Twee broers zijn gezamenlijk erfgenaam van hun moeder en hebben een geschil over de afwikkeling van haar nalatenschap, met name de verdeling van banksaldi en andere zaken. De rechtbank had eerder bij onherroepelijk vonnis de partiële verdeling van de banksaldi vastgesteld.
Na dit vonnis lukte het partijen niet om de verdeling tot stand te brengen vanwege onderlinge wantrouwen. De eiser vordert in kort geding onder meer machtiging om namens de gedaagde banken opdracht te geven tot uitbetaling van de banksaldi, medewerking aan werkzaamheden aan de grafsteen en verkoop of toedeling van een perceel grond.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de gedaagde zijn medewerking moet verlenen aan de uitbetaling van de banksaldi conform het eerdere vonnis, met oplegging van een dwangsom. De vordering tot afgifte van belastingaangiften wordt afgewezen vanwege gezag van gewijsde. De werkzaamheden aan de grafsteen worden toegestaan tot een bedrag van €1.750,-. De vordering tot verkoop of toedeling van het perceel grond wordt afgewezen wegens gebrek aan taxatie en onderbouwing.
Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten. Het vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en op 29 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.