ECLI:NL:RBDHA:2026:7269
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling minister na intrekking beroep mvv-aanvraag
Verzoeker diende op 22 augustus 2024 een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor familieleden. Na uitblijven van een besluit stelde verzoeker een eerste beroep in, waarop de rechtbank op 29 april 2025 oordeelde dat de minister binnen acht weken een besluit moest nemen en een dwangsom oplegde bij overschrijding.
Op 26 november 2025 stelde verzoeker een tweede beroep in tegen het uitblijven van een beslissing. De minister besloot op 10 december 2025 alsnog dat de ambassade de mvv’s mocht afgeven. Verzoeker trok daarop het beroep in en verzocht om veroordeling van de minister in de proceskosten.
De rechtbank oordeelde dat verzoeker op het moment van het tweede beroep nog procesbelang had, ondanks dat de maximale dwangsom nog niet was bereikt. De minister werd veroordeeld tot betaling van € 467,- aan proceskosten, waarbij rekening werd gehouden met de lichte aard van de zaak en het inschakelen van een professionele gemachtigde. Het verzoek om griffierechtvrijstelling werd toegewezen. De uitspraak werd gedaan door rechter Schaaf op 13 maart 2026.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 467,- na intrekking van het beroep.