ECLI:NL:RBDHA:2026:7294

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
NL26.12789
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 17 DublinverordeningArt. 12 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten
Verwijzingen
15 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiseres, een alleenstaande Eritrese vrouw, diende op 27 november 2025 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam haar aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiseres voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet zonder meer kan worden toegepast vanwege tekortkomingen in de Duitse asielprocedure en opvang, en dat haar persoonlijke omstandigheden, waaronder haar kwetsbaarheid als alleenstaande vrouw en familiebanden in Nederland, een uitzondering rechtvaardigen.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, aangezien Duitsland partij is bij het EVRM en het Vluchtelingenverdrag. Eiseres heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat haar overdracht aan Duitsland zal leiden tot een schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 van Pro het Handvest. Er zijn geen ernstige structurele tekortkomingen in het Duitse asielsysteem vastgesteld en de Duitse autoriteiten hebben de behandeling van haar aanvraag gegarandeerd.

De rechtbank concludeert dat verweerder niet verplicht was de aanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De gestelde familiebanden zijn niet onderbouwd en de persoonlijke omstandigheden van eiseres rechtvaardigen geen uitzondering. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat Duitsland verantwoordelijk is en het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet is doorbroken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.12789

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. M. Drenth),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij het besluit van 6 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiseres stelt te zijn geboren op [datum] 1977 en de Eritrese nationaliteit te hebben. Zij heeft op 27 november 2025 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Bij het bestreden besluit van 6 maart 2026 heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen. Uit onderzoek in EU-Vis is gebleken dat eiseres door de buitenlandse vertegenwoordiging van Duitsland in het bezit is gesteld van een visum, dat geldig was van 6 november 2025 tot 20 december 2025. Op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening [3] heeft verweerder aan Duitsland een verzoek om overname gedaan. Op 12 december 2025 hebben de Duitse autoriteiten het verzoek aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Duitsland vaststaat.
3. Eiseres kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en voert daartoe aan dat verweerder gebruik had moeten maken van zijn bevoegdheid zoals neergelegd in artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Volgens eiseres kan ten aanzien van Duitsland niet zonder meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan, omdat sprake is van tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen. Zij vreest bij overdracht naar Duitsland zonder opvang te raken, in vreemdelingenbewaring te worden geplaatst en uiteindelijk te worden teruggestuurd naar Eritrea. Daarnaast is overdracht in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM [4] en artikel 4 van Pro het Handvest. [5] Zij wijst in dit verband naar haar persoonlijke omstandigheden. Eiseres ervaart veel stress vanwege haar onzekere toekomst, is als alleenstaande vrouw zonder netwerk kwetsbaar en heeft in Nederland familie die haar ondersteunt. Volgens eiseres had verweerder deze omstandigheden moeten aanmerken als bijzondere, individuele omstandigheden op grond waarvan overdracht van een onevenredige hardheid getuigt.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. In beginsel mag verweerder ten opzichte van Duitsland, dat evenals Nederland partij is bij het EVRM en het Vluchtelingenverdrag, uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is bevestigd in uitspraken van de Afdeling [6] van 25 januari 2024, [7] 6 mei 2024 [8] en 14 februari 2025. [9] Eiseres heeft het tegendeel in haar geval niet aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft daarbij terecht overwogen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar overdracht aan Duitsland zal leiden tot een schending van artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. De enkele opmerking dat eiseres vreest zonder opvang te raken of in vreemdelingenbewaring te worden geplaatst, is daarvoor onvoldoende. Niet is gebleken van ernstige, structurele tekortkomingen in het asielsysteem of de opvangvoorzieningen in Duitsland. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 november 2023 [10] en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 [11] volgt dat in dat geval in Dublinprocedures geen ruimte bestaat voor toetsing van het risico op (indirect) refoulement.
5. Daarbij komt dat de Duitse autoriteiten met de aanvaarding van het overnameverzoek hebben gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiseres in behandeling zullen nemen met inachtneming van verplichtingen die voortvloeien uit de Europese asielrichtlijnen en internationale verdragen. Indien eiseres meent dat Duitsland daarin tekortschiet, ligt het op haar weg daarover in Duitsland te klagen. Niet is gebleken dat dat voor eiseres niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.
6. In wat eiseres heeft aangevoerd heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om de aanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiseres de gestelde familiebanden in Nederland niet heeft onderbouwd. Daarnaast heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheid dat eiseres stress ervaart, haar onzekere toekomst en haar positie als alleenstaande vrouw zonder netwerk niet maken dat overdracht aan Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt.
7. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 30 maart 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Verordening (EU) nr. 604/2013.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
6.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
10.ECLI:EU:C:2023:934.