ECLI:NL:RBDHA:2026:7286
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in asielzaak wegens Dublin-verantwoordelijkheid Duitsland
Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling is genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens het Dublin-verdrag.
Tegen dit besluit is beroep ingesteld en tevens is een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek samen met een gerelateerde zaak op 24 maart 2026 behandeld, waarbij verzoekster en haar gemachtigde niet zijn verschenen.
De minister werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De voorzieningenrechter overweegt dat vanwege de reeds gegeven uitspraak in de hoofdzaak (zaaknummer NL26.11669) een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is en wijst het verzoek af.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan op 31 maart 2026 en is definitief, hoger beroep of verzet is niet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is beslist.