoedeisend belang heeft bij zijn vordering tot daadwerkelijke verdeling van de banksaldi. Dat belang is er wel, zij het niet om de door [eiser] gestelde reden.
4.3.
De voorzieningenrechter zal de subsidiaire vordering van [eiser] toewijzen.
Daarvoor is het volgende van belang. [gedaagde] heeft eerder toegezegd zijn medewerking te verlenen aan een gezamenlijke opdracht aan de banken om de banksaldi uit te betalen. Naar aanleiding van die toezegging heeft de advocaat van [eiser] na het uitbrengen van de dagvaarding twee schriftelijke betaalopdrachten naar [gedaagde] toegezonden met het verzoek om deze opdrachten te voorzien van zijn rekeningnummer en een handtekening en ze vervolgens vergezeld met een kopie van zijn identiteitsbewijs te retourneren. [gedaagde] heeft dat niet gedaan, omdat volgens hem de in de betaalopdrachten genoemde bedragen niet kloppen en er meer bescheiden aan de banken moeten worden aangeleverd. Dat deze bezwaren terecht zijn is niet gebleken. De advocaat van [eiser] heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij contact heeft gehad met de banken over de aan hen te verstrekken opdrachten en dat hij op basis van de mededelingen die door de banken zijn gedaan de aan [gedaagde] toegestuurde betaalopdrachten heeft opgesteld. Daarnaast heeft hij verklaard dat de banken hebben toegezegd dat de betaalopdrachten samen met de verklaring voor erfrecht en het vonnis van 11 december 2024 voldoende zijn voor uitbetaling van de banksaldi conform de door de rechtbank vastgestelde verdeling. Gelet hierop en omdat de in de betaalopdrachten genoemde bedragen overeenkomen met de verdeling van de banksaldi zoals die door de rechtbank is vastgesteld, is de voorzieningenrechter van oordeel dat [gedaagde] zijn toezegging om medewerking te verlenen aan een gezamenlijk betaalopdracht moet nakomen. Daartoe zal hij dan ook veroordeeld worden. Daarbij zal de voorzieningenrechter bepalen dat de toezending van de betaalopdrachten aan de banken via de advocaat van [eiser] verloopt om zo het tijdens de zitting door [gedaagde] geuite bezwaar tegen afgifte van (een kopie van) zijn identiteitsbewijs aan [eiser] te ondervangen, gezien de verklaring van de advocaat van [eiser] dat hij geen kopie daarvan aan zijn cliënt zal verstrekken.
4.4.
De voorzieningenrechter acht oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming, aangewezen. De op te leggen dwangsom zal worden gemaximeerd tot het in het dictum genoemde bedrag.
aangifte inkomstenbelasting 2022 en 2023
4.5.
De vordering tot afgifte van de aangifte inkomstenbelasting 2022 en 2023 zal worden afgewezen. [eiser] heeft diezelfde vordering ook in de bodemprocedure ingesteld. Weliswaar zijn in het (onherroepelijke) vonnis van 11 december 2024 geen overwegingen aan deze vordering gewijd, maar de voorzieningenrechter gaat er vooralsnog van uit dat de afwijzing van het meer of anders gevorderde in het dictum van het vonnis ook betrekking heeft op de vordering tot afgifte van de belastingaangiften. Niet gesteld of gebleken is dat de in dit kort geding ingestelde vordering op een andere grondslag is gebaseerd dan de grondslag die in de bodemprocedure is aangevoerd. De voorzieningenrechter is daarom met [gedaagde] van oordeel dat het gezag van gewijsde van de beslissing van de rechtbank aan toewijzing van de vordering in dit kort geding in de weg staat.
werkzaamheden grafsteen
4.6.
Voor zover [gedaagde] meent dat [eiser] geen spoedeisend belang heeft bij zijn vordering met betrekking tot de grafsteen, verwijst de voorzieningenrechter naar wat daarover in 4.2 is opgemerkt. Waarbij in dit geval ook in aanmerking wordt genomen dat de naam en de geboorte- en sterfdatum van de moeder van partijen ruim twee jaar na haar overlijden nog altijd niet op de grafsteen zijn bijgeschreven, terwijl partijen het erover eens zijn dat dit moet gebeuren.
4.7.
[gedaagde] heeft twee offertes in het geding gebracht waaruit blijkt dat de kosten voor de werkzaamheden tussen de € 2.000,- en € 3.000,- bedragen. Tijdens de zitting heeft [eiser] verklaard dat het voor hem niet uitmaakt wie de werkzaamheden verricht, zolang hij maar niet meer dan € 875,- hoeft te bij te dragen. Het door hem genoemde bedrag is de helft van het bedrag dat een door hem aangezochte steenhouwer via een Whatsapp-bericht aan hem heeft doorgegeven. Nu het om slechts om een whatsappbericht gaat en een (deugdelijke) offerte ontbreekt, kan de voorzieningenrechter niet controleren of dit een marktconform aanbod is waarbij dienstverlening van gangbare kwaliteit verwacht mag worden. Dit kan echter in het midden blijven, omdat [gedaagde] heeft aangeboden om alle kosten boven een bedrag van € 1.750,- voor zijn rekening te nemen. De voorzieningenrechter zal de primaire vordering van [eiser] dan ook toewijzen, met dien verstande dat de opdracht zal worden gegeven aan een van de bedrijven die op verzoek van [gedaagde] een offerte hebben verstrekt, waaruit [gedaagde] een keuze mag maken, bij gebreke waarvan [eiser] die keuze maakt.
grond [land]
4.8.
De vorderingen van [eiser] die zien op het tot de nalatenschap van de moeder van partijen behorende perceel in [land] komen erop neer dat dit perceel voor een bedrag van € 60.000,- aan een derde wordt verkocht, dan wel aan [gedaagde] wordt toebedeeld. Vaststaat dat aan dit bedrag geen taxatie ten grondslag ligt. Het is gebaseerd op een bod dat een derde aan [eiser] heeft gedaan. [eiser] heeft geen nadere informatie over de – tot aan de zitting onbekend gebleven – derde verstrekt en evenmin met stukken onderbouwd dat het genoemde bedrag van € 60.000,- overeenkomt met de reële waarde van het perceel. Dit wordt bij gebrek aan wetenschap door [gedaagde] betwist. Hij wijst erop dat er eerst een taxatie moet plaatsvinden, waarna hij zal meewerken aan verkoop van het perceel aan een derde, dan wel toebedeling van het perceel aan zichzelf onder vergoeding van de helft van de waarde aan [eiser]. Bij deze stand van zaken bestaat er geen grond voor toewijzing van het door [eiser] gevorderde.
proceskosten
4.9.
Gelet op de familierelatie tussen partijen zal de voorzieningenrechter bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om zijn medewerking te verlenen aan (i) de uitbetaling van de saldi op de tot de nalatenschap van de moeder van partijen behorende bankrekeningen bij ING Bank en Rabobank en (ii) de (gedeeltelijke) opheffing van die rekeningen overeenkomstig het vonnis van 11 december 2024, door de bij de brief van mr. De Deugd van 24 december 2025 gevoegde schriftelijke betaalopdrachten in te vullen en te ondertekenen en deze vervolgens vergezeld van een kopie van zijn identiteitsbewijs binnen twee weken na de datum van dit vonnis aan mr. De Deugd terug te sturen, opdat mr. De Deugd de (eveneens door [eiser] ingevulde en ondertekende) opdrachten tezamen met de kopieën van de identiteitsbewijzen van de broers, de verklaring van erfrecht en een afschrift van het vonnis van 11 december 2024 naar de betreffende banken zal kunnen sturen;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat hij niet voldoet aan de veroordeling onder 5.1, tot een maximum van € 50.000,-;
5.3.
bepaalt dat [gedaagde] binnen één week na de datum van dit vonnis zijn keuze voor [bedrijfsnaam 1] te [plaats 1] of [bedrijfsnaam 2] B.V. te [plaats 2] schriftelijk aan [eiser] doorgeeft;
5.4.
bepaalt dat indien [gedaagde] niet binnen de gestelde termijn een keuze maakt, aan [eiser] de bevoegdheid toekomt om zelf één van de in 5.3 genoemde bedrijven te kiezen;
5.5.
machtigt [eiser] om mede namens [gedaagde] opdracht te geven aan het uiteindelijk gekozen bedrijf tot het verrichten van werkzaamheden aan de grafsteen van de ouders van partijen, bestaande uit het bijwerken van de letters van vader en het bijschrijven van de naam en de geboorte- en sterfdatum van moeder en alle werkzaamheden die daarmee samenhangen en bepaalt dat de kosten van deze werkzaamheden tot een bedrag van € 1.750,- ten laste van de nalatenschap komen;
5.6.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.7.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026.
EI